ROODRUGPARKIET – Psephotus haematonotus (Gould, 1838)

 

Soortbeschrijving

Formaat ongeveer 27 cm.

Man: voorhoofd en wangen glanzend blauwgroen. Bovenschedel, achterkop, hals en nek glinsterend grasgroen, ter hoogte van de schouders overgaand in dof donkerzeegroen. Keelstreek en bovenborst helder grasgroen, een nuance lichter dan de kleur van hals en nek. Borst, buik, flanken en dijen diepgeel; de kleurscheiding van groen naar geel loopt dwars over het midden van de borst. Het groene en gele kleurgedeelte van de borst alsmede de gele veervelden van buik en dijen tonen een uiterst fijne zwarte golftekening. Onderbuik en anaalstreek wit, overgoten met een geel waas. Mantel en centrale vleugeldekveren dof donkerzeegroen; het centrale gedeelte van het rugdek doet ietwat gehamerd aan. Overige vleugeldekveertjes blauwgroen, uitgezonderd een kleine gele vleugelvlek aan de vleugelrand en een smalle violetblauwe rand aan de bovenzijde van de vleugelbocht. Primaire vleugeldekveren en duimvleugels violet. Grote vleugelpennen donkergrijs met violetblauwe buitenvlag. Stuit dieprood; bovenstaartdekveren helder olijfgroen. Bovenzijde primaire staartveren olijfachtig groen met een blauwgroene buitenvlag; onderzijde grijszwart. Bovenzijde trapsgewijs verlopende secundaire staartpennen blauwgroen met vuilwitte uiteinden; onderzijde grijs met vuilwitte uiteinden. Onderstaartdekveren wit, enigszins geel bewaasd. Donkere ogen met grijsbruine iris. Snavel grijszwart. Poten grijs; nagels donkergrijs.

 

Pop: voorhoofd en wangen grauwgroen. Bovenschedel, achterkop en nek donker grauwgroen. Keelstreek en bovenborst geelachtig grauwgroen. Borst, buik, flanken en dijen bleek groenachtig geel; de kleurscheiding loopt dwars over het midden van de borst. De veervelden van borst, buik en dijen tonen een fijne regelmatige zwarte golftekening. Onderbuik en anaalstreek wit met blauwgroene aanslag. Mantel en centrale vleugeldekveren grauwgroen, gelijk aan de kleur van achterkop en nek. Overige vleugeldekveren iets lichter grauwgroen, uitgezonderd een klein petroleumblauw veerveld aan de vleugelrand bij de schouder. Primaire vleugeldekveren en duimvleugels donkerblauw, enigszins groen bewaasd. Grote vleugelpennen donkergrijs met blauwgroene buitenvlag. Stuit en bovenstaartdekveren helder olijfgroen. Bovenzijde primaire staartveren grauwgroen, enigszins blauw bewaasd; onderzijde grijszwart. Bovenzijde trapsgewijs verlopende secundaire staartpennen helder blauwgroen met vuilwitte uiteinden; onderzijde grijs met vuilwitte uiteinden. Onderstaartdekveren vuilwit. Donkere ogen met grijsbruine iris. Snavel grijs. Poten grijs; nagels donkergrijs.

 

Ondersoorten

Psephotus h. caeruleus Condon, 1941 – Bleke roodrugparkiet

Verspreidingsgebied: het noordoosten van de staat Zuid-Australië en het zuidwesten van Queensland.

Kenmerken: formaat 25 cm.

Man: duidelijk bleker van kleur dan de nominaatvorm en meer blauwachtig getint. Nek, mantel en vleugeldek bleek blauwachtig groen. Stuit lichtrood, neigend naar oranjerood. Bovenkant primaire staartveren  bleek olijfgroen met een lichtblauw waas.

Pop: over het geheel genomen bleker en meer grijzig getint; nek en vleugeldek iets minder opgebleekt en meer grijsachtig getint dan nominaatvorm.

 

Psephotus h. haematonotus (Gould, 1838)

Verspreidingsgebied: het zuidoosten van de staat Zuid-Australië, Zuid-Queensland, Nieuw-Zuid-Wales en Victoria.

