DE PETZ' PARKIET

Wat uiterlijk betreft, vertoont de Petz’ parkiet, Aratinga canicularis, veel overeenkomst met de goudvoorhoofdparkiet, Aratinga aurea. Het verschil is echter meteen te zien wanneer men naar de snavel kijkt. De Petz' parkiet heeft een hoornkleurige snavel, de goudvoorhoofdparkiet een zwarte.

Herkomst

Westelijk Midden-Amerika van Costa Rica tot Midden-West Mexico.

Soortbeschrijving

Man en pop: lengte ongeveer 24 cm. De kop is versierd met een tamelijk brede oranjekleurige voorhoofdsband. Vervolgens een wat smaller matblauw veerveld dat van oogring tot oogring dwars over de voorkruin loopt en vandaar overgaat in de algemene lichaamskleur. Algemene lichaamskleur groen; achterschedel, nek, mantel, vleugeldek, stuit en bovenstaartdekveren donkergrasgroen; teugels, wangen, bef en bovenborst vaal olijfbruin; onderborst, buik, flanken, dijen en anaalstreek groenachtig geel. De grote vleugelpennen zijn groen, naar de uiteinden toe overgaand in diepblauw.

Buitenvlaggen van de armpennen eveneens diepblauw. Bovenzijde grote staartpennen donkergrasgroen; onderzijde donker olijfgeel. Boven- en ondersnavel hoornkleurig. Ogen zwart met gele iris omgeven met een vrij brede bleek geelachtige naakte oogring. Poten bruingrijs; nagels donkergrijs.

Ondersoorten

A.c.canicularis (Linnaeus) - Petz' parkiet

Bewoont het meest zuidelijke gedeelte van het verspreidingsgebied.

Kenmerken: Gehele snavel hoornkleurig. Onderlichaam groenachtig geel met de nadruk op geel.

 

A.c.clarae Moore - Westmexicaanse Petz' parkiet, bewoont West-Mexico.

Kenmerken: Ondersnavel vrijwel geheel zwart. Slechts weinig oranje op het voorhoofd. Het matblauwe veerveld van de voorkruin strekt zich uit tot aan de teugel. De borstkleur is vaal olijfgroen.

 

A.c.ebunirostrum (Lesson) - Zuidmexicaanse Petz' parkiet, Zuidwest-Mexico

Kenmerken: Het oranje veerveld op het voorhoofd is minder breed dan van de nominaatvorm. Het onderlichaam is minder geelachtig. Op beide zijden van de ondersnavel zit een bruinachtig grijze vlek.

Biotoop

Hoewel de Petz' parkiet in wezen een bewoner van het vlakland is, treft men ze in de meest uiteenlopende gebieden aan, variërend van dorre vlakten, berggebied tot ongeveer 1200 m, zelden hoger, ook in loofwoud en open grasvlakten met spaarzaam verspreide boomgroepen en struikgewaslandschappen, soms zelfs in moerasachtige streken. Ze trekken in kleine groepen rond. Buiten de broedtijd vormen ze vaak grote groepen van enkele honderden vogels en soms nog meer. Men treft ze steeds daar aan waar het voedselaanbod groot is, vaak met andere vogels samen. Ze komen in het gehele verspreidingsgebied veelvuldig voor en hun bestand loopt, voorzover bekend, nergens terug.

Het voedsel in de wildbaan bestaat uit zaden, noten, bessen en vruchten, gewoonlijk wilde vijgen, Waarschijnlijk ook insecten en hun larven. In cultuurgebieden bezoeken ze kokosnoot- en mangoplantages. Tijdens het foerageren brengen ze aangenaam klinkende contactgeluiden voort.

De vogels nestelen in bewoonde boomnesten van de termiet Nasutitermes nirgiceps. Dit houdt in dat het verspreidingsgebied van deze vogels geheel in overeenstemming is met het verspreidingsgebied van deze termiet. Broedlustige paren zonderen zich van de groep af en zoeken een bestaande of graven een nieuwe nestholte in een bewoond termietennest. Wanneer er een nieuwe nestholte gegraven wordt, gebeurt dat in hoofdzaak door de man. Het nest bestaat uit een vrij lange tunnel met een diameter van ongeveer 7 cm. Na ongeveer 30 cm maakt de tunnel een scherpe bocht en leidt vervolgens naar de eigenlijke broedkamer, een holte van ongeveer 15 bij 20 cm. Het uitgraven van de nestholte geschiedt uitsluitend met de snavel en neemt ongeveer een week in beslag. Het broedseizoen begint in de omstreeks december/januari, in sommige streken later.

