Genus NORTHIELLA (Gould, 1845)

ROODBUIKPARKIETEN

 

Northiella haemathonotus (Gould, 1838)

Yellow-vented bluebonnetparkiet

Herkomst: Het binnenland van Zuidoost- en Zuid-AustraliŽ.

 

Soortbeschrijving

Formaat: ongeveer 30 cm.

Man en pop: voorhoofd en masker diep glanzend blauw, de wangstreek een nuance lichter getint. De veren van de oorstreek tonen een asgrijs streeppatroon. Bovenschedel, achterkop, nek, mantel, rug en halszijden grijsachtig olijfbruin, op keel en bovenborst overgaand in een ietwat gewolkt en meer geelachtig aandoende olijfbruine kleur. Borst, flanken en anaalstreek zijn geel. De kleurscheiding loopt ter hoogte van de vleugelbocht dwars over het midden van de borst. Centraal op het onderlichaam bevindt zich een variabele bloedrode vlek, die zich uitstrekt tot tussen de poten en vandaar tot over de dijen. De afzonderlijke veertjes van het bloedrode veerveld zijn min of meer geel omzoomd, wat het rood een enigszins geschubd aanzien geeft. Dit schubeffect is bij de pop sterker aanwezig dan bij de man. Het centrale vleugeldek is grijsachtig olijfbruin; de binnenste kleine vleugeldekveertjes en middelste vleugeldekveren zijn helder olijfkleurig en vormen een duidelijk waarneembare vleugelbalk. Vleugelbocht, duimveertjes, primaire vleugeldekveren, onderzijde vleugelrand en de buitenvlaggen van de grote vleugelpennen diep violetblauw. Stuit en bovenstaartdekveren olijfkleurig. Bovenzijde primaire staartveren bronsgroen, overgoten met een blauwachtig waas; onderzijde grijszwart. Bovenzijde trapsgewijs verlopende staartpennen blauw met vuilwitte uiteinden; onderzijde grijs met vuilwitte uiteinden. Onderstaartdekveren zuiver geel. Donkere ogen met grijsbruine iris. Snavel grijsachtig hoornkleurig. Poten grijs; nagels donkergrijs De volwassen pop lijkt op de man, maar is gewoonlijk wat kleiner van bouw, heeft over het algemeen een smallere bovensnavel en is iets minder rood bevederd op de buik. Ook de blauwe kleur van het masker is matter en loopt meestal niet zo ver door als bij de man. Bijna alle volwassen poppen hebben een witte streep aan de onderzijde van de vleugels.

 

Ondersoorten

N. h. haematogaster (Gould, 1838)

Yellow-vented Blue Bonnet

Verspreidingsgebied: Zuidwest-Queensland, het westen en zuiden van Nieuw-Zuid-Wales, het noordwesten van Victoria en het oosten van Zuid-AustraliŽ.

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm

 

N. h. haematorrhous Gould

Red-vented bluebonnetparkiet

Verspreidingsgebied: Het zuiden van Queensland en het noorden van

Nieuw Zuid-Wales.

Deze ondersoort lijkt in grote trekken op het nominaatras, maar is iets groter; lengte ongeveer 31 cm. Kenmerkend voor de Red-vented zijn de rood gekleurde onderstaartdekveren en de kastanjerode vleugelbalk op de vleugels. Het rood van de buikvlek is bovendien uitgebreider dan van de Yellow-vented en loopt door tot op de dijen. De schouderdekveertjes en buitenste kleine vleugeldekveertjes van de Red-vented zijn turquoisekleurig in plaats van violetblauw.

De pop van de Red-vented is over het algemeen doffer van kleur dan de man. Minder grote en minder diep gekleurde rode buikvlek. Het blauw van het masker is matter en minder uitgebreid dan bij de man.

 

N. h. narethae H.L. White

Narethae bluebonnetparkiet

Verspreidingsgebied: Het zuiden van West-AustraliŽ aan de westkant van de Nullarbor Vlakte.