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm

 

Biotoop

De roodrug parkiet is een bewoner van open vlaktes met boombestand, open bosgebieden met struikgewas, eucalyptussavannen en grassavannen tot op een hoogte van ongeveer 1250 m, doch altijd in de nabijheid van water. Dichte bosgebieden worden gemeden. Als echte cultuurvolgers treft men ze ook steeds meer aan in landbouwgebieden, stadsparken en tuinen.

 

Status wildpopulatie

De roodrugparkiet is in het gehele verspreidingsgebied een algemeen voorkomende vogel. Ofschoon grote gebieden van het oorspronkelijke woongebied in landbouwgrond is veranderd, is de totale populatie van deze  vogels in de vrije natuur stabiel gebleven.

Deze soort is opgenomen in het CITES-verdrag Appendix II

 

Europese regelgeving inzake het bezit van en de handel in bedreigde in het wild voorkomende dier- en plantensoorten

De roodrugparkiet is opgenomen in de Bijlage B van de Europese Basisverordening. In de Basisverordening (EG) nr. 338/97 zijn de regels gesteld omtrent invoer, uitvoer, wederuitvoer, doorvoer, eigendomsoverdracht en commerciële handelingen.

De volledige tekst van de Basisverordening is te vinden op www.hetinvloket.nl

 

Leefwijze

Deze vogels worden als regel paarsgewijs of in kleine groepen aangetroffen. Gedurende de wintermaanden vormen ze vaak grote groepen van wel 100 stuks of meer, waarbij de paarbinding binnen de groep blijft bestaan. Tijdens de broedtijd worden soms ook grotere groepen van enkel mannelijke vogels gesignaleerd. Roodrugparkieten gedragen zich voornamelijk als standvogel. Nochtans worden in de hogere regionen van de zuidelijke hoogvlakten van Nieuw-Zuid-Wales menigmaal onregelmatige standplaatsveranderingen waargenomen.  Men kan zich afvragen of de aldaar levende roodruggen als trekvogels te beschouwen zijn of slechts tijdens de wintermaanden afdalen naar lager gelegen gebieden.

Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit gras- en allerhande onkruidzaden alsmede allerlei groenteachtige plantendelen. In landbouwgebieden brengen ze graag een bezoek aan mijten en veldschuren met ongedorst graan.

Bij het krieken van de ochtend trekken de vogels naar de dichtstbijzijnde drinkplaats. Daarna begint hun zoektocht naar voedsel, waarvoor ze het grootste gedeelte van de dag tussen het gras op de grond doorbrengen,  het liefst in de schaduw van de bomen. Ze tippelen, zoals bij ons de oeverlopers op het strand, driftig heen en weer waarbij ze voortdurend allerlei zaadjes en ander voedsel oppikken, vervolgens  vliegen ze naar een beschaduwd plekje onder een andere boom en wordt het zoeken naar voedsel voortgezet. Als de zon op zijn hoogst staat, zoeken ze rust en verkoeling tussen het dichte bladerdek  van bomen. Later in de middag keren ze opnieuw terug op de grond om te foerageren. In tegenstelling met veel andere parkietsoorten zoekt de roodrug zijn voedsel niet op de rijpende korenvelden en wordt omdat hij verder nauwelijks schade veroorzaakt ook niet door de boeren bevolking vervolgd. In tegendeel, menigmaal worden in sommige plattelandstreken  nestkasten voor de vogels opgehangen.

Het broedseizoen in de wildbaan valt in de maanden augustus tot december/januari, maar in het noordelijk en westelijk deel van het verspreidingsgebied, breekt bij voldoende regenval het broedseizoen vaak al beduidend vroeger aan.

Als de broedtijd nadert kiezen de mannen een geschikte broedruimte, veelal een holle tak of een holte in een levende of dode boom in de buurt van water. De voorkeur gaat uit naar holten in eucalyptusbomen, maar er worden ook regelmatig nesten gevonden in holle afrasteringpalen, halfvergane boomstronken, verlaten spreeuwennesten in met riet bedekte daken van hooimijten en schuren en zelfs in verlaten broedholen van de regenboogbijeneter (Merops ornatus).

