ARATINGA PERTINAX

Een gedetailleerd beeld van het nominaatras en de ondersoorten

De Aratinga petrinax bewoont een groot gedeelte van noordelijk Zuid-Amerika, van Panama tot Noordoost-Brazilië, met inbegrip van een aantal eilanden in de Caribische Zee waaronder Aruba, Bonaire en Curaçao. De door Linnaeus beschreven nominaatvorm, Aratinga pertinax pertinax, die oorspronkelijk alleen voorkwam op Curaçao is in het verre verleden door de mens ingevoerd Op St. Thomas, een eilandje dat deel uitmaakt van de Maagdeneilanden. Dit stukje menselijke inmenging verklaart tevens de Nederlandse naam sint-thomasparkiet.

Van de sint-thomasparkiet zijn maar liefst veertien ondersoorten bekend. De voornaamste verschillen hebben betrekking op de kleur en het tekeningspatroon van de kop. Het merendeel van de ondersoorten verschilt echter slechts weinig van elkaar. Het is voor de doorsnee liefhebber dan ook bijzonder moeilijk vast te stellen welke ondersoort men voor zich heeft, ook al omdat lectuur over dit onderwerp vrijwel geheel ontbreekt. Vooral dit laatste heeft mij bewogen de kenmerken en bijzonderheden van al deze ondersoorten eens op een rijtje te zetten, te beginnen bij het nominaatras.

Sint-thomasparkiet

A. p. pertinax (Linnaeus, 1758)

Herkomst: Curaçao, St. Thomas

Soortbeschrijving

Man en pop: lengte ongeveer 24 cm. Het voorhoofd, de teugels en de kopzijden tonen een mengeling van oranje en geel. Achter het oranjegeel van het voorhoofd ligt een groenachtig blauw overgangsgebied dat op de kruin overgaat in het donkergrasgroen van de achterkop. Algemene lichaamskleur groen; nek, mantel, vleugeldek, stuit en bovenstaartdekveren donkergrasgroen; buik, flanken dijen en anaalstreek geelachtig groen. Centraal op de buik een vrij vlekkerig veerveld van variabele afmetingen in diverse oranjetinten. Keel en borst zijn olijfbruin. Grote vleugelpennen groen, naar de uiteinden toe overgaand in diep blauw; buitenste armpennen koningsblauw. Bovenzijde grote staartpennen groen, aan de uiteinden groenachtig blauw; onderzijde grote staartveren vaal olijfgeel. De ogen zijn nagenoeg zwart met gele iris en omgeven door een crèmekleurige naakte oogring. Snavel bruinachtig grijs. Poten grijs; nagels donkergrijs.

Biotoop

Op het eiland St. Thomas is de sint-thomasparkiet thans vrij algemeen. De vogels schijnen zich echter vooral op het oostelijke deel van het eiland geconcentreerd te hebben.

Op Curaçao bewonen ze bijna elke streek waar bomen staan. Zelfs op de 375 m hoge Sint-Christoffelberg worden ze regelmatig waargenomen. Buiten het broedseizoen vormen ze grote vluchten van soms wel honderd stuks. Het voedsel bestaat uit zaden, wilde peulvruchten, vruchten van cactussen en boomvruchten zoals zuurzak, mango's en mispels. Tegen de oogstijd doen ze zich te goed aan de bekende kleine maïs, maishi chikita, hét cultuurgewas van Curaçao. In de natuur nestelen sint-thomasparkieten in kalksteenwanden, in nissen en spleten in rotsen, in holten van vermolmde boomstammen, maar vooral in de boomnesten van termieten. In zo'n termietennest hakken de vogels met hun snavel een enigszins gebogen gang van 7 tot 10 cm doorsnede en een lengte van 50 cm. Aan het einde van de gang bevindt zich het eigenlijke nest, een ovale ruimte met een diameter van 25 cm en een hoogte van 15 cm. Grootte van het legsel 4-7 eieren.

Verzorging en fok

De oudste balgen van de sint-thomasparkiet in het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden dateren van 1885. Wanneer we hiervan uitgaan, mogen we aannemen dat de nominaatvorm ruim een eeuw geleden voor het eerst naar Nederland kwam. Massaal zijn deze vogels echter nooit ingevoerd. Thans worden ze slechts door een handvol liefhebbers gehouden. Vrijwel alle vogels die als sint-thomasparkiet zijn aangekocht, behoren tot de rassen chrysophrys, venezuelae, aeruginosa, tortugensis of surinama. Ik schat het aantal echte sint-thomasparkieten in Nederland op tien stuks.

Alle rassen van de Aratinga pertinax zijn luidruchtig van aard en buitengewoon knaaglustig. Buiten de broedtijd baden ze weinig. Tegen vorst zijn ze niet bestand. Het nachtverblijf moet gedurende de wintermaanden vorstvrij gehouden worden. Ze verlangen echter niet veel ruimte. Met een vlucht van 2 m lang, 0,8 m breed en 2 m hoog, inclusief nachthok, is een paartje sint-thomasparkieten al dik tevreden. 'Nachts slapen deze vogels graag in een broedblok. Zoals alle Zuid-Amerikaanse parkieten geven ze de voorkeur aan natuurstammen. Geschikte afmetingen zijn: hoogte 40 à 60 cm, inwendige diameter 20 à 25 cm, invlieggat 6 cm, wanddikte ca. 10 cm.

