Hoodedparkiet

Psephotus dissimilis Collet, 1898

 

Verspreidingsgebied

Noordoostelijke streken van het Noordelijk Territorium van de Macarthurrivier westwaarts tot aan het Arnhem-Land-Plateau (Centraal Arnhem-Land), Australië.

 

Soortbeschrijving

Formaat 28 cm.

Man: voorhoofd, teugels, schedeldek en nek zwart. Kin, keel, zijkanten van kop en hals, alsook de bovenborst zijn diep turquoiseblauw. Onderborst, buik, flanken, dijen en anaalstreek turquoiseblauw. Rug en stuit turquoiseblauw. Mantel en centrale vleugeldek donker aardebruin, middelste en kleine vleugeldekveertjes diep goudgeel. Hand- en armpennen donkergrijs met blauwe buitenvlag. Bovenstaartdekveren turquoiseblauw; onderstaartdekveren rood met crèmewitte veerzoompjes. Bovenzijde primaire staartpennen olijfgroenachtig aan de uiteinden blauwachtig zwart; secundaire staartpennen blauwgroen met vuilwitte tippen. Ogen nagenoeg zwart met bruine iris, de ogen omgeven door een smalle naakte donkergrijze oogring. Snavel blauwgrijs. Poten grijsbruin; nagels donkergrijs.

 

Pop: Voorhoofd, schedeldek en zijkanten van de kop bleek grijsachtig groen, overgaand in de overwegend bleekgroene kleur van nek en mantel. Keelstreek en borst zijn bleekgroen, buik, dijen, flanken en anaalstreek tonen bleekblauw. Rug en stuit turquoiseblauw. Vleugeldek smaragdgroen, ietwat gehamerd aandoend. Grote vleugelpennen grijsachtig met een lichtgrijsgroenachtige buitenvlag. Bovenstaartdekveren turquoiseblauw; onderstaartdekveren vaalrood met crèmewitte veerzoompjes. Bovenzijde primaire staartpennen bruingroen; secundaire staartpennen blauwachtig grijs met witte tippen. Ogen vrijwel zwart met bruine iris, de ogen omgeven door een smalle naakte donkergrijze oogring. Snavel blauwgrijs. Poten grijsbruin; nagels donkergrijs.

 

Taxonomische indeling

De hoodedparkiet werd in de wereld van de ornithologie velen jaren gezien als een ondersoort van de goudschouderparkiet (Psephotus chrysopterygius). Diepgaand taxonomisch onderzoek door Sibley & Monroe (1990), Christides & Boles (1994), Colar (1997), Schodde (1997) Juniper & Parr (1998) en Dickinson (2003) heeft ertoe geleid dat men thans over voldoende bewijsmateriaal beschikt om de hoodedparkiet de status van een zelfstandige soort te geven, ergo Psephotus dissimilis.

 

Biotoop

Het milieu waarin de hoodedparkiet leeft, komt vrijwel overeen met dat van de goudschouderparkiet (Psephotus chrysopterygius). Men treft ze aan in heuvelachtige open bosgebieden doorkruist met talrijke rivieren en beken,  ruige halfdroge grassavannen met verspreide boomgroei van vooral Eucalyptus en Melaleuca soorten en veel actieve termietenheuvels. Deze vogels worden ook wel gezien rond rotsachtige hellingen en in galerijbossen langs waterlopen. In het gehele verspreidingsgebied heersen gedurende het gehele jaar tropische temperaturen tussen de 30° en 35° Celsius waarbij de luchtvochtigheid waarden tussen de 90 en 100 procent bereikt.

 

Status wildpopulatie

De hoodedparkiet wordt aan de randen van het verspreidingsgebied alleen nog maar plaatselijk gesignaleerd. In de omgeving van Pine Creek en de Daly-rivier zijn de vogels nog goed vertegenwoordigd. Algemeen voorkomend is de hooded in gebieden waar de oorspronkelijke bevolking van Australië, (= Aboriginal) leeft en waar de jaarlijkse grasbranden plaatsvinden en de beweiding minimaal is, of rond rotsachtige hellingen, waar de beschikbaarheid van voedsel in het natte seizoen relatief verzekerd is.