Het legsel  bestaat uit 4 tot 7 eieren, in de regel echter uit 5 stuks. De eieren worden om de andere dag gelegd. Na het leggen van het tweede ei begint de pop te broeden, een taak die ze alleen verricht. Tijdens de broedperiode wordt ze door de man van voedsel voorzien. Zodra de man de nestholte nadert lokt hij de pop met wat gekwetter naar buiten en voert haar vervolgens in de onmiddellijke omgeving van het nest. Hierna  keert ze meestal direct op het nest terug. Als de pop nog wat gaat drinken of even de vleugels wil strekken, blijft ze hooguit een kwartier weg, zo is uit waarnemingen gebleken. De broedduur is 19 dagen. De jongen blijven ongeveer 30 dagen in het nest. Na het uit vliegen worden ze nog 2 à 3 weken door beide ouders bijgevoerd. Eenmaal zelfstandig vormen ze samen met hun ouders en andere roodrugfamilies weer grotere groepen.

 

Algemene informatie

Begin vijftiger jaren van de negentiende eeuw komen de eerste roodrugparkieten naar Europa. In het jaar 1857 maakt de London Zoo als eerste melding van een geslaagd broedresultaat met deze soort. Duitsland  volgt in 1863. In 1865 slaagt Baron Cornely in Nederland erin jongen van deze soort op stok te krijgen.

Roodrugparkieten zijn zeer geschikt voor de beginnende liefhebber.

Omdat het nogal actieve vogels zijn, vind ik ze minder geschikt om als huisdier in een kooi te houden.

Roodrugparkieten hebben bewezen uitstekende pleegouders te zijn voor rosellasoorten (Platycercus spp), prachtparkieten (Polytelis spp) doch ook voor grotere parkietachtigen als roodvleugels (Aprosmictus spp) en koningsparkieten  (Alisterus spp) -  wat de beide laatstgenoemde betreft - in ieder geval gedurende de eerste drie levensweken.

 

Gedrag

Sterke vogel die ook goed bestand is tegen koude; rustige vogel; beweeglijk en actief; niet schuw; stemgeluid is bijzonder melodieus en niet luid, zeker niet storend; broedlustig; komen graag en veel op de grond; baden graag; niet bijzonder knaaglustig. In de broedtijd agressief tegenover andere vogels; buiten de broedtijd geeft het samenhouden met soortgenoten en andere grotere vogelsoorten nauwelijks problemen.

 

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in buitenvolière; minimale afmetingen (lxbxh) 3 x 1 x 2 m met een aansluitende wind- en regenvrije overkapping met een bodemoppervlakte van 1 m² waaronder de nestkast wordt opgehangen. Wegens hun agressiviteit tijdens de broedperiode tegenover andere soorten, is het niet raadzaam soortgenoten of andere Psephotussoorten pal naast elkaar te huisvesten want dan komt er waarschijnlijk van broeden weinig terecht. Verse wilgen- of fruitboomtakken (onbespoten) als zitstokken bevredigen hun knaaglust en dragen ertoe bij dat de vogels het houtwerk van de volière met rust laten. Dagelijks vers badwater verstrekken. Regelmatig op wormen controleren en zonodig wormkuur geven.

 

Voeding

Als basisvoedsel dient men een gevarieerd zaadmengsel te verstrekken waarin de volgende zaden in de aangegeven hoeveelheden zijn verwerkt: 48% La Plata millet; 6% rode millet; 6% witzaad; 8% boekweit; 4% negerzaad; 4% hennep; 4% padie (ongepelde rijst); 4% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 8% zonnebloempitten. Verder eivoer (gerantsoeneerd), enkele keren per week een paar meelwormen, allerhande groenvoer, vooral halfrijpe graszaden, halfrijpe onkruidzaden, appel, rozenbottels en wortel. Natuurlijk zorgen we ervoor dat fris bad- en drinkwater, scherpe maagkiezel en grit steeds ter beschikking staan.

In de broed- en ruitijd worden dezelfde zaden aangeboden, maar zijn de percentages als volgt aangepast: 30% La Plata millet, 4% rode millet; 12% witzaad; 6% boekweit; 8% negerzaad; 4% hennep; 4% padie; 8% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 16% zonnebloempitten. Dagelijks ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels op willen nemen. Eivoer eventueel rul maken met gekiemd zaad of geraspte wortel. Als er jongen zijn elke dag wat meelwormen verstrekken. Daarnaast kan men nog in melk geweekt oud bruinbrood en gekiemd zaad aanbieden.