Het hoofdvoedsel bestaat uit een kwalitatief goed zaadmengsel voor grote parkieten en vel fruit, vooral appel en peer. Ook rode wortel en halfrijpe kolfmaïs wordt graag opgenomen, evenals allerlei halfrijpe onkruidzaden. Verder dagelijks een kleine hoeveelheid eivoer of, beter nog, een weinig universeelvoer waaraan gedroogde insecten zijn toegevoegd. Het weekvoer rul maken met wat gekiemde maïs of mungobonen (katjang idjoe). Natuurlijk zorgen we ervoor dat fris bad- en drinkwater, scherpe maagkiezel en grit steeds ter beschikking staan. Ook verse takken en twijgen mogen nooit ontbreken.

Met de nominaatvorm is verschillende keren in gevangenschap gefokt. Voor zover ik heb kunnen nagaan, voor het eerst in 1949 door een zekere Putnam in Californië (USA). Het eerste Nederlandse fokresultaat dateert van 1968 en staat op naam van W. de Leeuw. Het paar verbleef in een ruime volière van 7.00 x 2.50 x 2.50 m waarin tevens enkele roseicollis, nanday-parkieten, peru-parkieten en een aantal niet met name genoemde exoten ondergebracht waren. Omstreeks half mei werd het eerste ei gelegd. Nog vier eieren volgden met tussenpozen van een dag. Het eerste jong werd 26 dagen na het leggen van het eerste ei geboren. De Leeuw veronderstelt dat de pop direct met broeden is begonnen, waardoor ten onrechte de indruk ontstaat dat de broedduur 26 dagen bedraagt. Hierop kom ik zodadelijk terug.

In totaal kwamen drie eieren uit: één ei bleek onbevrucht, van een tweede ei was de vrucht vroegtijdig afgestorven. Bij de geboorte zijn de jongen bijna geheel naakt en blind. Het snaveltje is bleek en bijna geheel recht. Vanaf de tiende dag komen de veren door en openen de jongen de ogen. Op een leeftijd van twaalf dagen kunnen de jongen geringd worden. Aanbevolen ringmaat 6 mm. Na ongeveer zes weken zijn ze geheel bevederd. Kort daarop vliegen de jongen uit. Ongeveer drie weken later zijn ze geheel zelfstandig.

Tijdens de broed- en opfokperiode werd in melk geweekt bruin brood verstrekt, bestrooid met biomix en rozenbottelsiroop.

Nu kom ik even terug op de broedduur. De broedduur is bij alle aratinga-soorten voor elk ei 23 dagen. Het legsel wordt vanaf het eerste, tweede of derde ei bebroed. Wanneer de pop met broeden begint, is van paar tot paar verschillend. Het komt zelfs voor dat een bepaalde pop tijdens de eerste ronde vanaf het tweede ei begint en bij een volgende ronde vanaf het eerste ei of het derde. In menig broedverslag wordt een veel te lange broedduur vermeld. Soms wordt de broedduur van het gehele legsel bedoeld. Veel vaker echter wordt niet goed ingeschat wanneer de pop begint te broeden of worden de onbevruchte eieren - meestal de eieren die het eerst gelegd werden - buiten beschouwing gelaten. ook wordt onvoldoende rekening gehouden met het feit, dat menige parkietenpop vanaf het eerste ei in het broedblok blijft, zonder daadwerkelijk te broeden. Voor het berekenen van de broedduur is het dus van belang dat men precies vastelt wanneer de pop begint te broeden.

 

Bonaire maïsparkiet

A. p. xanthogenia (Bonaparte, 1850)

Herkomst: Bonaire

Kenmerken

Man en pop: sterk gelijkend op het nominaatras A. p. pertinax. Het oranjegeel van het masker loopt door tot op het voorste gedeelte van de kruin en de hals, in de nek zijn veelal enkele gele veertjes zichtbaar; de grootte van het oranjegele masker varieert sterk en breidt zich soms uit over de gehele kop. De groenachtig blauwe overgangszone op de kop ontbreekt. De wangstreek is ietwat bruin bewaasd. Lengte ca. 24 cm.

Biotoop

De Bonaire parkiet wordt overal op het eiland aangetroffen, het meest echter in droge streken waar acacia's en cactussen staan of in wortelboombosschages. Ook landbouwgebieden behoren tot hun favoriete oponthoudplaatsen. Hun voeding en gedrag komen overeen met het nominaatras. Nestelt zowel in boomholten als in termietenbouwsels. Broedt evenals de sint-thomasparkiet in kolonieverband. Buiten de broedtijd vormen ze grote zwermen.

Verzorging en fok

De Bonaire parkiet is slechts incidenteel in liefhebbershanden terechtgekomen. In 1984 zag ik deze vogel voor het eerst op een grote tentoonstelling in Breda. Het betrof een in gevangenschap gefokte vogel door wijlen mevrouw Spenkelink van Schaik.

Voeding, huisvesting en fok komen overeen met die van de nominaatvorm. Van andere fokresultaten met deze ondersoort in gevangenschap is niets bekend.

 

Arubaanse maïsparkiet

A. p. arubensis (Hartert, 1892)

Herkomst: Aruba

Kenmerken

Man en pop: lengte 25 cm. Algemene lichaamskleur als de nominaatvorm. Buik slechts licht oranje getint. Het voorhoofd is bleekgeel. Schedeldek bijna groenachtig blauw, op het achterhoofd overgaand in het donkergrasgroen van het rugdek. Keel en bovenborst zijn bruingeel. De teugels, de wangen en de zijden van de kop tonen een mengeling van lichtbruin en zeer flets oranje. Een uitzondering vormen de veertjes van de oorstreek, deze zijn geel en hebben een brede bruine veerzoom. Rondom de ogen een grijsachtig witte naakte oogring afgezet met een asymmetrische rand van helder oranjegele veertjes, die het aanzien heeft van een bril.

