GOUDSCHOUDERPARKIET - Psephotus chrysopterygius Gould, 1858

 

Verspreidingsgebied

Een kleine honderd jaar geleden bewoonden deze vogels nog vrijwel het gehele zuidelijke en centrale deel van het schiereiland Cape York, Queensland, Australië. Thans vindt men alleen nog een kleine populatie in de omgeving  van Musgrave op Artimes station en het iets ten westen hiervan gelegen Dixie. Voorts is er nog een bescheiden populatie in het meest zuidelijke gedeelte van het oorspronkelijke verspreidingsgebied even ten noordwesten van Chillagoe.

 

Soortbeschrijving

Formaat: 26 cm.

Man: voorhoofdsband, teugels en de directe omgeving van de ogen bleekgeel, op het bovengedeelte van de wangen overgaand in geelachtig groenblauw. Schedeldek en nek zwart, het lagere gedeelte van de nek meer bruinzwart met blauwe veerzoompjes. Onderste gedeelte van de wangen, hals, borst, bovenste gedeelte van de buik en de flanken turquoiseblauw; kin en keel turquoiseblauw met grijsachtig waas. Onderbuik, dijen en anaalstreek rood, de afzonderlijke veertjes zijn geelachtig wit gezoomd. Rug en stuit turquoiseblauw. Mantel, schouderdekverven en kleine vleugeldekveren grijsbruin; middelste vleugeldekveren goudgeel; hand- en armpennen grijsbruin met blauwe buitenvlaggen, meest buitenste armpennen en ondervleugeldekveren blauw. Bovenstaartdekveren turquoiseblauw; onderstaartdekveren rood, geelachtig wit gezoomd. Bovenzijde primaire staartpennen olijfgroen met blauwzwarte uiteinden; secundaire staartpennen bleek groenblauw met blauwachtig witte tippen. Ogen nagenoeg zwart met bruine iris, omgeven door een smalle naakte oogring. Snavel grijsachtig hoornkleurig. Poten grijsbruin; nagels donkergrijs

 

Pop: voorhoofd en teugels mat geelachtig wit. Kruin en nek bleek bronsbruin. Algemene lichaamskleur mat grijsgeelachtig groen; wangen en keel tonen bronsgroen met een grijs waas; achternek en kopzijden mat grijsgroen; bovenborst mat geelachtig grijsgroen; onderborst, buik en bovengedeelte van de flanken bleekblauw, de lagere flanken, buik, dijen en anaalstreek tonen een nog fletsere kleur, meer witachtig, enigszins grijsachtig blauw bewaasd, het midden van de buik, anaalstreek, de lagere flanken en de dijen tonen bovendien onregelmatig voorkomende flets rood getinte veertjes met witachtige omzomingen. Vleugelbocht en buitenvlaggen van de grote vleugelveren tonen een bleekblauwe aanslag; ondervleugeldekveren bleekblauw. Rug, stuit en bovenstaartdekveren turquoisekleurig; onderstaartdekveren witachtig, grijsachtig blauw bewaasd. Voor het overige geheel analoog aan de man.

Jonge vogels en overjarige poppen bezitten aan de onderzijde van de grote vleugelpennen een rij witte vlekken, die een soort vleugelband de zogeheten vleugelstreep vormen. Bij de mannen komen deze vlekken na de eerste grote rui niet terug.

 

Biotoop

Het leefgebied van de goudschouderparkiet bestaat uit heuvelachtige halfdroge open boslandschappen, plateaus en grassavannen niet hoger dan 150 m boven de zeespiegel waar het gehele jaar door de temperatuur overdag zelden onder de 30° Celsius komt. Het landschap wordt doorkruist door rivieren en smalle beekjes en heeft een overheersend boombestand van Eucalyptus- , Melaleuca- en Grevillea-soorten met een onderbegroeiing van grassen uit de genera Schizachyrium, Themeda, Heteropogon, en Andropogon, afgewisseld met andere laagblijvende begroeiing en talrijke termietenheuvels. Voorts worden deze vogels ook regelmatig gesignaleerd in de smalle galerijbossen langs waterlopen; buiten de broedtijd ook wel in de mangrovebossen langs de oevers van de Watsonrivier.

