Genus EOLOPHUS Bonaparte, 1854

ROSEKAKETOES

Eolophus roseicapillus (Vieillot, 1817)

Rosékaketoe

 

Soortbeschrijving

Formaat: ongeveer 35 cm.

Man en pop: voorhoofd, kuif en achterhoofd tonen een mengeling van wit en bleekroze (veerbasis bleekroze). Zijden van de kop en nek zijn rozerood, keel, borst buik, flanken en buik meer roze. Mantel, vleugeldek en grote vleugelpennen grijs, de stuit- en secundaire vleugeldekveertjes beduidend lichter grijs. Onderbuik, dijen en anaalstreek zijn bleekgrijs evenals de onderstaartdekveren. Grote staartveren donkergrijs. Rondom de ogen bevindt zich een wratachtig aandoende, roodachtig getinte onbevederde oogring. Snavel hoornkleurig. Poten grijs; nagels donkergrijs.

De oogiris van de volwassen man is donkerbruin tot bruinzwart gekleurd, die van de volwassen pop roodbruin

 

Ondersoorten

Eulophus r. assimilis (Mathews, 1912)

Westelijke rosékaketoe

Ook: bleke rosékaketoe

Verspreidingsgebied: het westen van Zuid-Australië.

Kenmerken: man en pop: onderscheidt zich van de nominaatvorm door een fletsere lichaamskleur, maar dieper roze gekleurde kuifveren. Bovendien is de onbevederde oogring van deze ondersoort grijsachtig wit gekleurd.

Eolophus r. roseicapillus (Vieillot, 1817)

Verspreidingsgebied: Oost-, Centraal- en Noord-Australië.

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

Algemene info

Zeer gewilde volièrevogel. Ook zeer geschikt voor de liefhebber die met het fokken van kaketoes wil beginnen.

In het thuisland Australië geldt de rosé als de meest populaire kooivogel. In Europa is de vogel vanwege zijn hoge prijs vrijwel uitsluitend als volièrevogel bekend, waarbij de fok voorop staat.

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II.

Gedrag

Aangename rustige volièrevogel. Weinig agressief in vergelijking met de meeste andere kaketoesoorten. Ook minder luidruchtig. Laten zich alleen ís morgens en ís avonds even horen en zijn daarom, als men hiermee rekening houdt ook geschikt om in de bebouwde kom gehouden te worden. Sterke knager, met de bouw van de volière hiermee rekening houden. Vliegen graag, maar scharrelen ook veel rond op de volièrebodem. Vrij broedlustig.

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in volière met aansluitend nachthok. In verband met de enorme snavelkracht van deze vogels is het noodzakelijk de vlucht van metaal en zwaar gaas (draaddikte 2 à 3 mm) te bouwen; volièregrootte minimaal (lxbxh) 4 x 1,50 x 2 m. Het nachthok kan men het beste van steen maken; grootte 1 x 1,50 x 2 m. Voorts is het zaak het nachthok zo in te richten dat dit gedurende de wintermaanden enigszins verwarmd kan worden zodat het er vorstvrij blijft. De vogels mogen dus in het koude jaargetijde gerust naar buiten als er maar een mogelijkheid is dat ze de vrieskoude kunnen ontlopen.

Deze vogels baden gewoonlijk niet, maar zijn van tijd tot tijd wel gesteld op een regenbad; regeninstallatie aanbrengen. Verse takken en twijgen met blad van berk of knotwilg (geen treurwilg) mogen niet ontbreken. Het regelmatig verstrekken van verse takken stimuleert tevens de broeddrift.

De rosé is zeer wormgevoelig (spoel- en haarwormen), minstens tweemaal per jaar wormkuur geven.