 

Fok

Lukt bij een goede verzorging bijna altijd en verloopt meestal probleemloos. De roodrugparkiet is gemakkelijk in de partnerkeuze, d.w.z., man en pop accepteren elkaar vrijwel altijd. Mede hierdoor zijn deze vogels uitermate geschikt zijn voor de beginnende parkietenhouder.

Voor de fok moeten de vogels tenminste 1 jaar oud zijn. Broedbegin in buitenvolière vanaf begin april, in binnenvluchten vanaf maart. Een zelfgemaakte nestkast met een binnenwerkse oppervlakte van 15 x 15 en een hoogte van 40 cm en een invlieggat van 5 à 6 cm doorsnede voldoet uitstekend. Op de bodem een laag vermolmd hout of een mengsel van turfmolm en spaanhout  aanbrengen. De nestkast in het overdekte gedeelte van de volière ophangen. De eieren worden om de andere dag gelegd; legselgrootte variërend van 4 tot 6 eieren, soms oplopend tot 7. Na het leggen van het tweede ei begint de pop te broeden. De pop broedt alleen en wordt gedurende deze periode door de man gevoerd. Daartoe verlaat de pop telkens  voor korte tijd de nestkast. De broedduur is 19 dagen. De jongen hebben als ze uit het ei komt van boven lang en dicht dons, van onder en op het midden van de kop is het dons kort en spaarzaam. De eerste dagen worden de jongen uitsluitend door de pop gevoerd. De man sleept het voedsel aan. Wanneer de jongen ongeveer een week oud zijn worden ze door beide oudervogels gevoerd. Als de ogen opengaan kunnen de jonge vogels geringd worden; ringmaat 5,0 - 5,4 mm. De nesttijd bedraagt ruim 4 weken. Wanneer de jongen uitvliegen zijn ze duidelijk matter van kleur dan de oudervogels. De geslachten zijn echter al in het nest te herkennen doordat de jonge mannen een veel diepere groene kopkleur hebben en op de stuit al wat rode veertjes laten zien. Na het uitvliegen worden de jongen nog ongeveer 2 weken door de oudervogels gevoerd, een dag of tien later - soms al iets eerder - moeten de jongen dan worden uitgevangen omdat de pop dan weer aan een volgend legsel begint. Drie broedsels per jaar zijn mogelijk, maar om uitputting van de ouderdieren te voorkomen is het beter na twee broedsels het broedblok weg te nemen.

Het duurt een maand of 6 – 7 tot jonge roodruggen het volwassen verenkleed tonen.

 

Mutaties

Bij de roodrugparkiet zijn inmiddels al verschillende mutaties bekend. Het gaat om kleurmutaties die we ook al van verschillende andere papegaaiachtigen kennen. Voor de volledigheid zet ik de kenmerken en verervingswijze van deze mutaties nog even op een rijtje.

 

Blauw

De blauwe mutant is het gevolg van een zogeheten psittacinemutatie waarbij de vogel het vermogen mist psittacine aan te maken.

Het is een autosomaal verervende mutatie met een recessieve kenmerkvorming. Het allelisch symbool van deze mutatie is bl; wildvorm  bl+

 

Aqua

Ook de aqua-mutant is het gevolg van een psittacinemutatie die een ongeveer 50% sterke reductie van het psittacine in de lichaamsbevedering veroorzaakt.

In liefhebberskringen wordt de aqua-mutant nog vaak met de oude benaming “zeegroen” aangeduid. De internationale benaming voor de kleurslag is echter aqua.

Ook de aqua vererft autosomaal en is recessief ten opzichte van de groene wildkleur.

Genetisch symbool: blaq (meervoudig allel van bl); wildvorm bl+

 

De donkerfactoren

Bij de roodrugparkiet onderscheiden we verschillende donkernuances in de kleur.

Deze donkernuances worden veroorzaakt door veranderingen van de baardstructuur als gevolg van een gemuteerde erfelijke factor, de zogenaamde donkerfactor. De donkerfactor vererft autosomaal en is onvolledig dominant over de wildkleur.

