Genus TRICLARIA Wagler, 1832

BLAUWBUIKPAPEGAAIEN

Triclaria malachitacea (Spix, 1824)

Blauwbuikpapegaai

Verspreidingsgebied: Zuidoost-Brazilië.

Soortbeschrijving

Formaat: 28 cm.

Man: de algemene lichaamskleur is fluorescerend donkergroen, het groen op kop en onderlichaam een fractie lichter en een nuance geler van tint, de kin en de dijen ietwat blauw bewaasd; centraal op het onderlichaam bevindt zich een onregelmatige violetblauwe buikvlek. Handpennen donkergroen, de meest buitenste handpen violetblauw, de overige handpennen zijn aan de uiteinden enigszins blauw bewaasd; primaire vleugeldekveren blauwachtig groen; bovenzijde grote staartpennen donkergroen aan de uiteinden bleekblauw, de buitenste staartpennen tonen daarnaast nog een blauwe omzoming op de buitenvlag, onderzijde staartpennen blauwachtig groen. Oogiris bruin; om het oog loopt een smalle, naakte grijsachtige witte oogring. Snavel licht hoornkleurig. Poten grijs; nagels grijszwart.

Pop: mist de violette buikvlek op het onderlichaam, voor het overige gelijk aan de man.

Algemene info

Zeldzaam in gevangenschap; alleen in grote vogelparken en dierentuinen soms aanwezig, op enkele uitzonderingen na, nauwelijks in particuliere handen. Deze vogels worden ook niet meer geïmporteerd. Men is dus afhankelijk van het in gevangenschap aanwezige bestand.

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II.

Gedrag

Bevallige en rustige vogel, die buiten de broedtijd ook verdraagzaam is met andere papegaaiachtigen, wordt in de broedtijd in toenemende mate agressief; vertoont bij tijd en wijle speels gedrag; behendige vlieger die zelden op de grond komt; niet knaaglustig; zowel man als pop hebben een aangenaam stemgeluid dat wel iets weg heeft van de merel (Turdus merula), de man laat zich vaker horen dan de pop; bij onraad brengen ze een hard, schril klinkend geluid voort; slapen s nachts in broedblok.

Importvogels hebben in het verleden blijk gegeven moeilijk te kunnen acclimatiseren, geacclimatiseerde en in gevangenschap geboren blauwbuikpapegaaien zijn echter vrij sterk en weinig problematisch.

In verband met de schaarste van deze vogel, zou hij enkel gehouden moeten worden door liefhebbers die het als hun opgave zien ermee te fokken, zodat ze ook in gevangenschap kunnen blijven voortbestaan.

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in buitenvolière met aansluitend verwarmd binnenverblijf waarin het daglicht ruim toegang heeft; afmetingen binnen- en buitenvlucht elk minimaal (lxbxh) 4 x 1 x 2 m; s winters de vogels binnenhouden bij een temperatuur van ca. 20 C. Uitsluitend huisvesten in binnenvolière is ook mogelijk, maar in dat geval voor een wat ruimere vlucht zorgen. Dikwandig broedblok (natuurstam) ophangen van 60 cm hoogte en een binnenwerkse diameter van ongeveer 20 cm met een invlieggat van 7 8 cm, waarin de vogels kunnen slapen en eventueel ook broeden; op de bodem een laag vermolmd hout aanbrengen.

Ofschoon deze vogels niet als knagers bekend staan, verdient het aanbeveling van tijd tot tijd voor verse takken en twijgen van wilg en (onbespoten) fruitbomen te zorgen.

Voeding

Het basisvoedsel bestaat uit gekookte mungobonen en een willekeurig in de handel verkrijgbaar duivenvoer vermengd met eivoer. Het zaadmengsel gedurende twee minuten laten koken en vervolgens vermengen met een goede kwaliteit eivoer in de verhouding 1:1. Het aldus verkregen mengsel bestrooien met een mespuntje van een vitaminen-mineralen preparaat en een mespuntje voederkalk. Daarnaast een kleine hoeveelheid gekiemde zonnebloempitten, mungobonen en haver. Verder allerhande groenten, fruit en bessen naargelang het natuurlijke aanbod. Bovendien moet er altijd een zaadmengsel bestaande uit zonnebloempitten, saffloerpitten en diverse gierstsoorten ter beschikking staan. Enkele droge garnalen en een stuk of tien kortstondig gekookte meelwormen per vogel, maken het dagelijkse menu compleet. Water, grit en maagkiezel dienen vanzelfsprekend steeds ter beschikking te staan. Zowel voer als drinkwater in het bovenste gedeelte van het binnenverblijf aanbieden, maar zó dat de vogels er vanaf de zitgelegenheden bij kunnen.

Fok

Van de blauwbuikpapegaai zijn wereldwijd slechts weinig succesvolle broedgevallen bekend. In het bekende vogelpark Walsrode werd enkele keren succesvol met deze vogels gefokt, maar even zovele keren ging het mis doordat de jongen gedurende de nestperiode stierven. Maar in 1985 kreeg men daar zelfs een jong op stok in een kleine binnenvolière in het voor het publiek toegankelijke volièrecomplex, waar dagelijks vele honderden bezoekers langslopen.

Voor de fok moeten deze vogels minimaal 2 jaar oud zijn. Ze broeden in een dikwandige natuurbroedstam van ca. 60 cm hoogte en een binnenwerkse diameter van ongeveer 20 cm; diameter invlieggat 7 à 8 cm. Omstreeks maart-april komen de vogels in broedconditie. Ongeveer 14 dagen na de eerste paring begint de pop met de leg. De eieren worden gewoonlijk om de andere dag gelegd; legsel grootte 2 4, soms 5 eieren; de pop broedt alleen, de man houdt haar s nachts op het nest gezelschap; broedduur 28 dagen; nesttijd 7 - 8 weken; ringmaat 6 mm. Nestcontrole wordt door de vogels toegelaten, maar het is verstandig dit tot een minimum te beperken. Ongeveer drie weken nadat de jongen uitgevlogen zijn, zijn ze zelfstandig. Men kan de jongen, mits de volière groot genoeg is, echter rustig tot aan het volgende broedseizoen bij de ouders laten.

Mutaties: geen.

Tekst: H.W.J. van der Linden

E-mail: hvdlinden@gmx.net