Genus APROSMICTUS (Gould, 1843)

ROODVLEUGELPARKIETEN

Aprosmictus erythropterus (Gmelin, 1788)

Roodvleugelparkiet

Soortbeschrijving

Formaat 32 cm.

Man: algemene lichaamskleur stralend lichtgroen, het gehele onderlichaam inclusief de onderstaartdekveren iets lichter en ook iets geler van tint; het groen op kruin en achterkop iets blauw bewaasd. Mantel en bovenrug zijn zwart; de onderrug is ultramarijnblauw, de stuit een nuance lichter blauw; bovenstaartdekveren als onderlichaam. De kleine, middelste en secundaire vleugeldekveren zijn helderrood, de schouderdekveren zwart met groene gloed; hand- en armpennen alsmede de tertiaire vleugelveren donkergroen; vleugelbocht en ondervleugeldekveren bleekgroen. Bovenzijde grote staartveren donkergroen met gele tippen; onderaanzicht grijszwart met geelwitte tippen. Snavel lichtrood met gele punt. Oogiris bruinrood. Poten grijs; nagels grijszwart.

Pop: algemene lichaamskleur dof groen, het onderlichaam meer geelachtig groen. Mantel, bovenrug en vleugeldek zijn donkergroen, de vleugeldekveertjes tonen een vage geelgroene omzoming; het rood is beperkt tot de meest buitenste vleugeldekveertjes (vleugelzoom). Onderrug en stuit zijn bleekblauw. Onderzijde staartveren donkergrijs met geelwitte tippen, de secundaire staartveren tonen op de binnenvlag bovendien een vaal roze zoom. Voor het overige als de man.

Ondersoorten

Aprosmictus e. coccineopterus (Gould, 1865)

Kleine roodvleugelparkiet

Verspreidingsgebied: Noord-Australië en enkele voor de kust liggende eilandjes, alsmede het kustgebied van Zuid-Nieuw-Guinea.

Kenmerken: formaat ca. 30 cm.

Man: als de nominaatvorm, maar algemene lichaamskleur iets lichter groen, het groen van kruin en achterkop toont een zwaar blauw waas; het zwart van mantel en bovenrug toont en groene gloed.

Pop: het groen is een nuance lichter en doffer van tint dan dat van de nominaatvorm, in het bijzonder op het bovengedeelte van het rugdek.

 

Aprosmictus e. erythropterus (Gmelin, 1788)

Verspreidingsgebied: Oost-Australië.

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

 

Aprosmictus e. papua Mayer & Rand

Verspreidingsgebied:: kustgebied van Zuid-Nieuw-Guinea.

Kenmerken: man nagenoeg gelijk aan coccineopterus, maar het zwart van schouderdek en mantel is groen bewaasd.

Pop: niet van coccineopterus te onderscheiden.

Omstreden ondersoort; wordt tegenwoordig door de meeste ornithologen niet meer als zodanig erkend.

 

Algemene info

Wordt relatief vaak bij de liefhebbers aangetroffen, doch beduidend minder dan bijv. de gewone psephotus-, platycercus-en polytelissoorten. Geschikt voor liefhebbers die al wat ervaring met de wat minder kostbare Australische soorten hebben opgedaan.

Zowel met de nominaatvorm als met de ondersoort coccineopterus wordt in gevangenschap gefokt. Helaas, zijn er heel wat rasonzuivere roodvleugels in omloop als gevolg van kruisingen van A. e. erythropterus en A. e. coccineopterus. Bij aankoop goed letten op raskenmerken!

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II, echter geen administratieplicht, ook niet voor de ondersoorten.

Gedrag

Aangename en rustige volièrevogel, die best tegen een stootje bestand is en vrij oud kan worden, 20 jaar en meer. In ruime volière tonen ze zich zeer beweeglijk, in een te kleine behuizing zitten ze vaak bewegingsloos en maken een trage en trieste indruk. Ze kunnen goed tegen ons klimaat, maar zijn gevoelig voor vorst; vallen doorgaans vroeger in de rui dan de meeste andere Australische parkieten; sommige mannen zijn in de broedtijd agressief tegenover pop; geen knagers; niet luidruchtig, brengen een metaalachtig geluid voort, bij onraad uiten ze een reeks harde kreten; behoefte om te baden gering, laten zich wel graag nat regenen; scharrelen veel rond op de bodem van de volière.

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in buitenvolière, minimale afmetingen (lxbxh) 4 x 1,5 x 2 m met aansluitend nachthok (1 x 1,5 x 2 m), waarin het s winters tenminste vorstvrij blijft en waarin tijdens het fokseizoen ook het broedblok kan worden geplaatst. Niet geschikt om in een kooi te houden. Wel kan men ze buiten de broedtijd in een ruime volière samenhouden met andere grote Australische parkieten. Het is beter geen roodvleugels, koningsparkieten of rosellasoorten pal naast elkaar te huisvesten want dan komt er waarschijnlijk van broeden weinig terecht.

