JENDAYAPARKIET

Herkomst

Het noordoosten van Brazilië, in de provincies Alagoas, Pernambuco, Cearà, Piaui, Maranhâo alsook in het noorden van Goiàs.

Soortbeschrijving

Man en pop: lengte ongeveer 30 cm.

Voorhoofd, omgeving van de ogen en wangstreek oranjeachtig. Boven- en achterschedel, nek en halszijden maïsgeel, Mantel, vleugeldek, en bovenstaartdekveren donkergrasgroen. Stuitbevedering donkergrasgroen, voor een deel oranjerood gezoomd. Bef oranjegeel, geleidelijk overgaand in oranjerood op borst, buik en flanken. Sommige jenday's tonen op de bovenborst een minimale groene aanslag, wat voornamelijk voorkomt bij de poppen. Dijen grasgroen, onderbroken door oranjerode en oranjegele veerzoompjes. Anaalstreek grasgroen. Grote vleugelpennen donkergrasgroen, aan de buitenvlaggen overgaand in diep blauw. Kleine vleugelpennen en primaire vleugeldekveren diep blauw. Bovenzijde grote staartveren olijfgroen en diepblauw aan de uiteinden; onderzijde van de staart donkergrijs. Donkere ogen met grijsbruine iris, omgeven door een witachtige tot grijsbruine oogring. Snavel grijszwart. Poten grijs; nagels grijszwart.

N.B. De jendayaparkiet wordt door sommige ornithologen beschouwd als een ondersoort van de zonparkiet (Aratinga solstitialis).

Biotoop

Jendaya's zijn van oorsprong bewoners van het Braziliaanse Caatinga-gebied, een moeilijk begaanbare bergachtige streek met een tropisch savannenklimaat. Het gebied wordt overheerst door dichte vaak doornige lage bomen en struiken; langs de kuststrook overwegend palmbomen. De laatste jaren worden ze in toenemende mate aangetroffen in ontboste gebieden van het eertijds vrijwel ondoordringbare regenwoud.

De vogels trekken paarsgewijs of in kleine groepen van tien tot vijftien stuks rond. Ze zijn plaatselijk zeer algemeen, in de kuststreken zelfs zeer talrijk. Het verspreidingsgebied van de jendaya breidt zich in noordwestelijke richting uit, volgens Ridgely (1980) mogelijk ten koste van een afnemende bestandsontwikkeling in het noordoosten.

Het voedsel bestaat overwegend uit boomvruchten, bessen en zaden.

Over de nestgewoonten van deze vogels in de vrije natuur is vrijwel niets bekent. Vast staat dat jendaya’s holenbroeders zijn.

Avicultuur

Voor zover bekend, was in 1850 in de dierentuin van Schönbrunn, bij Wenen, al een paartje jendaya's te bewonderen. In 1869 arriveerden er vier exemplaren in de London Zoo. Sindsdien zijn ze regelmatig ingevoerd, maar nooit in grote aantallen. Voor een deel is dit verklaarbaar door de beperkte vraag in het verleden naar Zuid-Amerikaanse parkieten in het algemeen: de Australische soorten waren nu eenmaal meer in trek bij de doorsnee liefhebber. Toen de Zuid-Amerikaanse parkieten wat meer in zwang raakten - omstreeks begin zeventiger jaren - was het al bijna te laat. Het ene na het andere Zuid-Amerikaanse land besloot zijn grenzen voor de uitvoer van vogels te sluiten. Ook in Brazilië - het enige land waar de jendayaparkiet voorkomt - is een uitvoerverbod van kracht. Men is dus aangewezen op het bij de kwekers aanwezige bestand. Dit bestand is gelukkig voldoende groot om de jendaya buiten de wildbaan in stand te houden.

Het eerste fokresultaat met de jendaya was in 1890 bij mevrouw Hartley te Hastings, Engeland. In 1926 boekte W. Hoesch, Duitsland succes en in 1932 W.J. Scheffer, USA. Tussen 1957 en 1961 fokte de Portugees Jorge O'Neil verschillende keren met de jendaya. In 196O lukte de fok in Zweden bij H. Hakansson en in 1964 In Denemarken bij Anker Christensen. Vanaf die tijd behoort de fok met deze soort niet langer tot de uitzonderingen.

Fok in Nederland

Het eerste broedresultaat in Nederland was in 1978. Tijdens een keuring te Elst in 1978 kreeg ik plotseling drie pas enkele maanden oude jendaya's op de keurtafel. Ze zagen er goed uit, maar waren vanzelfsprekend nog niet geheel op kleur. Na de keuring vernam ik dat de succesvolle kweker J.H.W. Burgers te Arnhem was. Ik zocht contact met hem en maakte vanzijn verhaal het volgende kweekverslag.

De heer Burgers had het koppel jendaya's al in maart 1977 aangekocht. De eerste weken werden ze gehuisvest in een onverwarmde schuur. In april van dat jaar kwamen de vogels in een stalen met nertsengaas bespannen buitenvolière van 3 m lang, 1,20 m breed en 2 m hoog. Ze kregen een broedblok van 60 x 35 x 30 cm, invlieggat 8 cm. Op de bodem van het broedblok was houtschaafsel aangebracht.

De voeding bestond uit een zaadmengsel voor grote parkieten, aangevuld met een extra gift zonnebloempitten. Verder appel, sinaasappel en wat groenvoer. Tijdens de fokperiode werd eivoer verstrekt en af en toe een stukje geweekt brood. Verse wilgentakken stonden steeds ter beschikking.

In juni werden paringen vastgesteld. Op 1 juli volgde het eerste ei. Er volgden er nog drie. Van de vier eieren bleken er twee bevrucht te zijn, die eind juli uitkwamen. De jongen werden na drie dagen door de oudervogels in de steek gelaten en stierven.

De heer Burgers schrijft het verloren gaan van de jongen toe aan de onervarenheid van het ouderpaar. Van september tot april 1978 verbleven de vogels weer in de schuur. In april werden ze weer in de buitenvlucht geplaatst. In mei werden paringen waargenomen. Op 26 mei werd het eerste ei gelegd. Ook dit keer werd het een legsel van vier, doch dit maal waren drie van de vier eieren bevrucht. Op 22 juni werd het eerste jong geboren. Enkele dagen later kwamen de beide andere eieren uit. De oudervogels voerden goed.

Het ringen geschiedt als de jongen 14-15 dagen oud zijn; ringmaat 6 mm.

Nadat het eerst enkele dagen de omgeving vanuit het vlieggat had verkend, vloog het oudste jong op een leeftijd van zeven weken uit. Enkele dagen later vloog het tweede jong uit. De tijdsduur tussen het uitvliegen van het eerste en derde jong bedroeg tien dagen.

 

Algemeen

Jendayaparkieten zijn erg knaaglustig en buitengewoon luidruchtig. Als men veel contact met de vogels heeft, worden ze allengs rustiger waarbij ook het onaangename gekrijs afneemt. Wanneer men in een dichtbewoonde wijk woont is het echter beter van dit soort vogels af te zien. Te vrezen is dat u onenigheid met uw buren krijgt. Voor liefhebbers die wat achteraf wonen, kan het kweken met jendaya's een nieuwe uitdaging betekenen.

Hoewel het fokverslag jaren geleden opgetekend is, meen ik dat het voldoende gedetailleerd is dat de liefhebber die anno 2002 met deze vogels wil fokken er nog wel wat aan heeft.

Tekst: H.W.J. van der Linden

E-mail: hvdlinden@gmx.net