Biotoop

De Arubaanse maïsparkiet is een algemeen voorkomende vogel op Aruba. Hij is bijzonder schuw. Met voorliefde houdt hij zich op in streken met veel schijfcactussen, waar ze zich te goed doen aan de zoete vruchten. Verder is hij te vinden op fruitplantages en korenvelden en in de overal op Aruba voorkomende wortelboombosschages. Nesten zijn aangetroffen in spelonken van kalksteengroeves en boomholten. Het legsel bestaat doorgaans uit vier eieren. De vogels broeden in kleine kolonies van vier of vijf broedparen. Buiten de broedtijd vormen ze grote groepen van soms wel honderd vogels.

Verzorging en kweek

Ook deze ondersoort wordt slechts sporadisch bij de liefhebber aangetroffen. Voeding huisvesting en kweek zijn gelijk aan die van de sint-thomasparkiet. In haar boek Kunt u mij kweken? maakt mevrouw Spenkeling van Schaik melding van een gelukte fok in Nederland, doch ze geeft geen details over dit broedresultaat.

 

Bruinkeelmaïsparkiet

A. p. aeruginosa (Linnaeus, 1758)

Herkomst: Noord-Colombia en Noordwest-Venezuela.

Kenmerken

Man en pop: lengte ongeveer 24 cm, iets kleiner dus dan de hiervoor omschreven ondersoort waarmee hij overigens veel overeenkomst heeft. De voorhoofdsband is slechts smal en heeft een bruingele kleur. De zijden van de kop, de keel en de borst zijn wat donkerder en tonen meer bruin dan de Arubaanse maïsparkiet. De naakte ooghuid is grijswit en afgezet met een aantal losse oranjekleurige veertjes, die echter geen gesloten geheel vormen.

Biotoop

De bruinkeel maïsparkiet is in zijn geboorteland een algemeen voorkomende vogel. Het is een bewoner van open bos en met kreupelhout begroeide droge streken. Is ook in landbouwgebieden een veel gesignaleerde vogel. De meest noordelijke bewoners van het verspreidingsgebied zijn standvogels. De meer zuidelijk levende vogels trekken tijdens het droge jaargetijde, van december tot mei, naar vochtiger streken. Deze vogels vormen gewoonlijk kleine groepen van vier tot acht vogels. Op rijpende maïsvelden worden ze dikwijls in grote groepen aangetroffen. Hun natuurlijke voeding bestaat verder uit onkruidzaden, bessen, vruchten en nectar. Over hun nestgewoonten in de vrije natuur is niets bekend.

Verzorging en fok

In het verleden is deze ondersoort regelmatig ingevoerd, maar dat is de laatste jaren als gevolg van de wettelijke in- en uitvoerbepalingen steeds minder geworden. Dit is waarschijnlijk ook de reden dat er over deze vogels zo weinig wordt gepubliceerd. Wat hun verzorging en huisvesting betreft, verwijs ik naar hetgeen hierover bij de sint-thomasparkiet is vermeld.

Met de bruinkeelmaisparkiet is verschillende keren in gevangenschap gefokt, de eerste keer door mevrouw W. Williams in Engeland in 1908. Een meer recent broedverslag over de A. p. aeruginosa waarover ik beschik, is afkomstig van Gerd Adelmeyer uit Wiesbaden.

Hij had zijn kweekpaar gehuisvest in een zoldervolière van 2 m x 1,2 m x 2 m. Het hierin opgehangen natuurbroedblok was 35 cm hoog en had een diameter van 21 cm. Het invlieggat had een doorsnede van 6 cm.

Spoedig nadat de vogels in de zomer in deze volière waren losgelaten, begonnen ze aan de gestukadoorde wanden van hun verblijf te knagen. Deze waarneming en het gegeven dat sommige pertinax-rassen in termietenbouwsels nestelen, brachten Adelmeyer op het idee ook het broedblok van een pleisterlaag te voorzien. Bijgevolg werden buitenkant van het blok, het invlieggat en de binnenkant dicht gepleisterd met een mengsel bestaande uit leem, zand, water en een weinig gips. Dit bleek een goed idee, want korte tijd later begon het paar het broedblok te bewerken en van de opgedroogde massa te ontdoen. Vervolgens werd het invlieggat van de kunstmatig aangebrachte hindernis ontdaan waarna de vogels het inwendige van het blok onderhanden namen. Elk losgeknaagd deeltje werd naar buiten gewerkt. Bij de grotere brokken die niet door het invlieggat gingen, Stak Adelmeyer zelf een handje toe.

De dag voor het leggen van het eerste ei, verbleek de pop gedurende de gehele dag in het blok. Op 17 oktober het eerste ei. Nog vier eieren volgden met tussenpozen van ongeveer 2,5 dagen. Op 11 november werd een jong geboren dat nog dezelfde dag stierf. Vier dagen later kwam nog een ei uit. De overige drie eieren waren niet bevrucht.

Het enige jong groeide voorspoedig en werd op de leeftijd van 13 dagen geringd. Dit bleek later te vroeg te zijn geweest, want de ring ontbrak toen het jong eenmaal uitgevlogen was. De jonge bruinkeelmaisparkiet vloog na 50 dagen uit. Veertien dagen later was hij geheel zelfstandig.

