Genus PLATYCERCUS Vigors, 1825

PLATSTAARTPARKIETEN

Platycercus adelaidae Gould, 1840

Adelaide rosella

Soortbeschrijving

Formaat 36 cm.

Man en pop: voorhoofd en kruin dieporanjerood, overgaand in oranje op de achterkop en vervolgens in oranjegeel op nek en kopzijden. Wangvlekken en kin matkobaltblauw. Mantel zwart met scherp afstekende gele veerzomen, het centrale vleugeldek zwart met oranjerode veerzomen. De langwerpige schoudervlekken zijn diepzwart. Buitenste vleugeldekveertjes vanaf de vleugelbocht en verder langs de gehele vleugel lichtvioletblauw. Grote vleugelpennen zwart met violetblauwe buitenvlag. De veren van onderrug, stuit halszijden, borst, buik, flanken, dijen en de boven- en onderstaartdekveren zijn oranjerood met smalle gele veerzoompjes, die een fijne schubtekening veroorzaken. De middelste vier grote staartpennen zijn donkerblauwgroen, de overige trapsgewijs verlopende staartpennen bleekvioletblauw met een witte omzoming aan de uiteinden. Snavel grijsachtig wit. Oogiris donkerbruin. Poten grijs, nagels grijszwart.

De man onderscheidt zich van de pop door een iets plattere en forsere kop; voorts door een bredere bovensnavel.

Ondersoorten

P. a. adelaidae Gould, 1840

Verspreiding: Zuid-Australië, vanaf de zuidelijke punt van het schiereiland Fleurieu noordwaarts tot ongeveer Clare en Burra.

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm

Let wel: de intensiviteit van het oranjerood verschilt van vogel tot vogel.

P. a. subadelaidae Mathews, 1912

Bleke Adelaide rosella

Verspreiding: Zuid-Australië, van Gladstone noordwaarts tot aan het zuiden van Flinders Ranges, ongeveer 60 km verwijderd van het verspreidingsgebied van de nominaatvorm.

Kenmerken: lijkt in grote trekken op de nominaatvorm, maar onderlichaam, stuit en bovenstaartdekveren tonen minder oranjerood en zijn meer of minder bleek oranjegeel.

Algemene info

Wordt relatief vaak bij de liefhebbers aangetroffen, doch beduidend minder dan bijv. P. eximius, P. elegans en P. adscitus palliceps. Ook geschikt voor beginnende vogelhouders.

Helaas, zijn er heel wat rasonzuivere Adelaide rosella’s in omloop als gevolg van kruisingen in het verleden met andere rosellasoorten. Bij aankoop goed letten op raskenmerken!

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II, echter geen administratieplicht, ook niet voor de ondersoorten.

Gedrag

Sterke vogel die best tegen een stootje kan; behoort tot de schuwere rosellasoorten, maar wennen toch vrij snel aan de verzorger; onverdraagzaam tegenover andere vogels, man soms tegenover pop; melodieus stemgeluid, niet luidruchtig of storend; bewegingsactief; broedlustig; vrij knaaglustig; baden graag; scharrelen veel rond op de bodem van de volière.

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in buitenvolière; minimale afmetingen (lxbxh) 4 x 1 x 2 m met een aansluitende wind- en regenvrije overkapping met een bodemoppervlakte van 1 m² waaronder de nestkast kan worden opgehangen. Het is beter geen soortgenoten of andere rosellasoorten pal naast elkaar te huisvesten want dan komt er waarschijnlijk van broeden weinig terecht. Adelaide rosella’s worden niet graag verplaatst; als ze eenmaal aan een bepaalde volière gewend zijn, laat ze dan zitten, de kans is groot dat ze in de nieuwe volière voorlopig niet tot broeden komen.

Verse wilgen- of fruitboomtakken (onbespoten) als zitstokken bevredigen hun knaaglust en dragen ertoe bij dat de vogels het houtwerk van de volière met rust laten, daarnaast regelmatig verse knaagtakken geven. Dagelijks vers badwater verstrekken. Vogels laten zich ook graag beregenen; eventueel regeninstallatie aanbrengen. Regelmatig op wormen controleren en zonodig wormkuur geven.

Deze soort is niet geschikt om solitair in een kooi te houden.

Voeding

Als basisvoer kan men een zaadmengsel geven van de volgende samenstelling: 48% La Plata millet; 6% rode millet; 6% witzaad; 8% boekweit; 4% negerzaad; 4% hennep; 4% padi (ongepelde rijst); 4% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 8% zonnebloempitten. Verder eivoer (gerantsoeneerd), allerhande groenvoer, vooral halfrijpe graszaden, halfrijpe onkruidzaden, appel, rozenbottels en wortel. Dagelijks vers drinkwater, maagkiezel en grit.

In de broed- en ruitijd worden dezelfde zaden aangeboden maar zijn de percentages als volgt: 30% La Plata millet, 4% rode millet; 12% witzaad; 6% boekweit; 8% negerzaad; 4% hennep; 4% padi; 8% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 16% zonnebloempitten. Dagelijks ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels op willen nemen. Eivoer eventueel rul maken met gekiemd zaad of geraspte wortel; voorts in melk geweekt oud bruinbrood en gekiemd zaad verstrekken.

Fok

Lukt regelmatig en is niet bijzonder moeilijk. Voor de fok moeten de vogels ongeveer 2 jaar oud zijn. Grootste probleem is het samenstellen van een harmoniërend paar. Bij voorkeur jonge vogels bij elkaar plaatsen en aan elkaar laten wennen. Wanneer de fokvogels vreemd voor elkaar zijn, steeds de man bij de pop zetten, nooit omgekeerd. Als de man de pop overdreven opjaagt, kan men ertoe overgaan de vleugelpennen van de man aan een zijde te korten, of de grote vleugelpennen om en om te korten zodat de pop haar eega gemakkelijker kan ontwijken. In extreme gevallen de man een tijdje in een aangrenzende volière onderbrengen. Ondanks deze voorzorgsmaatregelen is het noodzakelijk de vogels in het begin van de broedtijd goed in de gaten te houden, teneinde verliezen te voorkomen. Deze vogels broeden in broedblokken van ongeveer 25 cm doorsnede of nestkasten van 22 x 22 cm en een hoogte van 60-80 cm; diameter invlieggat 8 cm. . Op de bodem een laag vermolmd hout aanbrengen. Broedbegin vanaf april. De eieren worden om de andere dag gelegd; legselgrootte 4 à 5 eieren, soms oplopend tot 7 stuks. De pop broedt alleen; broedduur 20 dagen; nesttijd ongeveer 5 weken. De eerste dagen na het uitvliegen zijn de jongen erg schuw en schrikachtig en vliegen overal tegenaan, zodat de kans op letsels groot is; kopse kant van de volière met dennentakken of brem afdekken. Aanbevolen ringmaat 6 mm. Na het uitvliegen worden de jongen nog ongeveer 2 weken door de ouders gevoerd, voornamelijk door de man. Na 4 weken jongen apart zetten. Sommige poppen beginnen aan een tweede legsel, maar lang niet allemaal.

Mutaties

Van de Adelaide rosella is een lutino verschijningsvorm bekend. Vermoedelijk nog niet in Europa aanwezig. Deze mutatie vererft autosomaal recessief.