Hoewel roodvleugels over het algemeen niet knaaglustig zijn en weinig baden, moet men regelmatig verse wilgen- of fruitboomtakken (onbespoten) geven en ook gelegenheid geven te baden; deze vogels laten zich wel graag beregenen; eventueel regeninstallatie aanbrengen. Regelmatig op wormen controleren en zonodig wormkuur geven.

 

Voeding

Als basisvoer kan men een zaadmengsel geven van de volgende samenstelling: 48% La Plata millet; 6% rode millet; 6% witzaad; 8% boekweit; 4% negerzaad; 4% hennep; 4% padi (ongepelde rijst); 4% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 8% zonnebloempitten. Verder eivoer (gerantsoeneerd), allerhande groenvoer, vooral halfrijpe graszaden, halfrijpe onkruidzaden alsook muur paardenbloem herderstasje enz. , maar nooit in grote hoeveelheden, daarnaast appel, rozenbottels, paprika en wortel. Ook honingwater aangeboden in een drinkflesje wordt graag gedronken. Dagelijks vers drinkwater, maagkiezel en grit.

In de broed- en ruitijd worden dezelfde zaden aangeboden maar zijn de percentages als volgt: 30% La Plata millet, 4% rode millet; 12% witzaad; 6% boekweit; 8% negerzaad; 4% hennep; 4% padi; 8% gepelde haver; 6% tarwe; 2% lijnzaad; 16% zonnebloempitten. Dagelijks ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels op willen nemen, enkele keren per dag vers aanbieden. Eivoer eventueel rul maken met gekiemd zaad, of geraspte wortel; voorts in melk geweekt oud bruinbrood, geweekte maïs en gekiemd zaad verstrekken, ook trosgierst.

Fok

Lukt regelmatig. Voor de fok moeten de vogels ongeveer 3 jaar oud zijn, poppen zijn soms wel eens eerder geslachtsrijp, maar de mannen zeker niet, sommige mannen pas als ze 4 jaar oud zijn. Grootste probleem is het samenstellen van een harmoniërend paar. Bij voorkeur een aantal jonge vogels bij elkaar plaatsen en aan elkaar laten wennen. Zodra zich een koppel gevormd heeft, de vogels paarsgewijs onderbrengen. Op deze manier krijgt men natuurlijke broedparen en dat is altijd het beste.

Het broedseizoen van de roodvleugels begint al zeer vroeg. Half februari kunnende broedblokken al geplaatst worden. Deze vogels broeden in natuurstammen van ongeveer 25 cm doorsnede of nestkasten van 22 x 22 cm en een hoogte van 70 tot 200 cm; diameter invlieggat 9 à 10 cm. Op de bodem een laag vermolmd hout aanbrengen. Diepe broedblokken schuin ophangen of, indien het om zeer diepe blokken gaat, schuin op de grond plaatsen; bij gebruik van diepe blokken inspectieluikje aanbrengen. Ook is het aan te raden een verwarmingsplaatje in het broedblok te monteren en dit zodra er jongen zijn te ontsteken, de oudervogels verlaten al vrij vroeg het nest voor langere tijd en als het weer wat tegenzit kan dat funest zijn voor de jongen.

Wanneer de fokvogels vreemd voor elkaar zijn, steeds de man bij de pop zetten, nooit omgekeerd. Als de man de pop overdreven opjaagt, kan men ertoe overgaan de vleugelpennen van de man aan een zijde te korten, of de grote vleugelpennen om en om te korten zodat de pop haar eega gemakkelijker kan ontwijken. In extreme gevallen de man een tijdje in een aangrenzende volière onderbrengen. Eind maart begin april begint de pop gewoonlijk met de leg. De eieren worden om de andere dag gelegd, soms zit er een dag extra tussen; legselgrootte 3 à 6 eieren. De pop broedt alleen; broedduur 20 dagen; nesttijd ongeveer 5 weken; aanbevolen ringmaat 6 mm. Na het uitvliegen worden de jongen nog ongeveer 4 weken door de ouders gevoerd. Men kan de jonge vogels eventueel nog tot het volgende broedseizoen bij de ouders laten omdat roodvleugels het als regel na één broedsel voor gezien houden.

Mutaties

Bontvorm, wijze van vererving onbekend.

 

Aprosmictus jonquillaceus (Vieillot, 1818)

Timor roodvleugelparkiet

Soortbeschrijving

Formaat 35 cm.