Avicultuur

In 1869 verkreeg de London Zoo het eerste paartje Petz' parkieten, korte tijd later kwamen ze ook in Hamburg terecht. In tegenstelling met Europa waar deze vogels altijd vrij schaars zijn gebleven, zijn ze in de USA erg populair. Ze zijn minder luidruchtig dan de meeste andere aratinga-soorten en worden er veelal als kooivogel gehouden. Veel Amerikaanse liefhebbers houden deze parkieten in een gezelschapsvolière. In de broedtijd echter worden ze vaak agressief en dienen dan over een eigen volière te beschikken.

Het eerste kweekresultaat met de Petz' parkiet was in 1929 en staat op naam van mevrouw F.S. Palmer te San Francisco, USA. Het koppel broedde in een kooi in de huiskamer. Van de vier eieren kwamen er drie uit; één ei bleek bij onderzoek onbevrucht. Spoedig na het uitkomen stierf een jong. De beide overgebleven jongen werden met de hand groot gebracht, omdat de ouders na enige tijd duidelijk toonden geen belangstelling voor hun kroost te hebben. Beide jongen groeiden voorspoedig op.

Drie jaar later slaagden R. Schmidt en mevrouw F. Eichwaldt in Duitsland er kort na elkaar eveneens in Petz' parkieten op stok te krijgen. Het eerste kweekresultaat in Nederland dateert van 1978 en staat op naam van wijlen mevrouw Spenkelink.

Inmiddels zijn verschillende broedresultaten met de Petz' parkiet behaald, ook in ons land. Niettemin staan ze nog steeds als 'moeilijk te kweken' te boek, wat stellig te maken heeft met hun nestkeuze in de vrije natuur.

Het eerste kweekresultaat met de ondersoort A.c.ebunirostrum was in 1937 in de dierentuin van San Diego, USA.

Van de ondersoort A.c.clarae zijn geen broedresultaten bekend.

In de handel wordt tussen de drie rassen van de Petz' parkiet geen onderscheid gemaakt. Ze worden steevast allemaal als Petz' parkiet aangeboden. Het is daarom best mogelijk, dat ook met de Westmexicaanse Petz' parkiet broedresultaten zijn behaald. Feit is in ieder geval dat dit ras het meest in Europa is ingevoerd.

Huisvesting en verzorging

Petz' parkieten zijn aangename volièrevogels. In de praktijk blijken ze geen speciale eisen aan hun verblijf te stellen. Broedresultaten werden al behaald in kooien. Voor permanente huisvesting kunnen we als afmetingen 3 lang x 1 breed x 2 m hoog aanhouden, inclusief nachthok. Als ze eenmaal wat aan hun omgeving gewend zijn, neemt hun aanvankelijke schuwheid af en krijsen ze nog maar zelden. Hun behoefte tot knagen is gering. Ofschoon deze vogels in de natuur uitsluitend in termietennesten broeden, nemen ze in gevangenschap ook wel genoegen met een natuurbroedblok en zelfs met zelf gemaakte nestkasten. Geschikte afmetingen voor het nestblok zijn 25 x 25 x 50 cm; invlieggat ca. 7 cm. Het verdient aanbeveling het broedblok het gehele jaar te laten hangen omdat de vogels deze tevens als slaapplaats gebruiken. Petz' parkieten baden zelden.Als basisvoedsel krijgen deze vogels een zaadmengsel voor grote parkieten met een niet te hoog percentage zonnebloempitten. Daarnaast een goed eivoer. Verder dagelijks wat fruit in de vorm van een stukje appel of sinaasappel of, indien verkrijgbaar, mango. Ook groenvoer als muur, andijvie, witlof of boerenkool wordt graag genomen. Op halfrijpe kolfmaïs zijn deze vogelsverzot. Een halve kolf per dag per koppel mogen ze gerust hebben. Vanzelfsprekend zorgen we er voor dat er steeds vers drinkwater, grit, maagkiezel en verste takken om te kangen in de volière aanwezig zijn.

