RODE LORI

In het rijtje van de meest gehouden lori's behoort stellig ook de rode lori - Eos Bornea - thuis. Met zijn overwegend rode kleur is het een opvallende verschijning. Ook het feit dat het sterke vogels zijn, heeft zeker tot zijn populariteit in liefhebberskringen bijgedragen.

Herkomst: Molukken

Soortbeschrijving

Man en pop: lengte ongeveer 31 cm. Algemene lichaamskleur scharlakenrood. De grotere vleugeldekveren zijn aan de uiteinden blauwzwart gezoomd; de armpennen hebben een zwarte zoom. Anaalstreek, onderstaartdekveren en binnenste grote vleugelveren korenbloemblauw, handpennen zwart, in het midden onderbroken door een kleine helderrode vleugelspiegel. Bovenzijde grote staartveren bruinrood, onderzijde matrood. Ogen zwart met pruimrode iris, omgeven door een smalle onbevederde grijszwarte oogring. Snavel oranjerood, met aan de snavelbasis een grijskleurige washuid. Poten donkergrijs; nagels grijszwart.

Ondersoorten

Behalve het nominaatras, E. b. bornea, afkomstig van de eilanden Ambon en Saparua, worden drie lokale rassen beschreven. De van het eiland Boeroe afkomstige ondersoort E. b. cyanonothus onderscheidt zich van de nominaatvorm door een donkerder meer karmijnrode algemene lichaamskleur en een iets kleiner formaat. Een juiste determinatie van de E. b. rothschildi van het eiland Ceram en de E. b. bernsteini, afkomstig van de Kai-eilanden, is alleen mogelijk bij pas uitgevlogen nestjongen. Volwassen exemplaren verschillen nauwelijks van elkaar en zijn eveneens moeilijk van de nominaatvorm te onderscheiden. De E. b. bernsteini is iets groter dan de nominaatvorm.

Biotoop

Deze felgekleurde lori's zijn bewoners van de kuststreken. Ze worden voornamelijk aangetroffen in gebieden waar veel bloeiende of vruchtendragende Eugenia- en Erytrinabomen voorkomen. De vogels trekken gewoonlijk in groepen van zo'n twintig stuks van boomkruin naar boomkruin om zich te voeden met de bloesems en vruchten van deze woudreuzen. Als bijvoeding worden ook kleine insecten en larven opgenomen. Begin broedseizoen in de wildbaan vermoedelijk vanaf september. De nestholte bevindt zich op grote hoogte in oude bomen.

Huisvesting, verzorging en fok

Rode lori's worden regelmatig en tegen redelijke prijzen aangeboden. Het zijn sterke vogels die, na te zijn geacclimatiseerd, zomer en winter buiten gehouden kunnen worden, mits ze de beschikking hebben over een vorstvrij nachtverblijf. Voor een gezelschapsvolière zijn ze echter niet geschikt, daar ze nogal agressief kunnen zijn. Paarsgewijs gehuisvest zijn het echter prettige vogels die in de regel spoedig tam worden. Daar ze van nature nogal speels zijn, verdient het aanbeveling in een hoek van het verblijf wat grillig gevormde wilgentakken aan te brengen waarop de vogels kunnen klimmen en klauteren.

Het hoofdvoedsel bestaat uit loribrij en dagelijks enkele meelwormen en wat vers fruit. Voor de afwisseling kunnen we af en toe wat trosgierst en halfrijpe of gekookte maïs geven. Fris badwater mag nimmer ontbreken, want ze zijn verzot op baden. Slapen doen ze bij voorkeur in een nestkast of broedblok.

Zelf maak ik de loribrij voor twee maanden ineens klaar, waarna het in de diepvries wordt bewaard. De helft bestaat uit vruchtenmoes, gemaakt van appels, peren, wortelen, komkommers, tomaten, rozenbottels, pruimen, kersen, aardbeien, rozijnen, krenten, weinig bananen en sinaasappels; rozenbottels, aardbeien, kersen en pruimen alleen wanneer ze vers te krijgen zijn. De andere helft is een mengsel van gelijke delen Bambix, Nutrix, CéDé-eivoer en Claus-insectenvoer. Het geheel wordt goed gemengd, waarna ik er nog enkele pakken druivensuiker, een fles Karvan Cevitam en een flinke hoeveelheid honing aan toevoeg, zodat een zoet geheel word verkregen. Het gehele mengsel wordt tenslotte aangelengd met water tot een dunne pap. Deze pap komt vervolgens in kleine glazen potjes voorzien van een schroefdeksel met een inhoud van 150 cc, hetgeen ruim voldoende is voor een paartje lori's. 's Nachts laat ik het benodigde aantal potjes ontdooien. Vlak voor het voeren voeg ik nog enkele druppels V12 van Bogena en een mespuntje Gistocal aan de inhoud toe, waarna elk loripaar een potje krijgt.

Broedresultaten met rode lori's zijn regelmatig voorgekomen. Ze broeden zowel in een zelfgemaakte broedkast als in een natuurbroedblok. Het broedblok dient ongeveer 40 cm hoog te zijn en een doorsnede van ca. 30 cm te hebben; diameter invlieggat 8 cm. Op de bodem wordt een flinke laag houtmolm of grof zaagsel van een harshoudende houtsoort aangebracht.

Gewoonlijk bestaat het broedsel uit twee eieren, soms drie eieren, die met een tussenpauze van enkele dagen gelegd worden. De broedduur is 26 dagen en begint na het leggen van het eerste ei. De pop broedt alleen. De man voert de pop op het nest en houdt haar 's nachts gezelschap.

De jongen hebben bij de geboorte wit nestdons dat naarmate ze ouder worden in grijs verandert. Op een leeftijd van ongeveer veertien dagen kunnen de jongen geringd worden met een vaste voetring van 7 mm; voor de wat kleinere E. b. cyanonothus is de ringmaat 6 mm. Na ongeveer 10 weken, soms ook al iets eerder, vliegen de jongen uit. Op het moment van uitvliegen is de kleur matrood en overgoten met een grijsachtig zwart waas. De snavel en oogiris zijn donker gekleurd.

Ofschoon ze na een week zelfstandig voedsel opnemen worden ze nog geruime tijd door de ouders bijgevoerd.

Tijdens de opfokperiode dienen de oudervogels de beschikking te hebben over extra dierlijke eiwitten in de vorm van insecten en larven. Als de pop aan een nieuw legsel wil beginnen dienen de jongen uitgevangen en apart gezet te worden.

Drie broedsels per jaar zijn geen uitzondering.

Tekst: H. W. J. van der Linden

E-mail: hvdlinden@gmx.net