De lengte van deze ondersoort is 27 Š 28 cm. Voorhoofd, teugels en de streek vlak boven de ogen groenachtig blauw, de wangen en de kin mat violetblauw. De veertjes van de oorstreek tonen een geelachtig grijs streeppatroon. De kleur van bovenschedel, achterkop, nek, mantel en rug komt vrijwel overeen met het nominaatras, maar lijkt wat meer gewolkt. Halszijden en bovenborst blauwgrijs-pastel, in het midden gewolkt en geelgrijs doorschijnend. Borst, buik, dijen en anaalstreek diep geel, op de flanken overgaand in lichtbruingrijs. Het centrale vleugeldek is grijsachtig olijfkleurig, de vleugelboeg en schouders zijn groenachtig blauw gevolgd door een scharlakenrode schoudervlek; middelste vleugeldekveren helder olijfgeel. Stuit en bovenstaartdekveren olijfgeel, onderstaartdekveren rood. Bovenzijde primaire staartveren olijfkleurig, naar de punt toe overgaand in donkerblauw. Voor het overige als het nominaatras. De pop is over het geheel genomen wat matter van kleur. Dit is nog het best te zien aan de blauwe kleur van het masker, de rode schoudervlekken en de gele buikkleur.

 

N. h. pallescens Salvadori

Bleke bluebonnetparkiet

Verspreidingsgebied: Het Eyre-meer bekken, Zuid-AustraliŽ.

Deze ondersoort lijkt nog het meest op het nominaatras, maar de kleur van rugdek, borst, buik en onderlichaam is beduidend fletser. De vleugelbalk van deze ondersoort is olijfgeel.

 

Biotoop

De Blue Bonnet is een bewoner van droge struiksteppen en steppen begroeid met mulga en spinifex-gras, van halfwoestijnen, maar ook van graslandschappen met hier en daar wat boomgroei en verspreid staand dicht struikgewas.

Het nominaatras, Northiella h. haematogaster, bewoont de droge struiksteppen van Zuidoost-AustraliŽ, waar hij een voorkeur heeft voor bepaalde boomsoorten als Myoporum platycarpum, een sandelboomachtige, en boomsoorten van de familie Casuarinaceae. Ook treft men deze vogels aan op open vlakten begroeid met eucalyptus struiken en langs waterlopen.

De Northiella h. haematorrhous leeft in wat vochtiger streken dan het voorgaande ras te midden van een wat rijkere plantengroei. Deze ondersoort heeft een voorkeur voor graslandschappen en open vlakten met struiken en hier en daar wat hogere boomgroepen.

De Northiella h. pallescens bewoont een zeer droog gebied en kan als een uitgesproken woestijnras beschouwd worden. De lichtere kleuren van deze ondersoort - in vergelijking met de overige rassen - bevestigen de wetmatigheid van de zgn. regel van Glogor, volgens welke de lichte rassen van een soort in droge streken, de donkere in vochtige streken leven. In overeenstemming hiermee is het feit, dat de gepigmenteerde veervelden van vele nauw met elkaar verwante soorten er in vochtige streken zwart uitzien, in droge streken grijs. Dit verschijnsel hangt samen met de concentratie van het melanine, de meest voorkomende kleurstof bij de vogels.

Het woongebied van de Northiella h. narethae is door 600 km woestijn geheel van de overige Bluebonnet rassen gescheiden. Het is een betrekkelijk klein, zeer droog en dor gebied, begroeid met grassen, kruiden en laagblijvend struikgewas, hier en daar afgewisseld met groepen acacia's, die ook bij extreme droogte nog kunnen gedijen.

 

Status wildpopulatie

In de meeste gebieden veelvoorkomend; narethae heeft zijn verspreidingsgebied in oostelijke richting zelfs uitgebreid.

 

Leefwijze

De leefwijze van de bluebonnet wijkt nauwelijks af van de alom bekende roodrugparkiet (Psephotus haematonotus). In de vrije natuur leven ze paarsgewijs of - na de broedtijd - ook wel in kleine familiegroepen van acht tot tien stuks. Hun voedsel bestaat uit gras- en onkruidzaden en zaden van kruidachtige bomen en struiken. Vooral de zaden van Atriplex vesicarum en Kochia sedifolia zijn bijzonder in trek. Vruchten, bessen, bloesems en nectar wordt eveneens graag genomen. Het foerageren gebeurt meestal op de grond, in de schaduw van bomen of struiken.Man en pop zoeken samen naar een geschikte nestplaats in een holle tak of stam. De vogels broeden gewoonlijk dicht bij de grond. Vaak worden afgestorven bomen uitgekozen. Niet zelden wordt gebruikt gemaakt van een omgewaaide boom. De nestholte is vrij diep, tenminste 60 cm, maar erg nauw, gemiddeld ongeveer 12 cm. De natuurlijke broedtijd valt tussen augustus en december; meer in het binnenland richten de vogels zich uitsluitend naar de regenperiodes en worden ook buiten deze maanden broedende vogels aangetroffen. Het schijnt dat bluebonnets slechts een keer per seizoen broeden. De grootte van het legsel varieert van vier tot negen eieren, meestal zijn het er echter vijf. Alleen de pop broedt. Broedduur 21 dagen.