Adelmeyer vermeldt verder dat deze ondersoort zich buiten de broedtijd, ondanks een rijk gevarieerd voedselaanbod, zeer eenzijdig voedt. Tijdens de broedtijd werd de voedselopname gevarieerder en behoorden zonnebloempitten, hennep, gepelde haver, trosgierst, geweekte en gekiemde zonnebloempitten, appel en wortel tot het hoofdvoedsel. In mindere mate werd wildzangzaad, witzaad, geweekte maïs, gekiemde tarwe, mandarijnen, sinaasappel en peer genomen. Als weekvoer gaf hij Claus honingvoer met insecten en CéDé eivoer. Hiervan werd af en toe wat gegeten. Lijsterbessen, groenvoer, gekiemde trosgierst en banaan bleven onaangeroerd.

Gedurende de kweekperiode werd het daglicht in de fokruimte kunstmatig tot 12,5 uur verlengd. De temperatuur was ongeveer 20 graden Celsius, de luchtvochtigheid 70-85 procent.

 

Tortuga maïsparkiet

A. p. tortugensis (Cory, 1909)

Herkomst: Tortuga

Kenmerken

Man en pop: lengte ongeveer 26 cm. Deze ondersoort heeft een zeer smalle bleekgele voorhoofdsband, vervolgens op de kop een vrij groot groenachtig blauw overgangsgebied naar de algemene lichaamskleur waarbij het groen duidelijke de overhand heeft. De zijden van de kop tonen een mengeling van bruin en oranje (oranjekleurige veertjes met een brede bruine zoom). De veertjes van de oorstreek zijn echter meer geel met bruine omzoming. De naakte oogring is afgezet met een tamelijk brede asymmetrische bril van oranjegele veertjes. De borstkleur is bruin. De grote vleugelpennen tonen slechts weinig blauw op de buitenvlag. De ondervleugeldekveren zijn geelachtig lichtgroen. Voor het overige gelijkend op de bruinkeelmaïsparkiet.

Biotoop

De Tortuga maïsparkiet bewoont op het eiland vrijwel elk gebied waar bomen staan. Wordt doorgaans in kleine groepen van 10 tot 20 vogels aangetroffen. Nestelt in boomnesten van termieten.

Verzorging en fok

Deze ondersoort komt, voor zover ik weet, niet in Nederlandse collecties voor. Het eerste broedresultaat staat op naam van de heer Grosz uit Pfaffenheim, Frankrijk. In september 1979 werden door de pop zes eieren gelegd, die alle bevrucht bleken te zijn. Alle jongen kwamen uit, doch stierven tussen de zevende en tiende dag. In maart 1980 opnieuw een legsel van zes eieren. Wederom zes jongen en sterfte tussen de zevende en tiende dag. De ouders aten en voerden de jongen uitsluitend met zonnebloempitten. Nadat de vogels op een gevarieerder menu gezet waren, werd de derde broedpoging in 1980 met succes bekroond. Het legsel bestond evenals de beide vorige keren uit zes eieren. Alle jongen kwamen uit. Twee jongen vlogen tenslotte uit en werden zelfstandig.

 

Colombiaanse maïsparkiet

A. p. lehmann Dugand, 1943

Herkomst

Oost-Colombia en het aangrenzende gebied oostelijk daarvan in Venezuela tot aan de Orinoco.

Kenmerken

Man en pop: lengte ongeveer 24 cm. Ook deze ondersoort vertoont veel overeenkomst met de bruinkeelmaisparkiet. Het voorhoofd toont een zeer smalle bruingele voorhoofdsband, vervolgens een smalle groenachtig blauwe overgangszone die op de kruin overgaat in de algemene lichaamskleur. De genoemde kleurafscheidingen zijn onscherp en gaan als het ware in elkaar over. Oorstreek, wangen, hals en borst bruinachtig. Veertjes van oorstreek geel met bruine omzoming, de totale kleurindruk hiervan verschilt echter nauwelijks van de wangkleur. Het oranjegeel rondom de ogen is vrij breed en komt overeen met dat van de Arubaanse maïsparkiet. De vleugelpennen en de uiteinden van de staart bezitten echter aanmerkelijk minder blauw dan die van het nominaatras en de overige ondersoorten. In de staart is het blauw beperkt tot de uiteinden van de beide middelste verlengde staartveren.

Biotoop

De Colombiaanse maïsparkiet is een bewoner van de pampa en soortgelijke met kreupelhout begroeide streken. Algemeen voorkomende vogel in het verspreidingsgebied. Over de levenswijze van deze ondersoort in de vrije natuur is verder niets bekend.

Verzorging en fok

Deze ondersoort werd tot voor enkele jaren af en toe aangeboden, maar vrijwel nooit onder de juiste benaming. Huisvesting en verzorging van deze vogels komen overeen met die van de reeds behandelde ondersoorten.

Het vermoedelijk eerste fokresultaat met deze ondersoort dateert van 1980 en staat op naam van de fransman Hutter. Adelmeyer uit Wiesbaden geeft details over zijn kweek met deze vogels in 1981. Het paar bevond zich in een binnenvolière van 3 m x 0,7 m x 2 m waarin twee natuurbroedblokken van 35 cm hoogte en een binnenwerkse diameter van 21 cm waren opgehangen: doorsnede invlieggat 6 cm. Beide broedblokken waren vooraf voorzien van een pleisterlaag, zoals reeds eerder vermeld bij de kweek met de A. p. aeruginosa.

Op 23 oktober 1981 werd het eerste ei gelegd. Nog drie eieren volgden met tussenpozen van ongeveer 2,5 dagen. Op 19 november kwamen twee eieren uit. Bijgevolg moet de pop kort na het leggen van het tweede ei met broeden zijn begonnen. Het derde jong werd geboren op 22 november; het vierde bleek in het ei te zijn afgestorven.