 

Status wildpopulatie

De goudschouderparkiet wordt ernstig met uitsterven bedreigd. Men schat de totale populatie verdeeld over een drietal kleine locaties thans tussen de 2000 en 3000 vogels. De voornaamste oorzaak van de dreigende teloorgang is de drastische verandering  van hun leefgebied, voornamelijk als gevolg van de veehouderij waardoor het oorspronkelijke open grasland in de afgelopen 100 jaar veranderde in open bosgebieden met hoge bomen (Melaleuca) en hoogopgeschoten grassoorten. Ook de illegale vogelvangst in de zestiger en zeventiger jaren van de vorige eeuw wordt vaak als oorzaak van de teloorgang van de populatie genoemd. Het is aannemelijk dat stroperij plaatselijk gevolgen heeft gehad voor het bestand, maar zeker niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het teruglopen van de gehele goudschouderpopulatie. De aanwezigheid van talrijke natuurlijke vijanden hebben ongetwijfeld een veel grotere rol gespeeld. Dr. Stephen Garnett en dr. Gabriël Crowly die het leefgebied van de goudschouderparkiet diepgaand onderzochten, schrijven 50% van de nestroof van nesten met eieren of  jongen toe aan de zwartkopvaraan (Veranus tristis). 25% nestroof van nesten met jongen geschiedt door de bonte klapekster (Cracticus nigrogularis)  en de zwartrugklapekster (Cracticus mentalis) die de opgroeiende jongen met hun lange snavel uit het nest of de ingangstunnel trekken en vervolgens opeten. Menigmaal worden ook overjarige vogels en ook wel oudervogels door een zwartkopvaraan, klapekster maar ook wel door een Australische boomvalk (Falco longipennis) verschalkt.

Ook de talrijke rondstruinende wilde katten vormen een ernstige bedreiging voor de goudschouderpopulatie.

De goudschouderparkiet is opgenomen in het CITES-verdrag Appendix I                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                       

 

Europese regelgeving inzake het bezit van en de handel in bedreigde in het wild voorkomende dier- en plantensoorten

De goudschouderparkiet is opgenomen in de Bijlage A van de Europese Basisverordening. In de Basisverordening (EG) nr. 338/97 zijn de regels gesteld omtrent invoer, uitvoer, wederuitvoer, doorvoer, eigendomsoverdracht en commerciële handelingen.

Indien men deze vogels bezit is men tevens gehouden aan de regels gesteld in de Uitvoeringsverordening (EG) 865/2006.

In de Uitvoeringsverordening  wordt o.a. beschreven aan welke voorwaarden vergunningen en certificaten moeten voldoen, welke merktekens (ringen) moeten worden gebruikt. Voorts worden in deze verordening verschillende begrippen nauwkeuriger verklaard, zoals in welke gevallen er sprake is van in gevangenschap gefokte en geboren dieren.

Voor de volledige teksten van de Basisverordening en de Uitvoeringsverordening verwijs ik naar www.hetinvloket.nl 

 

Leefwijze

Goudschouderparkieten worden gewoonlijk paarsgewijs of samen met hun jongen aangetroffen als ze op de grond naar voedsel zoeken. Deze parkieten gedragen zich voornamelijk als standvogel. Lokaal komen er echter wel schommelingen van het bestand voor als gevolg van tijdelijke voedselschaarste in een gebied, meestal tijdens de eerste weken van het regenseizoen..

Het voedsel bestaat voor driekwart uit graszaden van het laaggroeiende Schizachyrium fragile en Schizachyrium pachyarthron en van het hooggroeiende Themeda triandra, Heteropogon contortus, en Andropogan scoparius. Voor het overige eten ze allerhande onkruidzaden, groenteachtige plantendelen en bloesems van Grevillea pteridifolia alsmede insekten en hun larven.

Zodra het licht wordt trekken de vogels naar de dichtstbijzijnde drinkplaats om te drinken en zich te baden. Ze hebben de voorkeur voor drinkplaatsen met een glooiende oever zodat ze er zo in kunnen lopen. Als ze gedronken en zich gebaad hebben, gaan ze op zoek naar voedsel tussen de grassen en kruidachtige gewassen op de grond. Ofschoon goudschouders niet echt schuw zijn, vluchten ze bij de minste storing onmiddellijk naar de dichtst bijstaande bomen om zodra het gevaar geweken is het foerageren te hervatten.

Tegen de middag trekken de vogels zich terug tussen het tegen de zon beschermende bladerdek  van Eucalyptus- , Melaleuca- en Grevillea-bomen. Laat in de middag keren ze terug op de grond om te foerageren en brengen nogmaals een bezoek aan de drinkplaats.

Het broedseizoen in de wildbaan voor de eerste ronde begint omstreeks half maart direct na de regentijd en bereikt het hoogtepunt in mei en loopt vervolgens door tot  juli/augustus voor het tweede broedsel.