Genetisch symbool voor de donkerfactor: D; wildvorm D+

De wildvorm roodrugparkiet bezit geen donkerfactoren (bl+_D+/bl+_D+), vandaar de kleurbenaming (licht)groen. De D-groene (donkergroene) roseicollis bezit één donkerfactor (bl+_D+/bl+_D), de DD-groene (olijfgroene) heeft twee donkerfactoren (bl+_D/bl+_D).

Hetzelfde geldt voor de blauwe mutant en de aqua: blauw = geen donkerfactor, D-blauw = één donkerfactor, DD-blauw = twee donkerfactoren; zo ook aqua geen donkerfactor, D-aqua één donkerfactor, DD-aqua twee donkerfactoren.

 

Ino

De benaming ino is afgeleid van albino en wordt in fokkerskringen veelal gebruikt als verzamelnaam voor de kleurslagen lutino, aqua-ino en albino.

De SL-ino mutatie (SL = Sex Linked = geslachtsgebonden) veroorzaakt zwaar misvormde en onderontwikkelde melanosomale matrixen in de bevedering. De tyrosinase activiteit wordt door deze mutatie echter niet aangetast, vandaar de term tyrosinase positief albinisme (TYR-pos). Door de gebrekkige grootte en vorm van de matrixen wordt er nauwelijks eumelanine aangemaakt, in ieder geval geen met het blote oog waarneembare hoeveelheden. Wat we zien is een pigmentloze bevedering, hetgeen albinisme wordt genoemd.

De ino-mutatie vererft geslachtsgebonden of beter, is gekoppeld aan het Z-chromosoom (Z voorheen aangeduid als X) en recessief ten opzichte van de wildfactor (lees: ongemuteerde inofactor).

Genetisch symbool ino; wildvorm ino+

De ino-man wordt als Z ino/Z ino geschreven de ino-pop als

Z ino/W  (W voorheen aangeduid als Y).

 

Pallid

De pallid-factor (voorheen pastelfactor) vererft eveneens gekoppeld aan het Z-chromosoom en is recessief ten opzichte van de wildfactor (lees: ongemuteerde pallid-factor).

Genetisch symbool: inopd (meervoudig allel van ino); wildvorm ino+

De pallidman wordt als Z inopd/Z inopd ; de pallidpop als Z inopd/W geschreven.

 

Opaline

De opalinefactor veroorzaakt een herverdeling van de in de vogel aanwezige kleurstoffen eumelanine en psittacine.

De opalinefactor vererft gekoppeld aan het Z-chromosoom en is recessief ten opzichte van de wildvorm.

Genetisch symbool: op; wildvorm op+

De opalineman wordt als Z op/Z op geschreven, de opalinepop als Z op/W

 

Cinnamon

De cinnamonmutatie verhindert de laatste fase van de pigmentsynthese waardoor bruin in plaats van zwart melanine wordt gevormd.

De cinnamonfactor vererft geslachtsgebonden of beter, is gekoppeld aan het Z-chromosoom en recessief ten opzichte van de wildfactor (lees: ongemuteerde cinnamonfactor).

Genetisch symbool cin; wildvorm cin+

De cinnamon-man wordt als Z cin/Z cin geschreven de cinnamon-pop als Z cin /W .

 

Bont

Men onderscheidt bij de roodrugparkiet twee bontmutaties:

1. Een bontmutatie met dominante kenmerkvorming;

    Symbool voor dominant bont: Pi; wildvorm Pi+

    Noot: de dominant bonte roodrugparkiet is nog vrij zeldzaam.

2. Een bontmutatie met recessieve kenmerkvorming.

    Symbool voor recessief bont: s; wildvorm s+

 

Fallow

In het parkietenwereldje zijn verschillende fallow-mutaties bekend.

Waarschijnlijk gaat het bij de roodrugparkiet om de zogeheten *bronze* fallow. Wat uiterlijk betreft, lijkt het daar op, maar zonder gedegen onderzoek is dat niet met zekerheid te zeggen. Hoe dan ook, alle fallowmutaties vererven autosomaal en zijn recessief ten opzichte van de wildvorm.

Als het vermoeden bevestigd wordt dat het inderdaad om het *bronze fallowtype*   gaat dan is het genetisch symbool abz;  voor de wildvorm schrijft men dan a+.

 

Tekst: H.W.J. van der Linden