Hoewel de totale populatie grootte niet gekwantificeerd is, schat men de aanhoudende daling van de soort in tien jaar op 10 procent. Om deze redenen kan de populatie beschouwd worden als bedreigd, maar is de huidige bevolkingsdichtheid van de soort niet direct alarmerend.

 

De voornaamste oorzaak van de gestadige achteruitgang is de drastische verandering  van hun leefgebied, voornamelijk als gevolg van de veehouderij waardoor het oorspronkelijke open grasland geleidelijk veranderde in open bosgebieden met hoge bomen (Melaleuca) en allerlei opslag van zaailingen van vreemde oorsprong. Menigmaal wordt ook de illegale vogelvangst wel genoemd,  maar hoewel aannemelijk is dat dit plaatselijk gevolgen heeft gehad voor de populatie, kan het zeker niet verantwoordelijk worden gehouden voor het teruglopen van het gehele hoodedbestand. De aanwezigheid van talrijke natuurlijke vijanden spelen ongetwijfeld een veel grotere rol. De nestroof van eieren en jongen kan voor een groot deel toegeschreven worden aan de zwartkopvaraan (Veranus tristis) en de klapeksters (genus Cracticus ) die in het levensgebied van de hooded voorkomen. Ook de Australische boomvalk (Falco longipennis) en wilde katten vormen een ernstige bedreiging voor de hoodedparkiet.

De hoodedparkiet is opgenomen in het CITES-verdrag Appendix I

 

Europese regelgeving inzake het bezit van en de handel in bedreigde in het wild voorkomende dier- en plantensoorten

De hoodedparkiet is opgenomen in de Bijlage A van de Europese Basisverordening. In de Basisverordening (EG) nr. 338/97 zijn de regels gesteld omtrent invoer, uitvoer, wederuitvoer, doorvoer, eigendomsoverdracht en commerciële handelingen.

 

Omdat er met de hoodedparkiet in gevangenschap veel wordt gefokt en er vrijwel geen uit wildvang afkomstige vogels worden verhandeld, is de soort tevens opgenomen in Bijlage X van de Uitvoeringsverordening.  In de Uitvoeringsverordening (EG) 865/2006 wordt o.a. beschreven aan welke voorwaarden vergunningen en certificaten moeten voldoen, welke merktekens (ringen) moeten worden gebruikt. Voorts worden in deze verordening verschillende begrippen nauwkeuriger verklaard, zoals in welke gevallen er sprake is van in gevangenschap gefokte en geboren dieren.

 

Volgens de nationale regelgeving is men niet verplicht Bijlage X-vogels, die aantoonbaar in volièremilieu zijn gefokt van een naadloos gesloten pootring te voorzien. Ook hoeft men geen registratie in een register bij te houden zoals bedoeld in de Regeling administratie bezit van en handel in beschermde dier- en plantensoorten.

 

Hoewel het ringen dus geen verplichting is doet men er goed aan deze vogels altijd te voorzien van een naadloos gesloten pootring voor beschermde vogels en daarbij de maat aan te houden zoals aangegeven in bijlage 1 van de Regeling afgifte en kenmerken naadloos gesloten pootringen en andere merktekens t.b.v. beschermde inheemse en beschermde uitheemse vogels .

De volgens deze regelgeving geringde hoodedparkieten mogen vrij verhandeld worden. Voor niet geringde of niet juist geringde vogels is bij overdracht of commerciële handelingen steeds een EG-certificaat nodig.

De volledige teksten van de Basisverordening en de Uitvoeringsverordening zijn te vinden op www.hetinvloket.nl 

 

 

Leefwijze

Hoodedparkieten leiden binnen het verspreidingsgebied een zwervend bestaan als gevolg van periodieke voedselschaarse op bepaalde locaties.

Deze parkieten leven meestal paarsgewijs of samen met hun jongen, maar buiten het broedseizoen worden ze ook wel in kleine groepen aangetroffen. Ze worden ook vaak in gezelschap gezien van spitsvogels of zwaluwspreeuwen behorend tot  het genus Artamus.

