GROENVLEUGELARA

Ara chloroptera G.R. Gray, 1859

 

De groenvleugelara is vermoedelijk al meer dan 200 jaar in Europa bekend. Toch is hij nooit zo populair geworden als bijvoorbeeld de geelvleugelara, Ara macao. Ook wordt hij over het algemeen niet zoveel als huisdier gehouden, vermoedelijk om zijn grote en vervaarlijk uitziende snavel.

 

Verspreidingsgebied

Van Oost-Panama, Noordwest-Colombia oostelijk van het Andesgebergte en Venezuela tot Guyana; zuidelijk tot aan de provincies Paraná  en Mato Grosso in Brazilië; Noordoost-Bolivia, Paraguay en Noord-Argentinië.

 

Soortbeschrijving

Formaat: ongeveer 90 cm. De algemene lichaamskleur is dieprood. De teugels, omgeving van de ogen en de wangen bestaan uit witachtig gekleurde naakte huid; teugels en bovenste deel van de naakte wangen zijn bezet met een half dozijn of meer smalle stroken van kleine, rode, stoppelachtige veertjes. De middelste vleugeldekveren, binnenste armpennen, schouderdekveren en de schouders zijn groen. Ook de basis van de kleine vleugeldekveren is groen. De grote vleugeldekveren en de buitenste armpennen zijn blauw, de buitenvlaggen van de handpennen donkerblauw. De rug, de stuit en de boven- en onderstaartdekveren zijn hemelsblauw. De bovenzijde van de middelste staartveren is donkerrood, de uiteinden zijn blauw; overige grote staartveren blauw met rode buitenvlag aan het uiteinde; de onderzijde van de staart is donkerrood. De bovensnavel is hoornkleurig met uitzondering van een kleine grijszwarte vlek langs de snijranden en aan de punt; ondersnavel grijszwart. De oogiris is lichtgeel. De poten zijn donkergrijs, de nagels grijszwart.

Tussen man en pop is nauwelijks verschil; pop veelal iets kleiner, kop ronder, snavel smaller.

 

Biotoop

De groenvleugelara is een bewoner van het lager gelegen tropische regenwoud. Boven de 1000 m wordt hij zelden aangetroffen. In tegenstelling tot andere arasoorten, die vaak in grote groepen samenleven, ziet men de groenvleugelara's slechts paarsgewijs of samen met hun jongen. Het voedsel in de natuur bestaat uit zaden, noten, vruchten, bessen en ander plantaardig voedsel dat ze in hoofdzaak in de boomtoppen vergaren. Over hun nestgewoonten in de vrije natuur is tot nog toe weinig met zekerheid bekend. Men mag aannemen dat groenvleugelara's net als andere arasoorten broeden in holten van dode bomen.

 

Huisvesting en verzorging

Men kan een paar van deze vogels met succes houden in een binnenvolière van 1,50 x 2,50 x 2,00 meter hoog. Ten aanzien van de constructie van het verblijf zijn speciale voorzieningen noodzakelijk, want tegen de sterke snavels is geen enkele houtsoort bestand. De volière zelf kan men daarom ook het beste van ijzer maken. Het gaas dient van een zware kwaliteit te zijn. De eet- en drinkbakken dienen van metaal of steen te zijn en zodanig bevestigd te worden dat de vogels ze niet om kunnen gooien.

Naast een goed zaadmengsel, zijn toevoegingen van zachtvoeders, dierlijk eiwit, vers fruit en groenten onontbeerlijk. De grote ara's eten graag noten en deze mogen heel gegeven worden o.a. walnoten, amandelen, hazelnoten, en paranoten kunnen dagelijks bij het zaadmengsel worden aangeboden. Ook in de keus van groenten en fruit zijn ze weinig kieskeurig. Verder moeten de vogels vrijelijk de beschikking hebben over fris drinkwater, maagkiezel en grit.

 

Fok

Met de groenvleugelara zijn al verschillende keren in gevangenschap broedresultaten behaald. De eerste keer in 1962 in Engeland bij een zekere Rigge. Tussen 1962 en 1977 bracht dit paar elk jaar jongen groot, totaal 28. Elk jaar werden twee of drie eieren gelegd, maar alleen in het jaar 1968 bracht het ouderpaar alle drie jongen groot.

Gerhard Wilking geeft details over een geslaagde kweek in 1980.

Eind mei van dat jaar plaatste Wilking het koppel bij elkaar in een binnenvlucht van 1,50 x 2,40 x 2,30 m hoog. Beide ara’s waren tam. De pop was al vijf jaar in zijn bezit.

Al na een paar dagen gingen de vogels in de beschikbaar gestelde nestkast. Deze mat 55 x 70 x 100 cm hoog en had een invlieggat van 22 cm doorsnede; de wanddikte bedroeg 2,5 cm. Als bodembedekking diende een 10 cm dikke laag grof zaagmeel en turf.

Half juni werd de eerste pogingen om te paren opgemerkt. Op 16, 22, en 28 juni telkens tussen 16.00 en 17.00 uur werden echte paringen waargenomen.

De paring zelf verloopt als volgt. De man zit naast de pop en legt zijn poot over haar heen. De pop houdt met de snavel de poot vast en brengt haar staart omhoog. De man brengt zijn staart onder die van de pop en brengt de copulatie tot stand.

Het eerste ei werd gelegd op 29 juni. Op 2 juli 's avonds volgde het tweede. In het eerst gelegde ei bleek een 3 cm lange barst te zitten. Dit werd door Wilking met UHU secondenlijm gerepareerd.

Op 8 juli werd nog een derde ei gelegd. Enkele dagen later bleken alle eieren bevrucht te zijn. Ze waren glanzend wit van kleur en gemiddeld 34,8 mm x 46,0 mm groot. De pop broedde alleen. 's Nachts ging ook de man in het blok. Op 26 juli kroop het eerste jong uit het gerepareerde ei. Op 28 juli werd het tweede jong geboren. Het derde ei bleek bij de volgende nestcontrole platgedrukt te zijn. Op 25 augustus openden beide jongen de ogen. Eind september was het gehele lichaam met een donkere laag dons bedekt, op de kop braken de eerste rode veertjes door. De vleugel- en staartpennen hadden op dat tijdstip een lengte van ongeveer 3 cm. Op 23 oktober waren beide jongen geheel bevederd. Met dertien weken klauterden ze voor het eerst uit de nestkast. Vanaf die tijd werden de jongen nog vier weken door de ouders gevoerd.

De voeding bestond uit verschillende soorten noten, zonnebloempitten zowel droog als gekiemd, verse maïs, verschillende soorten fruit, kleine stukjes hardgekookt ei, geweekte beschuit, kwark vermengd met vruchtenbrij en vitaminen, die op de geweekte beschuit werden verstrekt.

Een van de grootste problemen bij de kweek met ara's is het geslachtsonderscheid. Ofschoon van sommige aramannen de kop en de snavel forser zijn, geeft dit geen zekerheid. Ook de manier waarop de vogels met elkaar omgaan, biedt weinig houvast. Lang samen gehouden echte paren kunnen voortdurend vechten, terwijl ara's van hetzelfde geslacht vreedzaam naast elkaar leven. Een zeker teken is als de vogels copuleren zoals beschreven. Wie zekerheid wil over de aard van het geslacht van papegaaiachtigen, raad ik aan zijn vogels endoscopisch op het geslacht te laten onderzoeken of een DNA onderzoek te laten doen. Heel wat liefhebbers hebben jaren verloren doordat ze vogels van hetzelfde geslacht hadden samengebracht.

 

Tekst: H.W.J van der Linden