Genus PURPUREICEPHALUS Bonaparte, 1854

ROODKAPPARKIETEN

Purpureicephalus spurius (Kuhl, 1820)

Roodkapparkiet

Ook: Red-capped parkiet

Herkomst: Zuidwest-Australië, ten zuiden van de rivier Moore nabij Perth.

Soortbeschrijving

Formaat: 37 cm.

Man: de karmozijnrode kap, waaraan deze vogel zijn naam dankt, beslaat de gehele schedel en reikt tot juist onder de ogen en de teugels. De wangvlekken, die vrijwel de gehele kopzijden beslaan, lopen vanaf de inzet van de ondersnavel onderlangs de ogen tot bijna aan de nek en zijn evenals de stuit en de bovenstaartdekveren geelgroen; mantel, rug en vleugeldek glanzend diepgroen, de handpennen hebben een blauwe buitenvlag. Borst, buik en het bovenste gedeelte van de flanken zijn mauvekleurig met violette gloed; het onderste gedeelte van de flanken, dijen, anaalstreek en de onderstaartdekveren is rood met hier en daar wat groene tekening. Bovenzijde middelste grote staartveren diepgroen naar de uiteinden toe overgaand in blauwgroen; secundaire staartveren bleekblauw met witte omzoming. Oogiris donkerbruin. De snavel is grijsachtig; kenmerkend voor de soort is de lange bovensnavel. Poten bruinachtig; nagels donkergrijs.

Pop: is doorgaans wat valer gekleurd. Vaak toont ze aan de flanken meer groen en ook aan de onderstaartdekveren. Overigens bestaat er erg veel kleurverschil tussen volwassen poppen. Sommige poppen zijn bijna even briljant van kleur als de mannen en bezitten een nagenoeg gelijke kapkleur, andere zijn beduidend matter van kleur en hebben een nagenoeg groen schedeldek. Een en ander maakt het samenstellen van een paar er niet gemakkelijker op. De kop van de pop is meestal iets kleiner en ronder van vorm, terwijl die van de man van opzij gezien wat langer is; bovendien heeft de man veelal een forsere snavel. Een andere aanwijzing vormt de bekende witte vleugelstreep aan de onderzijde van de vleugels. Wanneer een volwassen roodkap de vleugelstreep bezit is het tien tegen één een pop, anderzijds is het niet bij voorbaat een man wanneer de vleugelstreep ontbreekt.

Algemene info

De roodkapparkiet komt men niet zo vaak bij de doorsnee parkietenliefhebber tegen, maar in grotere parkietencollecties is hij vrijwel altijd vertegenwoordigd. Mogelijk is zijn schuwheid de reden dat liefhebbers met een beperkte ruimte besluiten de roodkapparkiet niet in de collectie op te nemen. Een vogel voor de meer ervaren parkietenliefhebber.

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II, echter geen administratieplicht.

Gedrag

Sterke vogel, volkomen winterhard; schuwer van aard dan de meeste Australische parkieten en dat blijven ze ook; behoorlijk knaaglustig, de een wat meer dan de ander, maar er zijn er bij die een keper van 4 x 6 cm in één dag gemakkelijk doormidden knagen, niet zelden wordt ook het gaas ‘onderhanden’ genomen. Onverdraagzaam tegenover andere vogels. Goede broeders, maar vragen wel om rust; in de broedtijd gevoelig voor storingen. Baden graag en uitgebreid. Scharrelen veel rond op de grond. Niet bijzonder luidruchtig, laten gewoonlijk alleen ’s morgens en ’s avonds hun stemgeluid horen, maar bij gevaar beginnen ze luid te krijsen.