Het voedsel bestaat voor het grootste deel uit graszaden  vooral uit het geslacht Eriachne, verder eten ze allerhande onkruidzaden, die ze meestal van de grond oppikken. Menigmaal ritsen ze de zaden ook wel rechtstreeks van de grashalm of zaadtros. Ook bessen, blad- en bloemknoppen staan op hun menu, evenals insekten en hun larven.

Bij het krieken van de dag trekken de vogels naar de dichtstbijzijnde drinkplaats om te drinken en zich te baden. Hierna begint hun zoektocht naar voedsel tussen de grassen en kruidachtige gewassen op de grond. Bij onraad vluchten ze onmiddellijk naar de dichtst bijstaande struik of boom.

Zodra het gevaar geweken is keren ze terug op de grond.

Tegen de middag trekken de vogels zich terug in de hoge boomkruinen van een Eucalyptus of Melaleuca bij voorkeur in de nabijheid van water. In de late namiddag keren ze terug op de grond om te foerageren en een bezoek aan de drinkplaats brengen.

 

Het broedseizoen in de wildbaan loopt van mei tot januari.

Hoodedparkieten nestelen vrijwel uitsluitend in door hen zelf uitgegraven holten in de hoge termietenheuvels van de spinifextermiet, Nasutitermes triodiae. Incidenteel zijn echter ook wel nesten gevonden in boomholten.

De gemiddelde hoogte van de termietenheuvels in het verspreidingsgebied  van de hooded varieert van 2 tot 3,5 m, maar incidenteel komen heuvels voor die wel 5 m hoog zijn. De toegangstunnel tot de nestkamer zit gewoonlijk op een hoogte tussen 1 en 2 m en is meestal gericht op het noordoosten. De  gemiddelde lengte van de tunnel meet 50 cm en heeft een diameter variërend van 4,5 tot ruim 5 cm.

Als de broedtijd nadert wordt in verschillende termietenheuvels een begin gemaakt met het uitgraven van een tunnel. Het maken van een dergelijke uitholling gaat zo vlak na het regenseizoen nog vrij goed doordat de termietenbouwsels door de vele en langdurige regenval zachter zijn dan in het droge seizoen. Zodra de broeddrift sterk genoeg is wordt in de favoriete termietenheuvel een volledige toegangstunnel uitgegraven met aan het einde een nagenoeg ronde of ietwat ovale broedkamer met een gemiddelde doorsnede van ongeveer 14 à 15 cm.

 

Het legsel  bestaat uit 3 tot 6 eieren, die om de andere dag gelegd worden. De pop broedt alleen. Tijdens de broedperiode wordt ze door de man van voedsel voorzien. Zodra de man de nestholte nadert lokt hij de pop naar buiten en voert haar vervolgens buiten het nest. Na een week broeden komt de pop vaker en langduriger van het nest om gevoerd te worden en zich te verpozen. Bij onraad verlaat de pop onmiddellijk het nest en brengt zich in veiligheid. Pas als alles weer veilig is,  keert de pop op het nest terug.  De opgeslagen warmte in het binnenste van de termietenheuvel voorkomt dat het broedsel niet teveel afkoelt. De broedduur bedraagt ongeveer  20 dagen. Als er jongen zijn worden ze ongeveer elk uur door de pop gevoerd. Na een dag of vijf zes wordt de pop hierbij door de man geholpen. De jongen blijven ruim 4 weken in het nest, menigmaal tot ze 5 weken oud zijn. Na het uit vliegen worden ze nog ongeveer 3 weken door beide ouders bijgevoerd. De jongen trekken dan nog een poosje samen met hun ouders op. Nadien vormen ze veelal kleine groepjes met andere pas uitgevlogen jongen.