De opfok van de jongen ging van een leien dakje. Zonnebloempitten, hennep, gepelde haver en trosgierst behoorden tot de favoriete zaden waarmee de jongen werden gevoerd. Als groenvoer kregen de vogels gekiemde zonnebloempitten, appel en rode wortel. Het opfokvoer bestond uit Claus honingvoer met insecten en CéDé eivoer.

Op de leeftijd van zes weken waren de vogels bijna geheel bevederd. Een kleine week later vlogen de jongen uit. Ze waren toen respectievelijk 50, 51 en 45 dagen oud en leken, behalve dat ze wat kleiner en fletser van kleur waren, geheel op hun ouders.

Ongeveer drie weken na het uitvliegen waren de jongen zelfstandig.

 

Grijskeelmaisparkiet, Sinú maïsparkiet

A. p. griseipecta Mayer de Schauensee, 1950

Herkomst

Langs de oevers van de rivier Sinu in Noordoost-Colombia.

Kenmerken

Man en pop: lengte ongeveer 24 cm. Bij de grijskeelmaisparkiet is het groenachtig blauw op de kop beperkt tot enkele veertjes op de kruin. Wangen, keel en bovenborst zijn grijsgroen, geleidelijk overgaand in de helder grasgroene kleur van het onderlichaam. Geen blauw op de buitenvlag van de vleugelpennen. Geen oranjegele tinten aan de oorstreek en op het onderlichaam De bruinomrande gele veertjes aan de oorstreek ontbreken. Voor het overige gelijkende op de bruinkeelmaisparkiet.

Algemeen

De grijskeelmaisparkiet werd door de ornitholoog Meyer de Schauensee aan de hand van slechts twee exemplaren beschreven. Men kan zich afvragen of de door hem gesignaleerde kleurafwijkingen ten opzichte van de bruinkeelmaisparkiet van slechts twee vogels, voldoende houvast bieden om De A. p. griseipectus als een aparte sub-species te erkennen. Observatie van de grijskeelmaisparkiet in de natuur is tot nu toe niet gelukt.

 

Margarita maïsparkiet

A. p. margaritensis (Cory, 1918)

Herkomst

De eilanden Margarita en Los Frailes ten noorden van Venezuela.

Kenmerken

Man en pop: lengte ongeveer 25 cm. Als de bruinkeelmaïsparkiet, maar de smalle voorhoofdsband is nagenoeg wit (wit met een geelbruine waas). Aansluitend hieraan een wat bredere groenachtig blauwe overgangszone naar de algemene lichaamskleur tot ongeveer aan het begin van de kruin. Teugels, wangen en oorstreek zijn olijfbruin. Het oranjegeel van de bril breidt zich onder de ogen uit in de richting van de oorstreek en de wangen, zodat dit veerveld een mengeling te zien geeft van olijfbruin en oranje (oranjegele veertjes met olijfbruine omzoming). De keel en het bovenste gedeelte van de borst zijn licht olijfbruinachtig).

Biotoop

De Margarita maïsparkiet is een bewoner van het berglandschap alsook van de kustgebieden. Op Margarita een algemeen voorkomende vogel. Overdag veelvuldig aan te treffen in de alom aanwezige wortelboombosschages. Tegen de avond trekken ze in grote vluchten naar de berghellingen, waar ze overnachten.

Algemeen

Over importen van Margarita maïsparkieten in Europa is niets bekend.

 

Maïsparkiet, Guyana maïsparkiet

A. p. chrysophrys (Swainson, 1838)

Herkomst

Zuidoost-Venezuela, het uiterste noorden van Brazilië en Guyana.

Kenmerken

Man en pop: lengte 24 à 25 cm. Lijkt op aeruginosa. Het voorhoofd is vaal bruinachtig geel en vloeit ineen met het groenachtig blauw van de voorkruin. De zijden van de kop (teugels, wangen en oorstreek) zijn helder bruin. Hals en bovenborst olijfbruinachtig. Oranjegele bril om de ogen. Buitenvlaggen van de grote vleugelpennen tonen een blauwe aanslag.

Biotoop

De maïsparkiet is een bewoner van het open landschap. Ze zijn het talrijkst in landbouwgebieden. In het Roraima-gebergte, Noord-Brazilië, worden ze tot op een hoogte van 1600 m gesignaleerd, Deze vogels vormen gewoonlijk kleine groepen van vier tot twintig stuks. Ze zijn vaak in gezelschap van een aantal geelvoorhoofdamazones waarmee ze gezamenlijk de landbouwvelden plunderen. Maïsparkieten schijnen geen vaste broedtijd te hebben. Broedactiviteiten worden het gehele jaar waargenomen.

Verzorging en fok

De maïsparkiet behoort stellig tot de meest ingevoerde vertegenwoordigers van de pertinax-groep. Desondanks worden ze slechts hier en daar door liefhebbers gehouden. De reden moet mijn inziens gezocht worden in het feit, dat parkietenliefhebbers zich in het verleden meer aangetrokken voelden tot de Australische soorten en weinig brood zagen in de destijds goedkopere en moeilijker te kweken Zuid-Amerikaanse parkieten.

Verzorging en huisvesting van de maïsparkiet komen overeen met hetgeen ik hierover bij de reeds behandelde rassen schreef.