 

Algemene informatie

De bluebonnetparkieten waren meer dan honderd jaar ingedeeld in het genus Psephotus. Op grond van diverse verschillen ten opzichte van de psephotussoorten zijn ze thans ingedeeld in het afzonderlijke genus Northiella.

De red-vented wordt thans het meest door de liefhebbers van Australische parkieten gehouden De raszuivere yellow-vented is nog vrij schaars terwijl de Narethae nog tot de zeldzaamheden behoort. De bleke blue-bonnet ten slotte komt waarschijnlijk niet in raszuivere vorm in Europese collecties voor.

Er zijn vrij veel rasonzuivere yellow-vented bluebonnets in omloop als gevolg van kruisingen met de red-vented. Vogels die enig rood in de onderstaartdekveren tonen zijn niet raszuiver. Bij aankoop goed letten op raskenmerken!

Het eerste broedresultaat met het nominaatras dateert van 1878, Frankrijk. Met de red-vented werd in 1878 voor het eerst gefokt in BelgiŽ. Het eerste broedresultaat met de Narethae kwam in AustraliŽ zelf tot stand in 1941.

 

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep Lijst II

 

Gedrag

Yellow- en red-vented zijn sterke vogels, die wel tegen een stootje kunnen, de Narethae kan niet tegen vochtige kou, zoals we die in onze omgeving in de herfst en wintermaanden kennen. Blue-bonnets zijn nogal wispelturig van aard. Het grootste minpunt is hun agressiviteit en wat dit betreft zijn ze waarschijnlijk ook het meest agressief van alle Australische parkieten. Vooral de mannelijke exemplaren hebben op dit gebied een slechte naam. Men kan blue-bonnets dan ook niet met andere vogels samen houden, zelfs niet met grotere vogels. Menigmaal toont de man ook agressief gedrag tegenover de eigen pop, een voliŤre met wat uitwijkmogelijkheden voor de pop is aan te bevelen. Anderzijds zijn het zeer levendige en speelse vogels. Brengen veel tijd op de grond door en scharren veelvuldig in het zand; matige knagers; baden vaak en uitbundig. Het geluid dat ze voortbrengen bestaat uit een snel achtereen uitgebracht tweelettergrepige roep afgewisseld met zachte fluittonen, waaraan zich niemand zal storen.Wanneer ze opgewonden zijn zetten zowel de man als de pop de kopveren op, zodat het lijkt of ze een kuifje hebben; dit oprichten van de kuif is bijzonder opvallend tijdens de balts van de man.

 

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs onderbrengen in ruime voliŤre van minimaal (lxbxh)3 x 1 x 2. Hierbij komt dan nog een kleine vorstvrije binnenruimte van ca. 1 m2, die indien nodig enigszins verwarmd moet kunnen worden. Dit laatste is beslist geen luxe omdat blue-bonnets vaak vroeg in het jaar met broeden beginnen; omstreeks half februari is voor deze vogels heel gewoon en dan kan het in ons land nog behoorlijk koud zijn.Vandaar ook dat de broedblokken altijd in de binnenruimte moeten worden opgehangen.Het is bovendien raadzaam de behuizing van deze vogels zodanig in te richten dat ze hun naaste buren niet kunnen belagen. Het aanbrengen van dubbel gaas is min of meer een must, ook al doen we in de aangrenzende voliŤres geheel andere vogelsoorten. Als nestgelegenheid worden het liefst natuurbroedblokken genomen, ongeveer 50 cm hoog, binnenwerkse diameter 15-18 cm; doorsnede van het invlieggat ca. 5 cm, maar liever niet groter want de pop geeft de voorkeur aan een invlieggat waar ze zich als het ware door moet wurmen om in het nest te komen. Sommige fokkers dekken het invlieggat voor een gedeelte af met een stuk boomschors, zodat de pop het invlieggat zelf op de door haar gewenste maat kan knagen. Deze methode die zeer broedstimulerend werkt bij grasparkieten, zoals ik uit eigen ervaring weet, beÔnvloedt ook de broedstemming van de blue-bonnet in positieve zin.

De vogels regelmatig verse knaagtakken aanbieden van wilg, berk of onbespoten fruitbomen. Elke dag zorgen voor een schaal met fris badwater.

Aangezien deze vogels veel op de grond komen, doet men er goed aan de vogels ten minste tweemaal per jaar een wormkuur toe te dienen.