Denk niet te vlug dat uw vogels bijvoorbeeld geen appel lusten als ze er niet direct aan willen. Met name aratinga’s staan bekend om hun conservatisme wat betreft het aannemen van 'vreemd' voedsel. Soms moet u een bepaald voedsel wekenlang aanbieden, voordat er van gegeten wordt.

Fok

De bekende auteur Dr. Thijs Vriends broedde in 1978 met deze vogels in zijn woonplaats New Jersey, USA. Hiervan maakte hij de volgende aantekeningen.

Het paar was geheel alleen ondergebracht in een vlucht van 6 m en een nachthok van 2 m. De hoogte van de vlucht was 2 m, die van het nachthok 2,5 m. De bodem bestond gedeeltelijk uit grasplaggen, voor de rest uit natuurlijke aarde. Grit en sepia stonden constant ter beschikking. Tegen de gaaswanden waren bossen wilg en brem aangebracht, zodat de vogels vrijwel geheel afgezonderd waren. Naast een normaal zaadmengsel voor grote parkieten werd kolfmaïs verstrekt.

Op 12 mei verdween de pop in een holte van een dode wilgenboomstam. Er werden 4 eieren gelegd, waarvan er twee op 14 juni uitkwamen. Beide jongen kwamen op stok.

De jongen werden met allerlei graszaden, stukjes appel en banaan, geweekte maïs, rozijnen en kanariezaad gevoerd; af en toe namen ze ook in melk of water geweekt brood.

Dr. Vriends denkt dat dit broedsucces op de eerste plaats te danken is aan de set-up van de volière, met daarin de dode boom met holtes. Verder is hij van mening, dat naast een rijk assortiment vruchten, maïs essentieel is.

Ik wil deze notities verder aanvullen met broedgegevens over Aratinga-soorten die ik uit eigen ervaring in de loop der jaren verzamelde en die ook van toepassing zijn op de Petz' parkiet.

Alle aratinga-soorten leggen de eieren met tussenpozen van twee of drie dagen. Het komt echter ook voor, dat tussen twee eieren meer dagen verstrijken. Doorgaans bestaat een legsel uit 3 à 4 eieren. De bevruchtingsgraad is gemiddeld hoog. Wanneer de eieren onbevrucht zijn, is het zaak te laten onderzoeken of het wel om een echt koppel gaat.

Bij alle aratinga-soorten broedt de pop alleen. Wel houdt de man de pop vaak bij het broeden gezelschap. Het legsel wordt vanaf het eerste, tweede of derde ei bebroed. Wanneer de pop begint te broeden is van paar tot paar, maar ook per legsel verschillend. De broedduur is bij alle aratinga's 23 dagen. In kweekverslagen wordt vaak een veel te lange broedduur opgegeven. Dit komt omdat vaak niet goed wordt ingeschat wanneer de pop met broeden begint, of gewoon omdat de onbevruchte eieren - meestal die het eerst gelegd werden - niet meegeteld worden. Afhankelijk van het broedbegin komen de jongen met verschillende tussenpozen uit. Tussen de oudst en jongst geborene, zit vaak een tijdverschil van meer dan een week. Wanneer de jongen uitkomen zijn ze met dons bedekt. Vanaf de tiende dag gaan de ogen langzaam open en worden de eerste stoppels zichtbaar.

Gelijktijdig met de contourbevedering ontwikkelt zich vanaf dit tijdstip een tweede donslaag. Op een leeftijd van ongeveer 14 dagen kunnen de jonge Petz' parkieten geringd worden: ringmaat 5,4 mm. De ontwikkeling van de bevedering neemt ongeveer 45 dagen in beslag. Dit is tevens het tijdsstip waarop de jongen uitvliegen.

Tekst: H.W.J. van der Linden

E-mail: hvdlinden@gmx.net