Het eerste kweekresultaat met de maïsparkiet boekte de Engelsman A. Prestwich te Southgate in 1955. Nadien zijn broedresultaten met deze ondersoort in vrijwel alle landen waar men de vogelliefhebberij beoefent regelmatig gelukt. De heer rondhuis uit Baarn kweekte met deze vogels in 1979. De vogels waren aanvankelijk ondergebracht in een volière van 4 m x 0,8 m x 2,2 m. Pas het tweede jaar kregen ze belangstelling voor het broedblok, maar daar bleef het bij. Het derde jaar werden ze wegens ruimtegebrek overgebracht naar een kleine volière van slechts een vierkante meter. Als nestgelegenheid accepteerden de vogels een nestkast model 'roodrug' met op de bodem een laagje turfmolm. Met tussenpozen van één dag werden in mei vijf eieren gelegd. Na het leggen van het derde ei begon de pop te broeden. 24 dagen nadat verondersteld was dat de pop was gaan zitten, kwamen drie eieren uit. Enkele dagen later bleken van het vierde en vijfde ei de jongen in de dop te zijn afgestorven. Als opfokvoer gebruikte Rondhuis ligakoek, bruinbrood, rul gemaakt eivoer, trosgierst en een parkietenmengeling met veel padi. Verder gekiemd raapzaad, liguster, vogelmuur en goudrenetten.

Vanaf het begin dat de vogels in de kleine ruimte verbleven, werden om vervetting te voorkomen, bijna geen zonnebloempitten meer gegeven. Pas toen de jongen ongeveer twaalf dagen oud waren, werden weer met mate zonnebloempitten verstrekt.

Als ringmaat geeft rondhuis 5 mm aan, wat ik persoonlijk aan de nauwe kant vind.

Een ander kweekverslag waarover ik beschik, dateert van 1983. Bij deze kweker waren de vogels gehuisvest in een onverwarmde binnenvolière van 1,5 x 1,5 m waarin een natuurbroedblok was opgehangen. Begin maart werden met tussenpozen van een dag, drie eieren gelegd. Twee ervan waren bevrucht, maar de jongen stierven geheel volgroeid af in het ei. Tussen 30 april en 7 mei werden opnieuw eieren gelegd; dit keer vier stuks. Bij nestcontrole op 12 mei bleken alle eieren bevrucht te zijn. Op 26 mei kwamen twee eieren uit, de beide andere op 28 en 29 mei.

Tijdens de kweek kregen de vogels alleen die zonnebloempitten die het mengsel bevatte. Als opfokvoer werden Protifar en een in de handel verkrijgbaar parkietenopfokvoer verstrekt en dagelijks een tiental meelwormen. Verder zacht fruit, vooral peer.

De jongen werden op 10 juni geringd met een vaste voetring van 6 mm. Tussen 5 en 10 juli vlogen de jongen uit. Hoewel de jonge maïsparkieten na drie weken geheel zelfstandig waren, werden ze bij de oudervogels gelaten. Vechtpartijen bleven geheel uit, ook toen de pop aan het volgende legsel begon.

 

Surinaamse maïsparkiet

A. p. surinama (Zimmer & Phelps, 1951)

Herkomst

Suriname en de noordelijke regionen van Guyana en Frans Guyana, alsmede Zuidoost-Venezuela.

Kenmerken

Man en pop: lengte 24 cm. Sterk gelijkend op de hiervoor beschreven maïsparkiet. De smalle voorhoofdsband is maïskleurig (warmgeel) Het oranje op de zijden van de kop strekt zich meer uit naar de wangen en in de richting van de ondersnavelinzet en de teugels. De keel- en borstkleur varieert van geelachtig groen tot geelachtig bruin, de buik is lichter en toont meer geel dan de maïsparkiet.

Biotoop

De Surinaamse maïsparkiet komt in zijn verspreidingsgebied overal voor waar bomen staan. Ook in landbouwgebieden is hij een algemeen voorkomende vogel. Naast velerlei soorten zaden, voedt hij zich met noten, vruchten en bloesems. Ook allerlei insecten en larven behoren tot het dagelijkse voedsel. Deze ondersoort nestelt zowel in boomholten als in termietennesten. Menigmaal zijn ook nesten gevonden in rotsholten en -spleten. Nestgrootte in de wildbaan 3-5 eieren. Met uitzondering van de maanden februari, mei, oktober en december worden het gehele jaar broedactiviteiten waargenomen.

Verzorging en fok

Buiten Nederland en België is deze ondersoort vrijwel nergens in liefhebberskringen te vinden.

De verzorging verschilt niet van de andere pertinax-rassen. In tegenstelling met de meeste ondersoorten baden deze vogels veel, ook buiten de broedtijd.

Hoewel de fok van deze ondersoort niet wezenlijk verschilt van die van de overige ondersoorten, wil ik u de details van een geslaagde fok in 1985 niet onthouden.

In februari 1985 werden twee paar Surinaamse maïsparkieten bij elkaar gezet in een volière van 1,2 x 1,2 x 1,9 m. De vogels waren in de herfst van 1982 geïmporteerd en door een dierenarts geëndoscopeerd op hun geslacht. Na enige tijd zat een van de mannen steeds alleen. Hij werd uitgevangen en apart gezet. Een pop die enige tijd later ook steeds alleen zat, werd eveneens uitgevangen. Het overgebleven paar had de beschikking over een natuurbroedblok van 30 cm hoogte en een binnenwerkse diameter van 25 cm.

Rond 10 februari bleef de pop overdag in het blok. Na twaalf dagen werd nestcontrole gehouden en bleek de pop reeds vijf eieren te hebben gelegd. 25 dagen nadat vermoedelijk het eerste ei gelegd was, werd een zacht gepiep gehoord. In het nest lagen vijf bevruchte eieren en een pas geboren jong, geheel overdekt met een geelgrijs dons. Het eerste jong vloog na 43 dagen uit, het tweede twee dagen later. In totaal kwamen zes jongen op stok.