 

In de wildbaan leeft de hoodedparkiet tijdens de broedperiode samen met de nachtvlinderachtige mot Trisyntopa neossophila. Deze mot legt haar eitjes in het nest van de hoodedparkiet zodat het uitkomen van de larven volkomen synchroon loopt met het uitkomen van het legsel  van de vogel. De larven voeden zich met de uitwerpselen en mogelijk ook met veerschilvers van de jongen en houden op deze manier het nest schoon. Zelfs de met fecaliën bevuilde pootjes van de jongen worden door de motten schoongehouden. Als de jongen uitvliegen verplaatsen de larven zich naar de wanden van de nestholte om te verpoppen.

 

Algemene informatie

Hoewel de populariteit van de hoodedparkiet de laatste decennia een stijgende lijn laat zien, staat de soort nog altijd op een bescheiden plaats in de avicultuur. De voornaamste reden is waarschijnlijk dat ze niet zo gemakkelijk in volièremilieu te houden en te fokken zijn en hoge eisen stellen aan voorzieningen en verzorging. De hooded is dan ook geen vogel voor beginners.

 

Wanneer deze vogels voor het eerst in Europa ingevoerd werden is niet precies bekend, maar waarschijnlijk aan het begin van de vorige eeuw. In het najaar van 1912 broedde de Engelsman Hubert Astley als eerste met de hooded; zijn koppel bracht uit een nest van vijf, vier jongen groot. In het voorjaar van 1913 kreeg hij nogmaals 2 jongen op stok. In Nederland broedde Dr. Polak al voor de Tweede Wereldoorlog met de hooded. De jongen werden na het uitkomen echter overgelegd bij een koppel roodrugparkieten, dat ze zonder problemen groot bracht.

 

Van de hooded zijn verschillende rasonzuivere vogels in omloop. Het gaat om nakomelingen uit de kruising veelkleurenparkiet en hoodedparkiet en uit de paring  hoodedparkiet x goudschouderparkiet. Het is dus zaak bij aanschaf goed op de raskenmerken te letten. Mocht u aan de raszuiverheid van de vogels twijfelen, raadpleeg dan liever iemand die kennis van zaken heeft.

 

Gedrag

Hoodedparkieten kunnen redelijk goed tegen ons klimaat., maar zijn gevoelig voor kille en natte weersomstandigheden. Het zijn rustige vogels; beweeglijk en actief; niet schuw; raken snel vertrouwd met hun verzorger; hun stemgeluid is zeker niet storend; vogels komen graag en veel op de grond; baden graag; niet knaaglustig. In de broedtijd agressief tegenover andere vogels; ook buiten de broedtijd is het samenhouden met soortgenoten of andere vogelsoorten  niet aan te raden. Jonge vogels kan men echter zonder problemen samen in een volière houden. Als vuistregel  een vloeroppervlakte van een vierkante meter per vogel aanhouden.

 

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in buitenvolière met minimale afmetingen van (lxbxh) 2,5 x 1 x 2 m die verbonden is met een afsluitbaar, vochtvrij en te verwarmen nachthok met een bodemoppervlakte van minimaal 2 m² waarin tevens de nestgelegenheid wordt ondergebracht. Bij kil, mistig en koud weer en bij winterse temperaturen de vogels in het binnengedeelte van het verblijf huisvesten bij een temperatuur van minimaal 10° Celsius.

Als bodembedekking in de buitenvolière kan men het beste een dikke laag grof rivierzand nemen.

Een kennis van mij houdt zijn broedparen in kistkooien die tegen de achterwand van een ruime te verwarmen binnenruimte zijn geplaatst. De kistkooien zijn 2 m lang, 90 cm diep en 1 m hoog. Voor mijn gevoel qua lengte wat aan de krappe kant, maar de broedresultaten die hij met zijn vogels behaald, zijn uitstekend. Om de vliegruimte niet nog meer in te perken, is de nestgelegenheid aan de voorzijde van de broedkooi opgehangen.

De hoodedparkiet kan men eenzelfde nestgelegenheid aanbieden als beschreven voor de goudschouderparkiet. De hoodedparkiet zal net als in de natuur ook wel een boomstam als nestgelegenheid accepteren. De goudschouder doet dat niet. Zover mij bekend is er nog nooit een goudschouder in een natuurbroedblok geboren.