 

Platycercus adscitus (Latham, 1790)

Blauwwangrosella

Ook: Noordelijke bleekkoprosella

Soortbeschrijving

Formaat: 30 cm.

Man en pop: voorhoofd en schedeldek bleekgeel. Achterkop, nek en halszijden een nuance dieper geel. Het bovenste gedeelte van de wangen is wit, het onderste gedeelte is matkobaltblauw evenals de kin. Kropstreek, bovenborst en flanken bleekgeel blauw bewaasd, dit laatste kan per vogel aanmerkelijk variëren; onderborst buik en dijen grijsachtig blauw; anaalstreek en onderstaartdekveren scharlakenrood. De veren van borst, buik en flanken bezitten zeer smalle, zwarte veerzoompjes, wat resulteert in een ragfijne golftekening op deze veervelden, op de lagere onderdelen slechts zeer vaag. Mantel en middengedeelte van het vleugeldek zijn zwart met brede, ietwat blauwgroenachtig bewaasde bleekgele veerzomen. Zwarte langwerpige schoudervlekken. Buitenste vleugeldekveertjes vanaf de vleugelbocht en verder langs de gehele vleugel lichtvioletblauw. Onderrug, stuit groenachtig blauw overgaand in blauwachtig bleekgeel op de bovenstaartdekveren. Grote vleugelpennen zwart met violetblauwe buitenvlag. Bovenzijde middelste vier grote staartpennen donkergroen, overgoten met een zwaar blauw waas. De overige trapsgewijs verlopende staartpennen zijn bleekvioletblauw met aan de uiteinden een witte omzoming. Snavel grijsachtig hoornkleurig. Oogiris donkerbruin. Poten grijs, nagels grijszwart.

De man onderscheidt zich van de pop door een iets plattere en forsere kop, voorts door een forsere en bredere bovensnavel; man is meestal ook iets forser van bouw.

Jonge vogels en overjarige poppen bezitten aan de onderzijde van de grote vleugelpennen een rij witte vlekken, die een soort vleugelband de zogeheten vleugelstreep vormen. Bij de mannen komen deze vlekken gewoonlijk na de eerste grote rui niet terug, incidenteel verdwijnen ze pas na het tweede jaar.

Ondersoorten

P. a. adscitus (Latham, 1790)

Verspreiding: Noordoost-Australië, beperkt tot het schiereiland York

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

P. a. palliceps (Mathews, 1911)

Bleekkoprosella

 

Verspreiding: Noordoost-Australië, van noordelijk Queensland zuidelijk van Cairns en de Mitchelrivier tot noordelijk Nieuw-Zuid-Wales.

Kenmerken: Formaat 32 cm. De bleekkop heeft goudgeel omrande veerzomen op mantel en vleugeldek en bezit zuiver witte wangen en een witte kin. Onderrug, stuit en bovenstaartdekveren zijn bleekgrijsblauw. De bleekkop is iets groter dan de blauwwang. Volwassen mannen hebben geen vleugelstreep.

De poppen zijn meestal iets kleiner van lichaamsbouw dan de man. Volwassen poppen hebben meestal een vleugelstreep.

Algemene info

De blauwwangrosella is altijd veel minder algemeen geweest bij de liefhebbers en ook veel kostbaarder in de aanschaf dan de bleekkoprosella; laatstgenoemde kan tot de meer algemeen gehouden rosellasoorten worden gerekend waarmee ook veelvuldig wordt gefokt. Jammer genoeg, zijn er behoorlijk wat rasonzuivere blauwwangen en bleekkoppen in omloop als gevolg van onderlinge kruisingen in het verleden. Bij aankoop letten op raskenmerken! Bij de blauwwang is het onderste gedeelte van de wangen en de kin blauw, de bleekkop heeft zuiver witte wangvlekken en een witte kin.

Ook geschikt voor beginnende vogelhouders.

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II, echter geen administratieplicht, ook niet voor de ondersoorten

Gedrag

In het algemeen vrij sterke vogel, maar blauwwang- iets minder hard dan bleekkoprosella. Onverdraagzaam tegenover andere vogels, in het bijzonder tegenover rosellasoorten; kieskeurig in de partnerkeuze, niet zelden man agressief tegenover pop, met name aan het begin van de broedtijd. Stemgeluid is melodieus en halfluid, zelden echt storend; behoorlijk knaaglustig; baden graag; komen veel op de grond en scharrelen graag rond op de bodem van de volière.

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in buitenvolière; minimale afmetingen (lxbxh) 4 x 1 x 2 m, maar beter is de vlucht 1 à 2 m langer te maken. Voor de blauwwang moet de vliegruimte in verbinding staan met een vorstvrij te houden nachtverblijf, voor de bleekkop, die toch wel wat sterker is, kan worden volstaan met een aansluitende wind- en regenvrije overkapping met een bodemoppervlakte van 1 m². Geen soortgenoten of andere rosellasoorten pal naast elkaar huisvesten. Verse wilgen- of fruitboomtakken (onbespoten) als zitstokken bevredigen hun knaaglust en dragen ertoe bij dat de vogels het houtwerk van de volière met rust laten, daarnaast regelmatig verse knaagtakken geven. Dagelijks vers badwater verstrekken; eventueel regeninstallatie aanbrengen. Regelmatig op wormen controleren en zonodig wormkuur geven.

Voeding

Als basisvoer kan men een zaadmengsel geven van de volgende samenstelling: 48% La Plata millet; 6% rode millet; 6% witzaad; 8% boekweit; 4% negerzaad; 4% hennep; 4% padi (ongepelde rijst); 4% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 8% zonnebloempitten. Verder eivoer (gerantsoeneerd), allerhande groenvoer, vooral halfrijpe graszaden, halfrijpe onkruidzaden, appel, rozenbottels en wortel. Dagelijks vers drinkwater, maagkiezel en grit.

In de broed- en ruitijd worden dezelfde zaden aangeboden maar zijn de percentages als volgt: 30% La Plata millet, 4% rode millet; 12% witzaad; 6% boekweit; 8% negerzaad; 4% hennep; 4% padi; 8% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 16% zonnebloempitten. Dagelijks ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels op willen nemen. Eivoer eventueel rul maken met gekiemd zaad of geraspte wortel; voorts in melk geweekt oud bruinbrood en gekiemd zaad verstrekken.

Fok

Blauwwangen en bleekkoppen zijn uitstekende broedvogels. Fokvogels moeten ongeveer 2 jaar oud zijn. Sommige poppen zijn na een jaar al broedrijp, maar mannen zelden. Voorwaarde is verder dat het tussen man en pop ‘klikt’ en dat is lang niet altijd het geval. Het willekeurig een man en een pop bij elkaar zetten lukt bij deze vogels zelden. Soms is het noodzakelijk de vogels om te koppelen. Het geniet de voorkeur steeds jonge vogels bij elkaar te plaatsen en aan elkaar te laten wennen; nog beter is vrije partnerkeuze, maar dat is niet altijd te realiseren.