Huisvesting en verzorging

Ongeschikt voor verblijf in kooi. De beste huisvesting is paarsgewijs in een rustig gelegen van metaal en zwaar gaas (bijv. nerzengaas) geconstrueerde buitenvolière; minimale volièregrootte (lxbxh) 5 x 1 x 2 m met een aansluitende wind- en regenvrije overkapping met een bodemoppervlakte van ca. 1 m˛, waaronder in de broedperiode de nestkast wordt opgehangen. Regelmatig verse takken van berk, knotwilg of (onbespoten) fruitbomen geven om hun knaaglust te bevredigen; ook halfvergaan hout komt voor dit doel in aanmerking. Dagelijks vers badwater verstrekken. Regelmatig op wormen controleren en zonodig wormkuur geven.

Voeding

Als basisvoer kan men een zaadmengsel geven van de volgende samenstelling: 48% La Plata millet; 6% rode millet; 6% witzaad; 8% boekweit; 4% negerzaad; 4% hennep; 4% padi (ongepelde rijst); 4% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 8% zonnebloempitten. Verder eivoer (gerantsoeneerd), allerhande groenvoer, vooral wortel en appel, ook rozenbottels en lijsterbessen alsmede onkruiden zoals herderstasje en muur. Af en toe enkele pas vervelde meelwormen of buffalowormen aanbieden. Dagelijks vers drinkwater, maagkiezel en grit.

In de broed- en ruitijd worden dezelfde zaden aangeboden maar zijn de percentages als volgt: 30% La Plata millet, 4% rode millet; 12% witzaad; 6% boekweit; 8% negerzaad; 4% hennep; 4% padi; 8% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 16% zonnebloempitten. Dagelijks ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels op willen nemen. Eivoer eventueel rul maken met gekiemd zaad of geraspte wortel.

Als er jongen zijn dagelijks enkele pas vervelde meelwormen of buffalowormen verstrekken.

Fok

Lukt regelmatig en is niet bijzonder moeilijk. Voor de fok moeten de vogels ongeveer 2 jaar oud zijn. Om te komen tot een harmoniërend paar kan men het beste jonge onverwante vogels bij elkaar plaatsen en aan elkaar laten wennen. Wanneer men fokvogels inzet die vreemd zijn voor elkaar dan steeds de man bij de pop zetten, nooit omgekeerd.

Roodkapparkieten hebben een voorkeur voor een natuurbroedstam, maar accepteren desnoods ook een zelfgemaakte nestkast. Het broedblok moet minstens 70 cm hoog zijn, maar liever nog wat dieper; binnenwerkse diameter 20 - 25 cm, doorsnede invlieggat 7,5 cm. Een eventuele nestkast moet van dik hardhout vervaardigd worden, afmetingen: 70 tot 100 cm hoog, bodemoppervlakte ca. 25 x 25 cm; invlieggat 7,5 cm. Op de bodem vermolmd hout of vurenkrullen of een mengsel van beide aanbrengen. De nestkast in de overkapte schuilruimte schuin ophangen en liefst zodanig dat men er van buitenaf bij kan; inspectieluikje aanbrengen.

Het broedseizoen begint meestal eind april begin mei. De eieren worden gewoonlijk om de andere dag gelegd, 4 tot 6 stuks, soms 7. De pop broedt alleen; broedduur 22 dagen.

Als de jongen uitkomen worden ze de eerste dagen alleen door de pop gevoerd, die op haar beurt door de man gevoerd wordt. Na een tijdje helpt de man ook de jongen voeren. Na 9 à 10 dagen de jongen ringen met een 6 mm ring. Nestcontrole dient met de nodige omzichtigheid te gebeuren, bijvoorbeeld op een moment dat de pop spontaan het nest verlaten heeft De jongen vliegen na ongeveer 35 dagen uit, maar worden nog lang door de ouders bijgevoerd; de sociale binding tussen ouders en jongen is groot en ze kunnen nog 6 tot 8 weken na het uitvliegen bij de oudervogels blijven. Als regel blijft het bij één broedsel per seizoen.

Mutaties: geen.

Tekst: H.W.J. van der Linden

E-mail: hvdlinden@gmx.net