De eigenlijke broedruimte van een zelfgemaakte nestkast moet een binnenwerkse bodemoppervlakte van 15 x 15 cm hebben en een hoogte van ca 25 cm. Voor het invlieggat komt dan nog een toegangstunnel van ongeveer 10 cm lengte en een diameter van 5 à 6 cm. Het volstaat als men de achterkant of een van beide zijden van de nestkast dubbelwandig maakt. In het dubbelwandige gedeelte monteren we dan een klein plat elektrisch verwarmingselement met regelbare instellingen en een vermogen van 40 Watt. Hiermee is het mogelijk om in de eigenlijke broedkamer een temperatuur  van rond de 30° Celsius te bereiken. Monteer het verwarmingselement echter nooit tegen de onderzijde van de nestkast, omdat de jongen als het te warm mocht worden nergens heen kunnen.

Wegens hun agressiviteit tijdens de broedperiode tegenover andere soorten moet men geen soortgenoten of andere Psephotussoorten direct naast elkaar huisvesten waarbij ze elkaar kunnen zien. Als de volières door ondoorzichtige tussenwanden van elkaar zijn gescheiden kan men de vogels gerust naast elkaar zetten. Verse wilgen- of fruitboomtakken (onbespoten) als zitstokken bevredigen hun knaaglust en dragen ertoe bij dat de vogels het houtwerk van de volière met rust laten. De takken regelmatig door verse vervangen. Dagelijks vers badwater verstrekken. Aangezien deze vogels veel op de grond komen is het zaak de vogels regelmatig op wormen te controleren en zonodig een wormkuur te geven.

 

Voeding

Als basisvoedsel dient men de vogels een gevarieerd zaadmengsel voor te zetten waarin de volgende zaden in de aangegeven hoeveelheden zijn verwerkt: 30% witzaad, 10% graszaad, 6% gepelde en gebroken haver, 10% padie, 8% boekweit, 10% Japanse millet, 10% rode millet, 5% hennep, 4% zonnebloempitten, 2% lijnzaad en 5% negerzaad. Geef de vogels naast de droge zaadmengeling enkele keren per week een beetje gekiemd zaad. Verder dagelijks bladgroenten zoals sla, muur, paardenbloem, herderstasje, perzikkruid, weegbree, enz. een weinig fruit in de vorm van appel, druiven, rozenbottels en lijsterbessen. In het zomerseizoen halfrijpe graszaden en aren van haver, of een stuk halfrijpe kolfmaïs zijn een welkome afwisseling voor de vogels. Geef verder elke dag een  beetje eivoer (gerantsoeneerd) eventueel vermengd met een gelijke hoeveelheid universeelvoer; desgewenst rul maken met gekiemd zaad. Maak het weekvoer echter niet te vochtig. Wen de vogels ook aan het eten van meelwormen. In de wildbaan eten ze immers ook insecten en het is een uitstekende eiwit- , calcium- en fosforbron. Elke dag een paar meelwormen per vogel is voldoende. Zorg er voor dat de vogels dagelijks schoon drinkwater krijgen. Ook maagkiezel, grit en een mineralenblok dienen steeds ter beschikking te staan.

In de broed- en ruitijd worden dezelfde zaden aangeboden, maar zijn de hoeveelheden als volgt aangepast: 40% witzaad, 10% graszaad, 8% gepelde en gebroken haver, 4% padie, 6% boekweit, 10% rode millet, 5% hennep, 7% zonnebloempitten, 2% lijnzaad en 8% negerzaad. Als er jongen zijn dagelijks ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels op willen nemen. Ook de hoeveelheid meelwormen naar behoefte opvoeren. Het toevoegen van mierenpoppen of pinkies aan het eivoer, zodra er jongen zijn, verdient aanbeveling.