Deze vogels broeden in broedblokken van ongeveer 25 cm doorsnede of nestkasten van 22 x 22 cm en een hoogte van 60-80 cm; diameter invlieggat 8 cm. Op de bodem een ca. 5 cm dikke laag vermolmd hout aanbrengen. Broedbegin vanaf april. Aan het begin van de broedtijd zijn de mannen vaak agressief tegenover de partner. Denk niet wanneer het paar begint te vechten dat het wel goed zal komen, want als u niets onderneemt, moet u op zoek naar een nieuwe pop. Het is dus zaak de eerste tijd het koppel goed in de gaten te houden. Eventueel man kortwieken of een tijdje in de volière ernaast ‘af laten koelen’. De eieren worden om de andere dag gelegd; legselgrootte 4 tot 7 eieren, soms oplopend tot 9 stuks; eventueel enkele eieren overleggen bij pleegouders. De pop broedt alleen; broedduur 20 dagen; nesttijd ongeveer 5 weken. De eerste dagen na het uitvliegen zijn de jongen erg schuw en schrikachtig en vliegen overal tegenaan, zodat de kans op letsels groot is; kopse kant van de volière met dennentakken of brem afdekken. Aanbevolen ringmaat 6 mm. Ofschoon de jongen zich na een dag of veertien zelfstandig kunnen redden, worden ze nog lange tijd bijgevoerd, voornamelijk door de man. Na 4 weken jongen apart zetten. Sommige poppen beginnen aan een tweede legsel, maar de meeste houden het na een broedsel voor gezien.

Mutaties

Van de bleekkoprosella is een pastelvorm bekend, deze vererft autosomaal recessief.

Platycercus caledonicus (Gmelin, 1788)

Geelbuikrosella

Verspreiding: Tasmanië en enkele eilanden in de Straat Bass.

Soortbeschrijving

Formaat: 36 cm.

Man en pop: voorhoofd rood, overgaand in warmgeel op kruin, achterkop, nek en halszijden; achterkop en nek tonen een regelmatige schubtekening. Wangen en kin matkobaltblauw. De veren van mantel en het middengedeelte van het vleugeldek zijn zwart met donkergroene omzoming. Groenachtig zwarte langwerpige schoudervlekken, nauwelijks opvallend op het donkere vleugeldek. Buitenste vleugeldekveertjes vanaf de vleugelbocht en verder langs de gehele vleugel diepblauw. Grote vleugelpennen zwart met donkerblauwe buitenvlag. Onderrug, stuit en bovenstaartdekveren olijfgroen. Keel, borst, buik, flanken, dijen, anaalstreek en onderstaartdekveren warmgeel. Bovenzijde middelste vier grote staartpennen donkergroen, ietwat blauw bewaasd. De overige trapsgewijs verlopende staartpennen zijn bleekblauw met een witte omzoming aan de uiteinden. Snavel hoornkleurig. Oogiris bruin. Poten grijs, nagels grijszwart.

De pop onderscheidt zich van de man door een slanker postuur, een smallere bovensnavel en een iets kleinere, minder platte kop. Volwassen poppen vertonen in het algemeen een oranjerode waas op de keelstreek en de kopzijden.

Algemene info

De geelbuikrosella wordt ongeveer evenveel bij de liefhebbers aangetroffen als de Adelaide rosella, mogelijk in nog iets mindere mate, maar er bestaan van deze soort stabiele volièrebestanden, zodat er met wat moeite wel aan te komen is. Niet alle geelbuiken zijn raszuiver; sommige dragen sporen van vroegere kruisingen met andere rosellasoorten, met name met de strogele rosella. Bij aankoop letten op soortkenmerken! De geelbuik is in principe ook geschikt voor beginnende vogelhouders.

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II, echter geen administratieplicht.

Gedrag

Sterke vogel, winterhard, niet veeleisend; zeer rustig, tegen de broedtijd wat levendiger; vertrouwelijk tegenover verzorger; onverdraagzaam tegenover soortgenoten en andere rosella’s, man zeer dominant tegenover de pop; melodieus stemgeluid iets minder schril dan van de meeste andere rosellasoorten, zijn geroep is in ieder geval nooit storend; broedlustig; vrij knaaglustig; baden graag en overvloedig; scharrelen veel rond op de bodem van de volière.

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in buitenvolière; minimale afmetingen (lxbxh) 5 x 1 x 2 m met een aansluitende wind- en regenvrije overkapping met een bodemoppervlakte van 1 m² waaronder de nestkast kan worden opgehangen. Deze vogels zijn niet geschikt om solitair in een kooi te worden gehouden. Geen soortgenoten of andere rosellasoorten in de naastliggende volières plaatsen. Regelmatig verse knaagtakken geven. Dagelijks vers badwater verstrekken; eventueel regeninstallatie aanbrengen. Regelmatig op wormen controleren en zonodig wormkuur geven.

Voeding

Als basisvoer kan men een zaadmengsel geven van de volgende samenstelling: 48% La Plata millet; 6% rode millet; 6% witzaad; 8% boekweit; 4% negerzaad; 4% hennep; 4% padi (ongepelde rijst); 4% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 8% zonnebloempitten. Verder eivoer (gerantsoeneerd), allerhande groenvoer, vooral halfrijpe graszaden, halfrijpe onkruidzaden, appel, rozenbottels en wortel. Dagelijks vers drinkwater, maagkiezel en grit.

In de broed- en ruitijd worden dezelfde zaden aangeboden maar zijn de percentages als volgt: 30% La Plata millet, 4% rode millet; 12% witzaad; 6% boekweit; 8% negerzaad; 4% hennep; 4% padi; 8% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 16% zonnebloempitten. Dagelijks ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels op willen nemen. Eivoer eventueel rul maken met gekiemd zaad of geraspte wortel; voorts in melk geweekt oud bruinbrood en gekiemd zaad verstrekken.

Fok

Lukt regelmatig, toch is de geelbuik minder broedlustig dan de meeste andere rosellasoorten. Om er met succes mee te kunnen fokken moeten de vogels 2 jaar oud zijn. Het is duidelijk dat het tussen man en pop moet harmoniëren. Het koppel de eerste tijd in de gaten houden i.v.m. vechtpartijen. De geelbuik heeft een lange aanlooptijd nodig naar het broedseizoen. Nestkasten niet voor half april ophangen, het best onder het overdekte gedeelte van het verblijf. Deze vogels broeden in broedblokken van ongeveer 25 cm doorsnede of nestkasten van 22 x 22 cm en een hoogte van 60-80 cm; diameter invlieggat 8 cm. Op de bodem een ca. 5 cm dikke laag vermolmd hout aanbrengen. De eieren worden om de andere dag gelegd; legselgrootte 4 – 6 eieren, niet zelden oplopend tot 8 stuks. Er zijn ook poppen die er nog meer leggen, soms wel 12 eieren, maar niet gaan broeden. Als men er heeft kan men pleegouders inschakelen. Alle rosellasoorten zijn geschikt. Ook roodrugparkieten, Psephotus haematonotus, zijn te gebruiken, maar men kan er slechts enkele eieren onderleggen i.v.m. de opfok van de jongen; men heeft dus meerdere pleegouders nodig. Gewoonlijk broedt de geelbuikpop zelf de eieren uit; broedduur 20 dagen; nesttijd 5 weken. De eerste dagen na het uitvliegen zijn de jongen erg schuw en schrikachtig en vliegen overal tegenaan, zodat de kans op letsels groot is; kopse kant van de volière met dennentakken of brem afdekken. Aanbevolen ringmaat 6 mm. 14 dagen na het uitvliegen zijn de jonge vogels zelfstandig, maar als de man ze met rust laat en ze zelfs af en toe nog wat toestopt behoeven we met het uitvangen van de jongen geen haast te maken. Hoewel er verschillende meldingen zijn van een tweede broedsel, moet men hier maar niet op rekenen, als regel houdt de geelbuikpop het na een ronde voor gezien.