Als voedsel kregen de vogels een parkieten- en een kanariezaadmengeling voorgezet, aangevuld met wat zonnebloempitten. Het opfokvoer bestond eveneens voor de ene helft uit een zachtvoer voor parkietachtigen, voor de andere helft uit een eivoer voor zangvogels. Dit zachtvoermengsel werd verder nog aangevuld met fijngeprakt hardgekookt ei en wat geraspte wortel. Vruchten en groenten werden nauwelijks aangeroerd, in stukken gesneden sinaasappel juist wel.

 

Venezolaanse maïsparkiet

A. p. venezuelae Zimmer & Phelps, 1951

Herkomst

Venezuela, uitgezonderd het uiterste noordwesten, het zuidoosten en het Carro Roraima district.

Kenmerken

Man en pop: lengte ongeveer 24 cm. Qua koptekening gelijkend op de Margarita maïsparkiet, ergo met nagenoeg witte voorhoofdsband en blauwachtig groen voorkruin. Oorstreek, wangen en teugels zijn mat bruin, de keel en bovenborst bleek olijfbruin. Mantel en rugdek meer grasgroen in plaats van donkergrasgroen. De buik toont slechts weinig oranje. Buitenvlaggen van de grote vleugelpennen tonen een blauwe waas. Binnenvlaggen van de staartpennen zijn aan de basis geel. De snavel is grijszwart.

Biotoop

Deze ondersoort is de meest voorkomende parkiet van Venezuela en tot op een hoogte van 1000 m in vrijwel elke streek te vinden. Buiten de broedtijd leven ze in groepen van 10 tot 20 stuks. Het voedsel bestaat voornamelijk uit cactusvruchten, allerlei zaden en bloesems. Op rijpende korenvelden kunnen ze grote schade aanrichten zodat ze bij de agrarische bevolking niet erg populair zijn. De broedtijd valt in de maanden februari, maart en april. Ze broeden zowel in boomholten als in termietennesten.

Verzorging en fok

De Venezolaanse maïsparkiet behoort tezamen met de maïsparkiet tot de meest ingevoerde pertinax-rassen. Nochtans wordt de Venezolaanse maïsparkiet maar zelden als zodanig herkend. Wordt dikwijls verwisseld met de maïsparkiet, ofschoon hij zich hiervan duidelijk onderscheidt door de vuilwitte voorhoofdsband en het vrijwel geheel ontbreken van oranje op de buik.

Deze ondersoort is bijzonder rustig van aard, maar beducht om zijn knaaglust. Zelfs het dagelijks verstrekken van verse takken weerhoudt de vogels er niet van de volière te beknagen. Een metalen volière voor dit ras is dus min of meer een must. Evenals de Surinaamse maïsparkiet heeft deze ondersoort een grotere behoefte aan baden dan de overige ondersoorten. Voor het overige komen huisvesting en verzorging overeen met hetgeen ik hierover in het voorafgaande reeds schreef.

Over broedresultaten met de Venezolaanse maïsparkiet is tot dusverre vrijwel niets gepubliceerd. Het enige broedverslag waarover ik beschik dateert van 1982.

De vogels waren gehuisvest in een volière van 1 m x 1 m en een hoogte van 2 m. Het hierin opgehangen natuurbroedblok was 80 cm hoog en had een binnenwerkse diameter van ca. 22 cm; doorsnede invlieggat 6 cm. Op de bodem van het broedblok had men een laag houtspaanders aangebracht. Het paar scheen zich in deze toch wel wat krappe behuizing echter best wel thuis te voelen, want al na enkele dagen kregen de vogels belangstelling voor het broedblok. Dit was nogal opmerkelijk omdat de vogels bij de vorige eigenaar nooit naar het broedblok hadden omgekeken. Spoedig nadat ze het blok verkend hadden, volgde de eerste paring.

Ongeveer 14 dagen nadat men voor het eerst een paring had waargenomen, bleef de pop vrijwel de gehele dag in het blok. Ze verliet het blok slechts gedurende korte tijd om te eten. Opvallend was dat beide vogels tot ongeveer de helft minder van het verstrekte zaadmengsel opnamen, doch hiervoor in de plaats meer fruit aten.

Bij nestcontrole werden drie eieren aangetroffen die echter, toen de broedduur verstreken was en opnieuw nestcontrole werd gehouden, onbevrucht bleken te zijn.

Kort na deze mislukte poging werd de man ernstig ziek en moest uitgevangen worden. Het herstel duurde ongeveer een maand. Spoedig nadat de man weer bij de pop geplaatst was, verdween de pop overdag wederom voor langere tijd in het blok. Op 6 juni volgde het eerste ei, met een tussenpoos van telkens drie dagen gevolgd door nog drie eieren. De pop broedde zeer vast en verliet het nest alleen om te eten en te baden. Het laatste gebeurde zeer uitbundig. Het is mogelijk dat de pop op die manier zelf de luchtvochtigheid in het blok regelde.

Het eerste jong kwam op 3 juli uit, ergo 28 dagen na het leggen van het eerste ei; het tweede volgde twee dagen later. Van de twee overige eieren bleken de embryo's in een vroeg stadium te zijn afgestorven; uitgaande van de normale broedduur van 23 dagen de twee eerste eieren van het legsel.

De beide jongen groeiden voorspoedig. Ofschoon het voedselaanbod zeer gevarieerd was, hielden de oudervogels zich uitsluitend aan het verstrekte zaadmengsel voor grote parkieten, trosgierst en appel. Allerhande gekiemde zaden alsook het aangeboden eivoer bleven onaangeroerd.