 

Fok

Het fokken met de hoodedparkiet lukt regelmatig, maar is niet eenvoudig. De eerste moeilijkheid waarmee de liefhebber wordt geconfronteerd, is het feit dat de vogels in onze omgeving meestal tijdens de koude maanden broeden, d.w.z. in de late herfst en/of het vroege voorjaar. Vandaar dat ik hierboven uitgebreid ben ingegaan op de noodzakelijkheid van verwarmde broedkasten en waaraan ze moeten voldoen. In de broedruimte zelf moet een temperatuur van minimaal 10° Celsius heersen en de natuurlijke daglichtlengte kunstmatig tot ongeveer 15 uur worden verlengd.

De beste resultaten worden bereikt als men de vogels in de gelegenheid stelt zelf hun partner uit te zoeken. Men kan daar als de vogels nog niet geslachtsrijp zijn al mee beginnen. Als men zelf de vogels bij elkaar zet, bestaat de kans dat man en pop elkaar niet accepteren en het broedseizoen mislukt. Ook vogels waarvan een van de partners is afgevallen, accepteren maar zelden een andere partner.

Hoewel in de praktijk is gebleken dat hoodedparkieten al na een jaar in staat zijn jongen groot te brengen, doet men er goed aan met broeden te wachten tot ze een maand of zeventien, achttien oud zijn. Vogels die in de herfst van enig jaar geboren zijn, zou men eigenlijk pas in het voorjaar van het daaropvolgende jaar voor de fok in moeten zetten; met in het voorjaar van enig jaar geboren vogels zou men dan tot in de herfst van het daaropvolgende jaar moeten wachten.

Zet echter geen koppels bij elkaar waarvan de man bijv. in de herfst geboren is en de pop in het voorjaar of omgekeerd. Dit omdat gebleken is dat het tijdstip waarop man en pop van dergelijke koppels in broedstemming komen dikwijls niet met elkaar overeenstemt.

 

Het verdient aanbeveling twee nestkasten op verschillende plaatsen in de broedruimte op te hangen zodat de vogels kunnen kiezen. Op de bodem van de nestkasten wordt een ongeveer 5 cm dikke laag vermolmd hout of vochtig veenmos oftewel een mengsel van beide aangebracht. Zodra de vogels in broedstemming komen, worden de nestkasten regelmatig geïnspecteerd. Een van de aangeboden nestkasten wordt gewoonlijk zonder problemen door de vogels geaccepteerd. Als ze eenmaal een definitieve keuze gemaakt hebben kan men de overtollige nestkast wegnemen om elders te gebruiken.

Sommige poppen werken het nestmateriaal gedeeltelijk of vrijwel geheel weer naar buiten, maar dat is vergelijkbaar met de natuurlijke gang van zaken waarbij de vogel de nestholte zelf uitgraaft. Vrijwel gelijktijdig met het betrekken van de uitverkoren nestkast kan men ook de eerste paringen waarnemen. Dit gebeurt meestal ’s morgens vroeg.  Een dag of 10 -14 later kan men dan het eerste ei verwachten. De eieren worden om de andere dag gelegd, legselgrootte van 3 tot 6 stuks. Meestal begint de pop na het derde ei te broeden. De pop broedt alleen, maar is allesbehalve een vaste broedster. Na een week broeden verlaat de pop regelmatig voor langere tijd het nest om zich door de man te laten voeren en zich te verpozen. Het is daarom noodzakelijk de temperatuur in de broedkamer gedurende het eigenlijke broedproces op 20° Celsius te houden, dit om afkoeling van het legsel zoveel mogelijk te voorkomen. Om de luchtvochtigheidsgraad voldoende hoog te houden is het noodzakelijk de onderkant van het deksel van de nestkast regelmatig met lauw water te besprenkelen; afhankelijk van de luchtvochtigheidsgraad in  de binnenvlucht is 2 tot 3 keer in de week sproeien meestal wel voldoende. De broedduur is variabel en schommelt tussen de 20 en 21 dagen. Dit houdt verband met de grootte van het legsel, de niet constante bebroeding van het legsel, de binnentemperatuur van de verwarmde broedkamer alsook de klimatologische omstandigheden in het vogelverblijf. Gedurende de broedtijd wordt de pop door de man gevoerd, die zich steeds in de nabijheid van de nestkast ophoudt, meestal voor de toegangstunnel naar het nest

Zodra de jongen uitkomen moet de temperatuur in de nestkast op ongeveer  30° Celsius worden gehouden. Dit is absoluut noodzakelijk omdat de pop de jongen onvoldoende warm houdt en na een week, soms al eerder het nest veelvuldig en voor langere tijd verlaat. Beide ouders voeren de jongen.