Mutaties: geen

 

Platycercus elegans (Gmelin, 1788)

Pennant rosella

Soortbeschrijving

Formaat: 36 cm.

Man en pop: kop het onderste gedeelte van de rug, stuit bovenstaartdekveren en de gehele onderzijde van het lichaam karmozijnrood. Wangvlekken en kin matkobaltblauw. De veerbasis van de veren van achterschedel, nek, mantel en het middengedeelte van het vleugeldek is zwart met scherp afstekende karmozijnrode veerzoompjes. Schoudervlekken zwart. Buitenste vleugeldekveertjes vanaf de vleugelbocht en verder langs de gehele vleugel lichtvioletblauw. Grote slagpennen zwart met donkerblauwe buitenvlag. Middelste vier grote staartpennen donkerblauw, overgoten met een groenachtige waas; de overige trapsgewijs verlopende staartpennen bleekvioletblauw met aan de uiteinden een witte omzoming. Snavelgrijsachtig wit. Oogiris donkerbruin. Poten donkergrijs, nagels grijszwart.

De man onderscheidt zich van de pop door een iets plattere en forsere kop; voorts door een bredere bovensnavel. Overjarige poppen vertonen aan de onderzijde van de grote vleugelpennen een rij witte vlekken, die een soort vleugelband vormen. Bij de mannen komen deze vlekken gewoonlijk na de eerste rui niet terug, soms pas na het tweede jaar.

Ondersoorten

P. e. elegans (Gmelin, 1788)

Verspreiding: zuidoosten van Australië, vanaf het zuidoosten van Queensland tot het zuidoosten van Zuid-Australië

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm,

Nota: Pas uitgevlogen jongen van het ras elegans zijn overwegend groen

P. e. melanoptera North, 1906

Kangaroo Pennant rosella

Verspreiding: eiland Kangoeroe voor de zuidkust van Australië.

Kenmerken: Formaat: ongeveer 34 cm. Deze ondersoort wijkt van het nominaatras af door de smallere omzomingen van de mantel- en vleugeldekveertjes waardoor het rugdek zwarter aandoet.

De pop toont dezelfde verschillen als de nominaatvorm.

P. e. nigrescens Ramsay, 1888

Kleine Pennant rosella

Verspreiding: Noordoost-Queensland, ruim 600 km gescheiden van het nominaatras elegans.

Kenmerken: Formaat: ongeveer 32 cm. Behalve het kleinere formaat, is de algemene lichaamskleur donkerder rood en zijn de rode veerzoompjes van nek mantel en vleugeldek smaller waardoor het rugdek - zeker vanaf enige afstand - bijna zwart lijkt.

De pop toont dezelfde verschillen als de nominaatvorm.

Pas uitgevlogen jongen van het ras nigrescens zijn geheel rood.

Algemene info

De pennantrosella wordt door vrijwel elke liefhebber van Australische parkieten gehouden en gefokt. Ook geschikt voor beginnende vogelhouders.

P. e. elegans en P. e. nigrescens zijn in het verleden in Europa geïmporteerd, doch veelvuldig met elkaar gekruist waarbij de diepere kleur van het noordelijke ras is gecombineerd met het grotere formaat van het zuidelijke type, met als gevolg dat er in gevangenschap vrijwel geen raszuivere exemplaren meer bestaan.

P. e. melanoptera komt waarschijnlijk niet in Europese collecties voor, zodat ze voor de liefhebberij onbelangrijk zijn.

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II, echter geen administratieplicht, ook niet voor de ondersoorten.

Gedrag

In het algemeen sterke vogel; winterhard; went gauw aan zijn verzorger; actieve vogel. Onverdraagzaam tegenover rosellasoorten; kieskeurig in de partnerkeuze, niet zelden man agressief tegenover pop, met name aan het begin van de broedtijd de vogels goed in de gaten houden, ook als ze het jaar ervoor in goede harmonie jongen grootgebracht hebben. Stemgeluid is melodieus en halfluid, zelden echt storend; broedlustig; behoorlijk knaaglustig; baden graag; komen veel op de grond en scharrelen graag rond op de bodem van de volière.

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in buitenvolière; minimale afmetingen (lxbxh) 4 x 1 x 2 m met een aansluitende wind- en regenvrije overkapping met een bodemoppervlakte van 1 m² waaronder de nestkast kan worden opgehangen. Geen soortgenoten of andere rosellasoorten pal naast elkaar plaatsen. Sommige koppels accepteren wel als men er een koppel Europese vogels bijplaatst; een en ander in het begin goed in de gaten houden. Absoluut niet geschikt om solitair in een kooi te worden gehouden. Regelmatig verse knaagtakken geven. Dagelijks vers badwater verstrekken; eventueel regeninstallatie aanbrengen. Regelmatig op wormen controleren en zonodig wormkuur geven.

Voeding

Als basisvoer kan men een zaadmengsel geven van de volgende samenstelling: 48% La Plata millet; 6% rode millet; 6% witzaad; 8% boekweit; 4% negerzaad; 4% hennep; 4% padi (ongepelde rijst); 4% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 8% zonnebloempitten. Verder eivoer (gerantsoeneerd), allerhande groenvoer, vooral halfrijpe graszaden, halfrijpe onkruidzaden, appel, rozenbottels en wortel. Dagelijks vers drinkwater, maagkiezel en grit.

In de broed- en ruitijd worden dezelfde zaden aangeboden maar zijn de percentages als volgt: 30% La Plata millet, 4% rode millet; 12% witzaad; 6% boekweit; 8% negerzaad; 4% hennep; 4% padi; 8% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 16% zonnebloempitten. Dagelijks ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels op willen nemen. Eivoer eventueel rul maken met gekiemd zaad of geraspte wortel; voorts in melk geweekt oud bruinbrood en gekiemd zaad verstrekken.

Fok

Lukt regelmatig en is niet moeilijk. Om met succes te kunnen broeden moeten de vogels 2 jaar oud zijn. Man toont in de aanloop naar het broedseizoen vaak agressief gedrag tegenover de pop. Man goed in de gaten houden, desnoods aan een kant de vleugel korten of, in extreme gevallen, de man een tijdje bij de pop weg halen en in de naastliggende volière onderbrengen. Broedbegin vanaf april. Deze vogels broeden in broedblokken van ongeveer 25 cm doorsnede of nestkasten van 22 x 22 cm en een hoogte van 60-80 cm; diameter invlieggat 8 cm. Op de bodem een ca. 5 cm dikke laag vermolmd hout aanbrengen. De eieren worden om de andere dag gelegd; legselgrootte 5 –7 eieren, soms oplopend tot 8 stuks. De pop broedt alleen; broedduur 20 dagen; nesttijd 5 weken. De eerste dagen na het uitvliegen zijn de jongen erg schuw en schrikachtig en vliegen overal tegenaan, zodat de kans op letsels groot is; kopse kant van de volière met dennentakken of brem afdekken. Aanbevolen ringmaat 6 mm. 14 dagen na het uitvliegen zijn de jonge vogels zelfstandig, maar als de man ze met rust laat kan men de jongen nog wel wat langer bij de ouders laten. Sommige poppen beginnen aan een tweede ronde, maar de meeste niet. Als de pop opnieuw wil beginnen de jongen direct uitvangen en apart zetten.