Voeding

Het voedsel moet veelzijdig zijn en vooral niet te vet! Als basis kan men een zaadmengsel geven van boekweit, gerst, haver, tarwe, sorghum, padi, diverse gierst en milletsoorten, witzaad, zonnebloem- en saffloerpitten en een weinig hennep. Buiten de broedtijd tenminste tweemaal per week een weinig eivoer rul gemaakt met katjang idjoe aanbieden. Dagelijks wat groente, zoals rode wortelen, ook rode bieten, komkommer, of selderij. Een weinig appel, sinaasappel of wat ander fruit horen eveneens op het menu thuis. Enkele malen per week kunnen een stukje kolfmaïs, wat kiemzaad in de vorm van mungobonen of een kleine hoeveelheid verse onkruidzaden aangeboden worden. Dagelijks vers drinkwater, maagkiezel en grit verstrekken.

Tijdens de broedtijd elke dag eivoer geven, zoveel als de vogels op willen nemen. Dierlijk eiwit verstrekken.

Fok

Met de rosé wordt regelmatig gefokt. Een probleem is het samenstellen van een koppel. Om zekerheid te hebben of men wel een koppel bezit moet men de vogels endoscopisch laten onderzoeken. Men kan dan tevens vaststellen of de dieren gezond en geslachtsrijp zijn. Het seksen aan de hand van de iriskleur is nogal dubieus; het kleurverschil is niet altijd duidelijk zichtbaar, bovendien hebben jonge vogels dezelfde iriskleur, namelijk bruin.

Rosékaketoes zijn geslachtsrijp op een leeftijd van 3 jaar. Meestal gaan ze dan ook tot broeden over. Deze vogels hebben een duidelijke voorkeur voor natuurbroedblokken, maar in zelfgemaakte broedkasten is ook wel met succes gefokt. Zoals gezegd, een natuurstam, best van hardhout, als broedblok heeft de voorkeur; afmetingen 70 à 90 cm hoog; binnenwerkse diameter ca. 35 cm; wanddikte 10 tot 12 cm; doorsnede invlieggat 8 à 9 cm. Als de vogels de nestingang te klein vinden, maken ze het zelf wel groter. Blok in de binnenvolière ophangen en wel zo, dat de vogels er nog bovenop kunnen zitten. Op de bodem een laag vermolmd hout aanbrengen of een laag boshumus vermengd met krullen van vuren- of populierenhout.

Vaak begint het broedseizoen al in maart. Het blok wordt in gereedheid gebracht met het afknagen van de binnenwand. Sommige paren dragen wat takken en groene bladeren of plantendelen in het nest. Spoedig daarna volgen de eerste paringen. Eind april begin mei begint de pop met de leg, soms al wat eerder. Gewoonlijk worden twee tot vijf eieren gelegd, gewoonlijk om de andere dag, echter ook wel met een tussenpoos van twee dagen; beide oudervogels broeden afwisselend, broedduur 24 dagen. De jongen worden vanaf het begin door beide ouders gevoerd, nesttijd 6 tot 8 weken; ringmaat 9 mm. Als de jongen uitvliegen lijken ze op de ouders, maar zijn wat matter van kleur. De onbevederde oogring is overwegend grijs van kleur met een lichte roze waas. Na het uitvliegen worden de jongen nog zeker vijf weken door de oudervogels verzorgd. Het is erg belangrijk de jongen niet te vroeg bij de ouders weg te halen omdat er een zeer sterke familieband bestaat en de sociale scholing bij deze vogels een bijzondere rol speelt.

Als mocht blijken dat de jongen na het uitkomen niet goed gevoerd worden, kan men de jongen bij een paar goed voerende valkparkieten (Nymphicus hollandicus) onderleggen. Valkparkieten hebben dezelfde manier van voeren als rosékaketoes. Zijn er meer dan twee jongen, dan is het wel zaak de jongen dagelijks te controleren en zonodig handmatig bij te voeren.

Kaketoes zijn zeer gevoelig voor veranderingen. Laat na het broedseizoen het broedblok gewoon hangen. Barricadeer het invlieggat desnoods met een stuk rondhout, maar verander verder niets.

Mutaties

Van de rosékaketoe is een ino-mutatie bekend, deze vererft vermoedelijk geslachtsgebonden recessief.

Tekst: H.W.J. van der Linden

E-mail: hvdlinden@gmx.net