 

Voeding

Als basisvoedsel kan men de volgende samenstelling aanhouden: 48% La Plate millet; 6% rode millet; 6% witzaad; 8% boekweit; 4% negerzaad; 4% hennep; 4% padi (ongepelde rijst); 4% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 8% zonnebloempitten. Tijdens de broedperiode en in de ruitijd kan men dezelfde zaden nemen, maar worden andere percentages gehanteerd: 30% La Plate millet; 4%

rode millet; 12% witzaad; 6% boekweit; 8% negerzaad; 4% hennep; 4% padi; 8% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 16% zonnebloempitten. Daarnaast verdient het aanbeveling het gehele jaar eivoer te verstrekken. In de broed- en ruiperiode ongelimiteerd, d.w.z. zoveel de vogels willen opnemen, gedurende de rest van het jaar tweemaal per week.

Als bijvoeding kunnen we een stukje appel, wat rozenbottels of lijsterbessen, een weinig groenvoer, halfrijpe graszaden, kolfmaÔs of een beetje gekiemd zaad aanbieden. Het verstrekken van groenvoer en kiemzaad dient echter met mate te geschieden.

Ten aanzien van het voeren van lijsterbessen, halfrijpe zaden en dergelijke uit de diepvries nog het volgende. Zorg ervoor dat de zaden en vruchten tenminste een dag ontdooid zijn. Wees tijdens winters weer zeer voorzichtig met het voeren van ingevroren lijsterbessen en bessen van de vuurdoorn, dit ter voorkoming van

diarree.††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††

Verder mogen grit, scherpe maagkiezel, verse knaagtakken en drinkwater natuurlijk nooit ontbreken.

 

Fok

De fok met de blue-bonnets lukt regelmatig, maar de broedresultaten verschillen per ondersoort; met de red-vented wordt vrij vaak gebroed, met de narethae zelden, met de yellow-vented regelmatig. Het behalen van broedresultaten met deze vogels gaat echter niet altijd van een leien dakje. Grootste probleem is het samenstellen van een harmoniŽrend koppel. Vogels die als jonge vogel zelf hun partner hebben kunnen uitzoeken, blijken als broedpaar het meest succesvol te zijn. Blue-bonnets komen als regel een jaar naar hun geboorte al in broedstemming, maar niet onvermeld mag blijven dat bij dergelijke jonge fokparen de eerste legsels vaak onbevrucht zijn. Menigmaal komen de vogels al in januari of februari in broedstemming, maar in de meestel gevallen vanaf maart. Het legsel varieert van drie tot vijf eieren, soms zes, die om de andere dag gelegd worden. De pop begint meestal vanaf het derde ei te broeden en broedt alleen, broedduur 21 dagen. Gedurende de broedtijd voert de man de pop op het nest. Als de eieren uitkomen, worden de jongen door beide ouders gevoerd. Gedurende de eerste drie weken zijn de jongen bedekt met een dicht donskleed, daarna beginnen de eerste veertjes door te komen. Als de jongen ongeveer 14 dagen oud zijn moeten ze geringd worden; ringmaat 5 mm, na vijf weken vliegen ze uit. Ongeveer drie weken later zijn de jongen geheel zelfstandig. Meestal blijft het bij een broedsel per seizoen. Er zijn echter gevallen bekend dat tweemaal gebroed wordt, dit zijn echter uitzonderingen. Houd de oudervogels als de jongen uitgevlogen zijn goed in de gaten, zodat men bij agressief gedrag of als de jongen geplukt worden meteen in kan grijpen.††††††††††††††††

Zoals bij vele parkietensoorten het geval is, gedragen pas uitgevlogen blue-bonnets zich vrij onbeholpen. Wanneer ze ergens van schrikken kan het zelfs voorkomen dat ze zich tegen het voliŤregaas te pletter vliegen. Dergelijke ongevallen kunnen we voorkomen door tegen de voorkant aan de binnenzijde van de vlucht takken te plaatsen zodat de jonge vogels de begrenzing van hun vliegruimte beter kunnen zien.

Jonge blue-bonnets zijn in hun eerste levensjaar vrij gevoelig voor de zogenaamde kinderziekten, zoals kouvatten, diarree, wormen, leveraandoeningen en problemen met de rui. Uiterste hygiŽne betrachten en het weren van vocht en tocht zijn de eerste vereisten dergelijke aandoeningen te voorkomen.

Het fokken met de red-vented en de narethae komt overeen met dat van de yellow-vented.

 

Mutaties

Er is een melding van een gele mutant van de yellow-vented in de vrije natuur. Van de red-vented is een pastelvorm bekend; deze ziet eruit als een opgebleekte normale red-vented. De verervingwijze van beide mutaties is niet bekend.