Mutaties

Blauw: autosomaal recessief

Cinnamon: geslachtsgebonden recessief

Ino: geslachtsgebonden recessief

Geel: autosomaal recessief

Pastel: autosomaal recessief

Oranje: autosomaal dominant.

 

Platycercus eximius (Shaw, 1792)

Rosella

Soortbeschrijving

Formaat: 30 cm.

Man: kop, hals, en bef scharlakenrood, de bef met een strakke sikkelvormige boog van vleugelbocht tot vleugelbocht doorlopend tot op de bovenborst. Wangvlekken zuiver wit, evenals een klein aansluitend veerveld onder de snavel. Borst en buik zijn geel met ragfijne zwarte veerzoompjes, ter hoogte van de pootinplant overgaand in de bleekgroene kleur van anaalstreek en dijen. Mantel en middengedeelte van het vleugeldek zijn zwart met brede, scherp afstekende bleekgroene veerranden. Zwarte langwerpige schoudervlekken. Buitenste vleugeldekveertjes, vanaf de vleugelbocht en verder langs de gehele vleugel lichtvioletblauw. Rug, stuit en bovenstaartdekveren bleekgroen. Grote slagpennen zwart met violetblauwe buitenvlag. Bovenzijde middelste vier grote staartpennen olijfachtig groen, naar de uiteinden toe overgaand in donkerblauw met een groen waas; onderzijde zwart. Onderaanzicht van de overige, trapsgewijs verlopende staartpennen flets kobaltblauw met aan de uiteinden een witte omzoming.

Onderstaartdekveren scharlakenrood. Donkere ogen met donkerbruine iris. Snavel grijsachtig wit. Poten grijs; nagels donkergrijs.

Pop: is veelal een nuance matter van kleur dan de man, vooral op de kop met bruinrode veertjes om de ogen en een roodgroen geschubde overgangszone op achterkop en nek. Wangvlekken variërend van vuilwit tot grijsachtig wit, bovendien iets kleiner en ronder; de snavel aan de bovenbasis smaller en daardoor wat minder fors.

Overjarige mannen zijn vrij betrouwbaar te seksen door onder de vleugels te kijken. Bij de poppen zien we een soort vleugelband bestaande uit een rij witte vlekken op de vleugelpennen. Bij de mannen verdwijnen deze vlekken gewoonlijk na de eerste volledige rui, in uitzonderingsgevallen pas na het tweede jaar.

Ondersoorten

P. e. cecilae (Mathews, 1911)

Prachtrosella

Verspreiding: Australië, van Zuidoost-Queensland tot Noordoost-Nieuw-Zuid-Wales

Kenmerken: qua tekening gelijk aan de gewone rosella, maar briljanter van kleur. Het rood is intensiever, de borst- en buikkleur diepgeel, het middengedeelte van het vleugeldek goudgeel gezoomd in plaats van bleekgroen en de bleekgroene stuit en bovenstaartdekveren zijn enigszins blauw bewaasd.

De pop toont dezelfde verschillen als de nominaatvorm.

P. e. diemenensis North, 1911

Tasmaanse rosella

Verspreiding: Tasmanië

Kenmerken: lijkt op P. e. eximius, maar heeft aanmerkelijk grotere wangvlekken en een intensievere rode kleur.

De pop toont dezelfde verschillen als de nominaatvorm.

P. e. eximius (Shaw, 1792)

Verspreiding: Zuidoost-Australië

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

 

Algemene info

De prachtrosella behoort ongetwijfeld tot de meest gehouden Australische parkieten. Ook zeer geschikt voor beginnende vogelhouders.

Met name de rassen P. e. eximius en P. e. cecilae zijn in het verleden veelvuldig met elkaar gekruist met als gevolg dat we in gevangenschap nauwelijks raszuivere exemplaren tegenkomen. De bastaarden zijn intermediair, wat vooral tot uiting komt in de geelgroene veerzomen op het vleugeldek.

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II, echter geen administratieplicht, ook niet voor de ondersoorten

Gedrag

Sterke vogel; winterhard; went gauw aan zijn verzorger; bewegingsactief; onverdraagzaam tegenover rosellasoorten; nogal kieskeurig in de partnerkeuze, niet zelden is de man agressief tegenover pop, met name aan het begin van de broedtijd de vogels goed in de gaten houden, ook als ze het jaar ervoor in goede harmonie jongen grootgebracht hebben. Stemgeluid is melodieus en halfluid, niet storend; broedlustig; behoorlijk knaaglustig; baden graag; komen veel op de grond.

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in buitenvolière; minimale afmetingen (lxbxh) 4 x 1 x 2 m met een aansluitende wind- en regenvrije overkapping met een bodemoppervlakte van 1 m² waaronder de nestkast kan worden opgehangen. Geen soortgenoten of andere rosellasoorten pal naast elkaar plaatsen. Sommige koppels accepteren wel als men er een koppel Europese vogels bijplaatst of een koppel postuurkanaries; een en ander in het begin goed in de gaten houden. Deze vogels zijn niet geschikt om solitair in een kooi te worden gehouden. Regelmatig verse knaagtakken geven. Dagelijks vers badwater verstrekken; eventueel regeninstallatie aanbrengen. Regelmatig op wormen controleren en zonodig wormkuur geven.

Voeding

Als basisvoer kan men een zaadmengsel geven van de volgende samenstelling: 48% La Plata millet; 6% rode millet; 6% witzaad; 8% boekweit; 4% negerzaad; 4% hennep; 4% padi (ongepelde rijst); 4% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 8% zonnebloempitten. Verder eivoer (gerantsoeneerd), allerhande groenvoer, vooral halfrijpe graszaden, halfrijpe onkruidzaden, appel, rozenbottels en wortel. Dagelijks vers drinkwater, maagkiezel en grit.

In de broed- en ruitijd worden dezelfde zaden aangeboden maar zijn de percentages als volgt: 30% La Plata millet, 4% rode millet; 12% witzaad; 6% boekweit; 8% negerzaad; 4% hennep; 4% padi; 8% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 16% zonnebloempitten. Dagelijks ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels op willen nemen. Eivoer eventueel rul maken met gekiemd zaad of geraspte wortel; voorts in melk geweekt oud bruinbrood en gekiemd zaad verstrekken.