Na ongeveer zeven weken verlieten de jongen het nest. Vrijwel direct na het uitvliegen werd zelfstandig voedsel opgenomen. Niettemin werden de jongen nog ruim drie weken door de ouders bijgevoerd.

Ongeveer een maand na het uitvliegen begonnen de oudervogels de beide jongen te verstoten. Vanaf dat moment werden ze ook niet meer in het blok toegelaten om te overnachten en bleef er niets anders over dan ze uit te vangen en apart te zetten.

Jonge Venezolaanse maïsparkieten lijken in jeugdkleed qua koptekening en kopkleur erg veel op de Surinaamse maïsparkiet. Pas na de jeugdrui verdwijnt een groot deel van de oranjekleurige koptekening en wordt met name het voorhoofd nagenoeg wit.

 

Bruinkopmaïsparkiet

A. p. chrysogenys (Massena & Souancé, 1854)

Herkomst: Noordwest-Brazilië

Kenmerken

Man en pop: lengte ongeveer 24 cm. Lijkt op aeruginosa, maar van deze ondersoort zijn alle lichaamskleuren donkerder. Het rug- en vleugeldek is nagenoeg donkergroen. Ook het oranje op de buik is donkerder, bovendien meer uitgebreid. De voorhoofdsband ontbreekt. Om de naakte grijswitte oogring loopt een smalle asymmetrische rand van gele veertjes. Het groenachtig blauw op de schedel is beperkt tot de kruin, maar is veel donkerder. De kopzijden, de keel en de borst zijn donkerbruin; het bruin loopt door tot boven het oog. De buitenvlaggen van de grote vleugelveren zijn donkerblauw. De snavel is vrijwel zwart.

Algemeen

Over de bruinkopmaïsparkiet, die ook wel Rio Negro maïsparkiet wordt genoemd, is vrijwel niets bekend. Deze door Massena en Souancé beschreven ondersoort wordt pas in de nieuwste literatuur als een van de pertinax-rassen opgesomd.

 

Tapajós maïsparkiet

A. p. paraensis Sick, 1959

Herkomst: Noord-Brazilië

Kenmerken

Man en pop: lengte ongeveer 24 cm. Voorhoofd en schedel tot op de kruin zijn blauwgroen; achterkop en nek donkergroen met fijne bruingele veerzoompjes. Mantel, vleugeldek, stuit en bovenstaartdekveren donkergrasgroen. De zijden van de kop zijn diep warm bruin; de bevedering van de oorstreek en de wenkbrauwen donkerbruin. Om de naakte ooghuid bevindt zich een vrij brede asymmetrische brilvorm van oranjegele veertjes, onder en achter het oog breder. Keel en borst zijn warm bruin, de buik diep oranjegeel; het overgangsgebied tussen deze veervelden toont een mengeling van groen en bruin. Flanken, dijen en anaalstreek geelgroen; onderkant grote staartveren groenachtig geel. Buitenvlag grote vleugelpennen donkerblauw.

Algemeen

Ook over de Tapajós maïsparkiet is vrijwel niets bekend. Deze ondersoort werd pas begin van de zeventiger jaren door de ornitholoog Sick ontdekt in de Noord-Braziliaanse provincie Para. Vandaar dat deze ondersoort ook wel Para-maïsparkiet wordt genoemd. Het verspreidingsgebied is beperkt tot de rivieren Tapajós en Guruguru in het Amazonebekken van Noord-Brazilië.

Oogstreepmaisparkiet

A. p. ocularis (Sclater & Salvin, 1864)

Herkomst: West-Panama

Kenmerken

Man en pop: lengte ongeveer 24 cm. Voorhoofd en schedeldek donkergrasgroen, soms hier en daar vermengd met iets blauw. De oranjegele bril is asymmetrisch. Boven het oog zeer smal, soms slechts enkele losse oranjekleurige veertjes. Vóór het oog breder, Achter het oog doorlopend tot ongeveer boven de oorstreek. De oogstreep onder het oog is vrij scherp afgetekend. Keel en bovenborst zijn bruin, de oorstreek iets donkerder. Het bruin op de bovenborst gaat geleidelijk over in geelgroen overgoten met een vleugje oranje op de buik.

Biotoop

De oogstreepmaïsparkiet is een bewoner van open bos en savannen. Hij voert een zwervend bestaan, gewoonlijk als paar levend of in kleine groepjes van enkele exemplaren.

Verzorging en fok

Deze ondersoort is momenteel slechts incidenteel in liefhebberskringen te vinden. Wordt vaak verwisseld met de maïsparkiet, maar is aan het groene voorhoofd duidelijk te herkennen. Deze ondersoort wordt ook wel Panama-maisparkiet genoemd.

Huisvesting en verzorging komen overeen met die van de andere pertinax-rassen.

Het eerste broedresultaat dateert al van 1915 en staat op naam van Shore-Baily (Engeland). Er werden vijf eieren gelegd. Drie ervan kwamen uit. Alleen de pop broedde. 's Nachts hield de man de pop gezelschap. De jongen vlogen zes weken na het uitkomen uit.

In 1971 kwamen in Penscycor Wildlife Park te Neath, Wales, twee jongen op stok. In hetzelfde jaar acht jongen in de dierentuin van Ahmedabad, India. Helaas ontbreken verdere details over deze broedresultaten, zodat ik het hierbij moet laten.

Tekst: H.W.J. van der Linden

E-mail: hvdlinden@gmx.net