Na een goede week gaan de ogen open en wordt het tijd de jongen te ringen; ringmaat 5 mm. Een week later komen de eerste veerstoppels van vleugels en staart door. Het lichaam is om die tijd met een dikke laag grijs dons bedekt. Als de jongen ongeveer drie weken oud zijn, kan men de temperatuur in het nest terugbrengen naar 25° Celsius, een week later is de bevedering compleet en kan de temperatuur naar 20°. Na een nestperiode van ongeveer vijf weken verlaten de jongen het nest.

 

Pas uitgevlogen hoodedparkieten lijken het meest op de volwassen pop. De jonge mannen zijn lastiger te herkennen dan bij de goudschouderparkieten het geval is, maar tonen soms het begin van een turquoiseblauwe kleuring op de wangen. Alle jongen tonen aan de onderzijde van de grote vleugelpennen een witte streep. Na het uitvliegen worden de jongen nog een week of twee, drie door de beide oudervogels gevoerd, ongeveer een week daarna, moeten de jongen van de ouders worden gescheiden omdat de man ze achtervolgt.

Dikwijls begint het paar dan aan een volgende ronde.

Op de leeftijd van anderhalf jaar, zijn de jongen volledig op kleur en in staat zelf voor nageslacht te zorgen.

 

Mutaties

Van de hoodedparkiet zijn inmiddels drie kleurmutaties bekend. Ze komen, zover mij bekend, alleen voor in Australië. Het gaat om de volgende kleurslagen:

 

Ino

De benaming ino is afgeleid van albino en wordt in fokkerskringen veelal gebruikt als verzamelnaam voor de kleurslagen lutino, aqua-ino en albino.

De SL-ino mutatie (SL = Sex Linked = geslachtsgebonden) veroorzaakt zwaar misvormde en onderontwikkelde melanosomale matrixen in de bevedering. De tyrosinase activiteit wordt door deze mutatie echter niet aangetast, vandaar de term tyrosinase positief albinisme (TYR-pos). Door de gebrekkige grootte en vorm van de matrixen wordt er nauwelijks eumelanine aangemaakt, in ieder geval geen met het blote oog waarneembare hoeveelheden. Wat we zien is een pigmentloze bevedering waarbij het psittacine volledig tot ontwikkeling komt, hetgeen resulteert in de kleurslag lutino.

De ino-mutatie vererft geslachtsgebonden of beter, is gekoppeld aan het Z-chromosoom (Z voorheen aangeduid als X) en recessief ten opzichte van de wildfactor (lees: ongemuteerde inofactor).

Genetisch symbool ino; wildvorm ino+

De ino-man wordt als Z ino/Z ino geschreven de ino-pop als

Z ino/W  (W voorheen aangeduid als Y).

 

Cinnamon

De cinnamonmutatie verhindert de laatste fase van de pigmentsynthese waardoor bruin in plaats van zwart melanine wordt gevormd.

De cinnamonfactor vererft geslachtsgebonden of beter, is net als de ino-mutatie gekoppeld aan het Z-chromosoom en recessief ten opzichte van de wildfactor (lees: ongemuteerde cinnamonfactor).

Genetisch symbool cin; wildvorm cin+

De cinnamon-man wordt als Z cin/Z cin geschreven de cinnamon-pop als

Z cin /W .

 

Bont

Te oordelen naar de foto’s die ik van deze mutatievorm heb gezien, houd ik het op dominant bont. Dominant bont mutaties vererven autosomaal en hebben een dominante kenmerkvorming.

Symbool voor dominant bont: Pi; wildvorm Pi+

 

Tekst: H.W.J. van der Linden