Fok

Met deze vogels wordt veelvuldig gefokt. Sommige rosella’s zijn al na 1 jaar broedlustig, maar wanneer het paar 2 jaar oud is, is de waarschijnlijkheid dat de ouders de jongen ook groot brengen vele malen groter. Sommige mannen zijn nogal kieskeurig wat de pop betreft. M.a.w., elk paar is beslist geen fokpaar. Ook zijn er mannen die in de aanloop naar het broedseizoen behoorlijk agressief zijn tegenover de pop. Een goede gewoonte is de man bij de pop te plaatsen en niet omgekeerd. Man in het begin van het broedseizoen goed in de gaten houden en zonodig maatregelen nemen. Begin maart kunnen de nestkasten worden opgehangen. Deze vogels broeden in broedblokken van ongeveer 25 cm doorsnede of nestkasten van 22 x 22 cm en een hoogte van 60 cm; diameter invlieggat 6-8 cm. Op de bodem een ca. 5 cm dikke laag vermolmd hout aanbrengen. De eieren worden om de andere dag gelegd; legselgrootte gewoonlijk 4 –6 eieren, in uitzonderingsgevallen oplopend tot 10 stuks. De pop broedt alleen; broedduur 20 dagen; nesttijd 5 weken. De eerste dagen na het uitvliegen zijn de jongen erg schuw en schrikachtig en vliegen overal tegenaan, zodat de kans op letsels groot is; kopse kant van de volière met dennentakken of brem afdekken. Aanbevolen ringmaat 6 mm. 14 dagen na het uitvliegen zijn de jonge vogels zelfstandig. Dikwijls begint de pop dan aan een tweede ronde en is het tijd de jongen uit te vangen en apart te zetten.

Mutaties

Ino: geslachtsgebonden recessief

Pastel: autosomaal recessief

Cinnamon: geslachtsgebonden recessief

Witvleugel: autosomaal dominant

Opaline: geslachtsgebonden recessief

 

Platycercus flaveolus Gould, 1837

Strogele rosella

Verspreiding: het binnenland van Zuidoost-Australië.

Soortbeschrijving

Formaat 33 cm.

Man en pop: voorhoofd rood. Boven- en achterschedel, nek, halszijden en zijden van de kopstrogeel, achterkop en nek tonen een regelmatige schubtekening. Wangen en kin matkobaltblauw. Mantel en middengedeelte van het vleugeldek zwart met scherp afstekende strogele veerzomen. Zwarte langwerpige schoudervlekken. De buitenste vleugeldekveertjes vanaf de vleugelbocht en verder langs de gehele vleugel lichtvioletblauw. Grote vleugelpennen zwart met donkerblauwe buitenvlag. Onderrug, stuit en bovenstaartdekveren dofgeel. Keel, borst, buik, flanken, dijen, anaalstreek en onderstaartdekveren strogeel; keel en bovenborst tonen veelal een oranjerode waas. Bovenzijde middelste vier staartpennen donkerblauwgroen; de overige trapsgewijs verlopende staartpennen bleekvioletblauw met aan de uiteinden een witte omzoming. Snavel grijsachtig wit. Oogiris donkerbruin. Poten grijs nagels grijszwart.

De man onderscheidt zich van de pop door een iets plattere en forsere kop; voorts door een breder bovensnavel. Overjarige poppen vertonen aan de onderzijde van de grote vleugelpennen een soort vleugelband, deze ontbreekt bij overjarige mannen.

 

Algemene info

Wordt bij menige liefhebber van Australische platstaartparkieten aangetroffen, doch beduidend minder dan bijv. P. eximius, P. elegans en P. adscitus palliceps. Ook geschikt voor beginnende vogelhouders.

Lang niet alle strogele rosella’s zijn raszuiver. Vele dragen nog sporen van vroegere kruisingen met de geelbuikrosella. Bij aanschaf goed letten op soortkenmerken!

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II, echter geen administratieplicht.

Gedrag

Sterke vogel die goed bestand is tegen de vaak wisselende weersomstandigheden in ons land; rustige vogel, wel bewegingsactief, vooral in de aanloop naar het broedseizoen; absoluut winterhard; ietwat terughoudend, minder vertrouwelijk dan de meeste andere rosellasoorten, maar niet echt schuw; stemgeluid is melodieus en halfluid, iets hoger van toon dan van pennantrosella, zelden echt storend; broedlustig; komen bijzonder veel op de grond; baden graag; behoorlijk knaaglustig.

Huisvesting en verzorging

Deze vogels zijn niet geschikt om solitair in een kooi te worden gehouden. Paarsgewijs onderbrengen in buitenvolière; minimale afmetingen (lxbxh) 4 x 1 x 2 m met een aansluitende wind- en regenvrije overkapping met een bodemoppervlakte van 1 m² waaronder de nestkast kan worden opgehangen. Geen soortgenoten of andere rosellasoorten pal naast elkaar plaatsen. Sommige koppels accepteren wel als men er een koppel Europese vogels bijplaatst; een en ander in het begin goed in de gaten houden. Regelmatig verse knaagtakken geven. Dagelijks vers badwater verstrekken; eventueel regeninstallatie aanbrengen. Regelmatig op wormen controleren en zonodig wormkuur geven.

Voeding

Als basisvoer kan men een zaadmengsel geven van de volgende samenstelling: 48% La Plata millet; 6% rode millet; 6% witzaad; 8% boekweit; 4% negerzaad; 4% hennep; 4% padi (ongepelde rijst); 4% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 8% zonnebloempitten. Verder eivoer (gerantsoeneerd), allerhande groenvoer, vooral halfrijpe graszaden, halfrijpe onkruidzaden, appel, rozenbottels en wortel. Dagelijks vers drinkwater, maagkiezel en grit.

In de broed- en ruitijd worden dezelfde zaden aangeboden maar zijn de percentages als volgt: 30% La Plata millet, 4% rode millet; 12% witzaad; 6% boekweit; 8% negerzaad; 4% hennep; 4% padi; 8% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 16% zonnebloempitten. Dagelijks ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels op willen nemen. Eivoer eventueel rul maken met gekiemd zaad of geraspte wortel; voorts in melk geweekt oud bruinbrood en gekiemd zaad verstrekken.

Fok

Lukt regelmatig en is niet moeilijk. Fokvogels moeten tweejaar oud zijn. Altijd de man bij de pop plaatsen en niet omgekeerd. Begin maart kunnen de broedblokken worden opgehangen. In de aanloop naar het broedseizoen de man goed in de gaten houden in verband met mogelijke vechtpartijen. Indien nodig maatregelen treffen. Deze vogels broeden in broedblokken van ongeveer 25 cm doorsnede of nestkasten van 22 x 22 cm en een hoogte van 60-80 cm; diameter invlieggat 8 cm. Op de bodem een ca. 5 cm dikke laag vermolmd hout aanbrengen. De eieren worden om de andere dag gelegd; legselgrootte gewoonlijk 4-5 eieren, soms oplopend tot 7 stuks. De pop broedt alleen; broedduur 20 dagen; nesttijd 5 weken. De jongen zijn in het nest minder luidruchtig dan bijv de bleekkoppen en de gewone rosella’s

De eerste dagen na het uitvliegen zijn de jongen erg schuw en schrikachtig en vliegen overal tegenaan, zodat de kans op letsels groot is; kopse kant van de volière met dennentakken of brem afdekken. Aanbevolen ringmaat 6 mm. 14 dagen na het uitvliegen zijn de jonge vogels zelfstandig. Dikwijls begint de pop dan aan een tweede ronde en is het tijd de jongen uit te vangen en apart te zetten.