Man: algemene lichaamskleur stralend geelachtig groen; mantel en bovenrug donkergroen, de afzonderlijke veertjes tonen een blauwe omzoming. Onderrug en stuit zijn blauw. De binnenste middelste vleugeldekveren en de kleine vleugeldekveren zijn geel, naar de veertoppen toe iets groen bewaasd; de buitenste middelste vleugeldekveren en grote vleugeldekveren zijn helderrood; de rest van de vleugels is groen, arm- en handpennen donkergroen; de vleugelbocht is blauw, de ondervleugeldekveren geelachtig groen. Bovenzijde grote staartveren groen met gele tippen; onderaanzicht donkergrijs met gele tippen, de secundaire staartveren tonen op de binnenvlag bovendien een gele zoom. Snavel lichtrood met gele punt. Oogiris oranje. Poten donkergrijs; nagels grijszwart.

Pop: als de man, maar de donkergroene veertjes van mantel en bovenrug missen de blauwe omzoming. De vleugelbocht is groen. De oogiris is iets donkerder, meer bruinachtig oranje.

Ondersoorten

Aprosmictus j. jonquillaceus (Vieillot, 1818)

Verspreidingsgebied: Timor (Indonesië)

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

 

Aprosmictus j. wetterensis (Salvadori, 1891)

Wetar roodvleugelparkiet

Verspreidingsgebied: Wetar (Indonesië)

Kenmerken: Formaat 34 cm.

Man: gelijkend op jonquillaceus, maar de binnenste middelste vleugeldekveren en de kleine vleugeldekveren zijn nagenoeg groen en slechts een weinig geel doorschijnend. Het rood op de vleugels is beduidend minder intensief.

Pop: gelijkend op jonquillaceus, maar vleugeldekveren zonder geel.

 

Algemene info.

Zeldzame volièrevogel. Timor en Wetar roodvleugelparkieten worden slechts zelden in particuliere collecties aangetroffen. Vogels voor zeer ervaren liefhebbers, die de bedoeling hebben ermee te fokken. De vogels die in het verleden naar Europa kwamen, hadden vaak last van lintwormen en het sterftecijfer was dramatisch hoog.

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II.

Gedrag

Komt overeen met dat van A. erythropterus, maar is nog wat meer gevoelig voor kilte en vorst; roep minder schel klinkend. Goed geacclimatiseerde en in gevangenschap geboren vogels hebben een vrij sterk gestel.

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in buitenvolière, minimale afmetingen (lxbxh) 5 x 1,5 x 2 m met aansluitend nachthok (1 x 1,5 x 2 m), waarin het s winters een temperatuur van tenminste 5 C heerst en waarin tijdens het fokseizoen ook het broedblok kan worden geplaatst; geen paren koningsparkieten, roodvleugels of rosellasoorten in de naastgelegen volières onderbrengen. Pas ingevoerde vogels moeten met zorg geacclimatiseerd worden in een verwarmde binnenvolière. Tijdens de acclimatisatieperiode moet de omgevingstemperatuur voor de vogels 20 - C zijn en moet er een tamelijk hoge luchtvochtigheidsgraad heersen. Als de vogels aan ons klimaat gewend zijn, mogen ze naar de buitenvolière, maar de temperatuur in het binnenverblijf minimaal op 5 C houden.

Hoewel roodvleugelsoorten over het algemeen niet knaaglustig zijn en weinig baden, moet men regelmatig verse wilgen- of fruitboomtakken (onbespoten) geven en ook badgelegenheid aanbieden; deze vogels laten zich wel graag beregenen; regelmatig besproeien of regeninstallatie aanbrengen. In voorjaar en herfst wormkuur geven.

Voeding

Zie roodvleugelparkiet (A. erythropterus).

Fok

Lukt slechts sporadisch, maar dat heeft voor een groot deel te maken met het geringe aantal vogels in gevangenschap. Dr. Burkard (Zwitserland), die al in de derde en vierde generatie met deze vogels fokt, beweert dat de fok niet bijzonder moeilijk is. Fokvogels moeten 3 à 4 jaar oud zijn. De Timor roodvleugelparkiet heeft volgens Dr. Burkard een voorkeur voor niet te diepe broedblokken 60 à 70 cm is voldoende; binnenwerkse diameter 25 cm; doorsnede invlieggat 9 à 10 cm. Broedbegin april; legselgrootte 3 à 5 eieren; broedduur 20 dagen; nestduur ongeveer 35 dagen; ringmaat 6 mm. Na het uitvliegen worden de jongen nog ongeveer 4 weken door de ouders gevoerd.

Mutaties: geen

 

Tekst: H.W.J. van der Linden

E-mail: hvdlinden@gmx.net