Mutaties

Van de strogele rosella bestaat al geruime tijd een bonte verschijningsvorm; de mutatie vererft autosomaal recessief.

 

Platycercus icterotis (Kuhl, 1820)

Stanley rosella

Soortbeschrijving

Formaat: 27 cm.

Man: kop, nek, halszijden en de gehele onderzijde van het lichaam zijn rood; wangvlekken en kin diepgeel; mantel en middengedeelte van het vleugeldek zwart met brede scherp afstekende donkergroene veerzomen, op de overgang nek/mantel veelal rode veerzoompjes. De langwerpige schoudervlekken zijn zwart met een vage nauwelijks waarneembare blauwgroene schubtekening. Buitenste vleugeldekveertjes vanaf de vleugelbocht en verder langs de gehele vleugel zijn violetblauw; grote vleugelpennen zwart met donkerblauwe buitenvlag. Onderrug, stuit en bovenstaartdekveren zijn donkergroen, de stuit doorgaans doorspekt met rode veerzoompjes. De middelste vier grote staartpennen zijn donkergroen, overgoten met een blauw waas; overige trapsgewijs verlopende staartpennen bleek violetblauw met aan de uiteinden een witte omzoming. Snavel donkergrijs. Oogiris donkerbruin. Poten grijs; nagels grijszwart.

Pop: de pop verschilt duidelijk van de man. Alleen het voorhoofd is rood. Kruin, achterkop, nek, hals- en kopzijden zijn donkergroen, afgewisseld met dofrode veertjes en voorzien van een fijne schubtekening. De wangvlekken zijn vuil bleekgeel, minder omvangrijk en beduidend minder scherp afgetekend dan die van de man. De onderzijde van het lichaam is dofrood en donkergroen geschubd, op de bovenborst heeft het groen min of meer de overhand, op de lagere onderdelen het rood. Verder qua kleur en tekening overeenkomend met de man.

Ondersoorten

P. i. ictorotis (Kuhl, 1820)

Verspreiding: de kustgebieden van zuidwestelijk Australië.

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

P. i. xanthogenys Salvadori, 1891

Geelwang Stanley rosella

Ook: Oostelijke Stanley rosella

Verspreiding: het droge binnenland van Zuidwest-Australië

Kenmerken: deze ondersoort is over het geheel genomen wat fletser van kleur, maar onderscheidt zich nog het duidelijkst van de nominaatvorm door een bleker getinte gele wangvlek, en een effen grijsgroen getinte stuitkleur, zonder rode veerzoompjes. De vier middelste staartpennen zijn overwegend donkerblauw, waarbij de groene ondergrondkleur van het nominaatras nauwelijks zichtbaar is.

Algemene info

Wordt door vrijwel alle liefhebbers van Australische parkieten gehouden en gefokt. Aanbevolen voor beginnende vogelhouders.

Beide ondersoorten zijn in het verleden in Europa geïmporteerd, doch veelvuldig met elkaar gekruist met als gevolg dat er in gevangenschap waarschijnlijk geen raszuivere exemplaren meer bestaan.

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II, echter geen administratieplicht, ook niet voor de ondersoorten

Gedrag

Sterke vogel die ook goed bestand is tegen koude; rustige vogel; beweeglijk en actief; niet schuw; stemgeluid is melodieus en niet luid, zeker niet storend; broedlustig; komen graag en veel op de grond; baden graag; niet bijzonder knaaglustig.

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in buitenvolière; minimale afmetingen (lxbxh) 3 x 1 x 2 m met een aansluitende wind- en regenvrije overkapping met een bodemoppervlakte van 1 m² waaronder de nestkast wordt opgehangen. Ofschoon de Stanley tot de minst agressieve rosella’s gerekend kan worden, is het niet raadzaam soortgenoten of andere rosellasoorten pal naast elkaar te huisvesten want dan komt er waarschijnlijk van broeden weinig terecht. Wel is het mogelijk een koppel Stanley’s met bijv. een koppel grotere Europese vogels of een andere grotere vogelsoort samen te zetten. Verse wilgen- of fruitboomtakken (onbespoten) als zitstokken bevredigen hun knaaglust en dragen ertoe bij dat de vogels het houtwerk van de volière met rust laten. Dagelijks vers badwater verstrekken. Regelmatig op wormen controleren en zonodig wormkuur geven.

Voeding

Als basisvoer kan men een zaadmengsel geven van de volgende samenstelling: 48% La Plata millet; 6% rode millet; 6% witzaad; 8% boekweit; 4% negerzaad; 4% hennep; 4% padi (ongepelde rijst); 4% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 8% zonnebloempitten. Verder eivoer (gerantsoeneerd), allerhande groenvoer, vooral halfrijpe graszaden, halfrijpe onkruidzaden, appel, rozenbottels en wortel. Dagelijks vers drinkwater, maagkiezel en grit.

In de broed- en ruitijd worden dezelfde zaden aangeboden maar zijn de percentages als volgt: 30% La Plata millet, 4% rode millet; 12% witzaad; 6% boekweit; 8% negerzaad; 4% hennep; 4% padi; 8% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 16% zonnebloempitten. Dagelijks ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels op willen nemen. Eivoer eventueel rul maken met gekiemd zaad of geraspte wortel; voorts in melk geweekt oud bruinbrood en gekiemd zaad verstrekken

Fok

Lukt bijna altijd en is dan ook niet moeilijk. Vroeg geboren Stanleyrosella’s kan men meestal het jaar erop al voor de fok inzetten. De meeste Stanleymannen zijn ook niet zo kieskeurig wat de pop betreft en ook veel minder agressief tegenover de pop. Een goede gewoonte is wel de man bij de pop te plaatsen en niet omgekeerd. Eind maart kunnen de nestkasten worden opgehangen. Deze vogels broeden in broedblokken van ongeveer 22 cm doorsnede of nestkasten van 20 x 20 cm en een hoogte van 60 cm; diameter invlieggat 6-7 cm. Op de bodem een ca. 5 cm dikke laag vermolmd hout aanbrengen. De eieren worden om de andere dag gelegd; legselgrootte gewoonlijk 4 –6 eieren, in uitzonderingsgevallen oplopend tot 9 stuks. De pop broedt alleen; broedduur 20 dagen; nesttijd 5 weken. De eerste dagen na het uitvliegen zijn de jongen erg schuw en schrikachtig en vliegen overal tegenaan, zodat de kans op letsels groot is; kopse kant van de volière met dennentakken of brem afdekken. Aanbevolen ringmaat 5,4 mm. Twee à drie weken na het uitvliegen zijn de jonge vogels zelfstandig. Dikwijls begint de pop dan aan een tweede ronde en is het zaak de jongen uit te vangen en apart te zetten.

 

Mutaties: geen

 

Platycercus venustus (Kuhl, 1820)

Brown rosella

Verspreiding: Noord-Australië tussen Kimberly en Arnhemland, voorts op de eilanden voor de kust.

Soortbeschrijving

Formaat: 28 cm.

Man en pop: voorhoofd en schedeldek tot in de nek diepzwart met een fluweelachtige glans. Het bovenste gedeelte van de wangen is wit, het onderste gedeelte en de kin zijn violetblauw. De overgang nek/mantel, de mantel en het middelste gedeelte van het vleugeldek zijn zwart met scherp afstekende bleekgele veerzomen. Langwerpige schoudervlekken fluweelachtig zwart. Buitenste vleugeldekveertjes vanaf de vleugelbocht en verder langs de gehele vleugel violetblauw. Grote vleugelpennen zwart met donkerblauwe buitenvlag. De veren van onderrug, stuit, bovenstaartdek, keelstreek, borst, buik, flanken, dijen en anaalstreek zijn bleekgeel met zwarte veerzoompjes, wat resulteert in een fraaie schubtekening op deze veervelden, in het bijzonder op borst buik en flanken.

Onderstaartdekveren scharlakenrood. Bovenzijde middelste vier staartpennen donkerblauw, overgoten met een groenachtig waas aan de veerbasis; overige trapsgewijs verlopende staartpennen bleekvioletblauw met aan de uiteinden een witte omzoming. Snavel grijsachtig wit. Oogiris donkerbruin. Poten grijs, nagels grijszwart.

De pop is moeilijk van de man te onderscheiden. Vaak heeft de pop een iets kleinere en rondere kopvorm, maar zekerheid omtrent het geslacht geeft dit niet. Soms is de kopkleur doffer zwart, soms ietwat bruinachtig zwart.

Algemene info

Het aantal Brown rosella’s is in liefhebberskringen bescheiden. Dat heeft niet alleen te maken met de vrij hoge aanschafprijs, maar vooral omdat deze rosellasoort in herfst of vroege winter begint te broeden met alle problemen die daaruit voortvloeien. Alleen geschikt voor ervaren vogelhouders.

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II, echter geen administratieplicht.

Gedrag

De minst sterke rosellasoort, gevoelig voor ons klimaat in herfst en winter; temperamentvolle en agressieve territoriumverdediger; kieskeurig in de partnerkeuze; zeer bewegingsactief; niet luidruchtig; tamelijk schuw; gevoelig voor neststoringen; niet bijzonder knaaglustig; baden graag; komen veel op de grond en scharrelen graag rond op de bodem van de volière.

Huisvesting en verzorging

Ongeschikt voor verblijf in kooi. Koppelsgewijs huisvesten in ruime buitenvolière; minimale afmetingen (lxbxh) 6 x 1 x 2 m met aansluitend binnenverblijf van minimaal 2 x 1 x 2 m dat in het koude jaargetijde op minimaal 10° C en gedurende de broedperiode op 20° C gehouden moet worden. Geen soortgenoten of andere rosellasoorten pal naast elkaar plaatsen. Regelmatig verse knaagtakken geven. Dagelijks vers badwater verstrekken, laten zich ook graag beregenen, eventueel regeninstallatie aanbrengen. Regelmatig op wormen controleren en zonodig wormkuur geven.

Voeding

Als basisvoer kan men een zaadmengsel geven van de volgende samenstelling: 48% La Plata millet; 6% rode millet; 6% witzaad; 8% boekweit; 4% negerzaad; 4% hennep; 4% padi (ongepelde rijst); 4% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 8% zonnebloempitten. Verder eivoer (gerantsoeneerd), allerhande groenvoer, vooral halfrijpe graszaden, halfrijpe onkruidzaden, appel, rozenbottels en wortel. Dagelijks vers drinkwater, maagkiezel en grit.

In de broed- en ruitijd worden dezelfde zaden aangeboden maar zijn de percentages als volgt: 30% La Plata millet, 4% rode millet; 12% witzaad; 6% boekweit; 8% negerzaad; 4% hennep; 4% padi; 8% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 16% zonnebloempitten. Dagelijks ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels op willen nemen. Eivoer eventueel rul maken met gekiemd zaad of geraspte wortel; voorts in melk geweekt oud bruinbrood en gekiemd zaad verstrekken

Fok

Lukt regelmatig, maar is en blijft moeilijk. Het grootste probleem is het samenstellen van een goed harmoniërend koppel. Lang niet elke man accepteert de pop die wij voor hem hebben uitgezocht. Dat geldt in het bijzonder voor mannen die al eens gepaard zijn geweest en hun vorige pop om de een of andere reden verloren hebben. De beste methode een harmoniërend koppel te krijgen is, een aantal onverwante, jonge vogels in een grote volière samen te brengen en de vogels zelf hun partner te laten uitkiezen. Zodra de keuzes gemaakt zijn, kan men de koppels in aparte volières onder brengen. Brown rosella’s zijn geslachtsrijp op de leeftijd van 2 jaar. Wanneer er in de aanloop naar het broedseizoen vechtpartijen ontstaan, moet u onmiddellijk maatregelen nemen: man kortwieken of een tijdje apart zetten, wanneer niets ondernomen wordt is de kans groot dat de man de pop afmaakt. Plaats steeds de man bij de pop en niet omgekeerd. Deze vogels broeden in broedblokken van ongeveer 22 cm doorsnede of nestkasten van 20 x 20 cm en een hoogte van 60 cm; diameter invlieggat 6-7 cm. Op de bodem een ca. 5 cm dikke laag vermolmd hout aanbrengen. Het verdient aanbeveling onder het broedblok een warmteplaatje aan te brengen om te kunnen bij verwarmen als er jongen zijn. Het verlengen van de dag gedurende de donkere herfst- en wintermaanden met behulp van kunstlicht is een must, wanneer we met deze vogels willen fokken; verlichtingsduur gedurende de fokperiode ongeveer 16 uur per dag. De eieren worden om de andere dag gelegd; legselgrootte gewoonlijk 2-4 eieren, een enkele keer worden 5 eieren gelegd. Niet zelden zijn de eieren onbevrucht. Meestal komt dit doordat man en pop niet gelijktijdig in de juiste broedstemming zijn, mogelijk speelt ook het koude jaargetijde een rol. Wanneer de eieren onbevrucht zijn kan men ze als dat vaststaat beter direct wegnemen. Men heeft dan een goede kans dat de pop opnieuw begint te leggen en de eieren dan wel bevrucht zijn. De pop broedt alleen; broedduur 20 dagen; nesttijd 5 weken. Aanbevolen ringmaat 5,4 mm. In tegenstelling met andere rosellasoorten is de Brown rosella nogal gevoelig voor neststoringen. Bij nestcontrole dient men zeer omzichtig te werk te gaan, teneinde te voorkomen dat de pop het legsel voorgoed verlaat. Het beste is nestcontrole toe te passen als de pop voor korte tijd het nest verlaten heeft. Geef daarom het nestblok een zodanige plaats dat u er gemakkelijk bij kunt en zo weinig mogelijk onrust veroorzaakt. De eerste dagen na het uitvliegen zijn de jongen erg schuw en schrikachtig en vliegen overal tegenaan, zodat de kans op letsels groot is; kopse kant van de volière met dennentakken of brem afdekken. Gewoonlijk zijn de jonge vogels na veertien dagen zelfstandig, maar als ze niet door de man vervolgd worden, kunnen ze gerust nog veertien dagen langer bij de ouders blijven. Zelden beginnen de oudervogels nog aan een tweede broedsel. Wanneer dat wel het geval is, de jongen direct uitvangen en apart te zetten.

Mutaties: geen

Tekst: H.W.J. van der Linden

E-mail: hvdlinden@gmx.net