Goudschouderparkieten nestelen uitsluitend in door hen zelf uitgegraven holten in termietenheuvels. Van de drie in het leefgebied voorkomende modellen termietenheuvels maken deze parkieten voor de nestbouw alleen gebruik van de kegelvormige termietenheuvels van de termiet Armitermes scopulus en het onregelmatige halfcirkelvormige heuveltype van Armitermes laurensis.

Ongeveer 95 procent van de nesten wordt in het kegelvormige heuveltype aangetroffen, de overige 5 procent in het halfcirkelvormige model.

De toegangstunnel tot de nestkamer van het kegelvormige type zit gemiddeld op ongeveer 65 cm hoogte en heeft een gemiddelde lengte van ongeveer 53 cm, bij het cirkelvormige heuveltype ligt de ingangstunnel gemiddeld ongeveer op 1 meter boven de grond de gemiddelde lengte van de tunnel is ruim 33 cm. Metingen hebben aangetoond dat de inwendige temperatuurschommelingen van het kegelvormige heuveltype lager zijn dan van het halfkegelvormige model. Met dit gegeven zou de voorkeur van de goudschouder voor de kegelvormige termietenheuvel mogelijk verklaard kunnen worden.

Als de broedtijd nadert kiezen de mannen een geschikte broedruimte. Meestal wordt in verschillende termietenheuvels een begin gemaakt met het uitgraven van een tunnel. Het maken van een dergelijke uitholling gaat zo vlak na het regenseizoen nog vrij goed doordat de termietenbouwsels door de vele plensbuien en langdurige regenval veel minder hard zijn dan in het droge seizoen. Zodra de broeddrift sterk genoeg is wordt in de meest uitverkoren termietenheuvel een volledige toegangstunnel uitgegraven van ongeveer 5 cm doorsnede met aan het einde een nagenoeg ronde of ietwat ovale broedkamer met een gemiddelde doorsnede van ongeveer 15 cm.

Het legsel  bestaat uit 3 tot 7 eieren, varieert in de regel echter van 4 tot 6 stuks. De eieren worden om de andere dag gelegd en komen zonder ondergrond direct op de bodem van de nestkamer te liggen. De pop broedt alleen. Tijdens de broedperiode wordt ze door de man van voedsel voorzien. Zodra de man de nestholte nadert lokt hij de pop naar buiten en voert haar vervolgens buiten het nest. Na een week broeden komt de pop vaker en langduriger van het nest om gevoerd te worden en zich te verpozen. Bij onraad verlaat de pop onmiddellijk het nest en brengt zich in veiligheid. Pas als alles weer veilig is – menigmaal pas na enkele uren - keert de pop op het nest terug.  De opgeslagen warmte in het binnenste van de termietenheuvel voorkomt dat dit gedrag geen nadelige gevolgen heeft voor het broedsel, maar wel tot een wat langere broedduur kan leiden, niet zelden tot wel enkele dagen. De broedduur varieert van 20 tot 23 dagen. Als er jongen zijn worden ze ongeveer elk uur afwisselend door de beide ouders gevoerd. De jongen blijven ruim 4 weken in het nest. Na het uit vliegen worden ze nog 3 weken door beide ouders bijgevoerd. De jongen trekken dan nog een poosje samen met hun ouders op.

In de wildbaan leeft de goudschouder soms in symbiose met de mot Trisyntopa scatophaga. Deze nachtvlinderachtige mot legt haar eitjes in het nest van de goudschouderparkiet. Wanneer de larven uitkomen, voeden ze zich met de uitwerpselen en de veerschilvers van de jongen en houden zo het nest schoon.

 

Algemene informatie

De goudschouderparkiet is altijd een zeldzame gast in de volières van de parkietenhouders geweest. Toch worden er, wereldwijd gezien, tegenwoordig meer goudschouderparkieten in volièremilieu gehouden dan er in de vrije natuur leven.

De goudschouder is echter geen vogel voor beginners. De prijs die men voor  een koppel vraagt, zal trouwens de meeste onervaren parkietenhouders wel van de aanschaf afhouden.

 

In 1897 kwam een klein groepje goudschouders, bestaande uit één man en zeven poppen, in Engeland aan. Het was de eerste zending die Europa levend bereikte. Het eerste broedresultaat met de goudschouder in volièremilieu dateert pas van 1961 en staat op naam van Alan Lendon, Australië.

In 1966 had W. Etterich uit Essen, Duitsland als eerste in Europa succes. Wijlen dr. R. Burkard uit Zürich, Zwitserland was in 1968 de tweede in Europa die met succes met deze vogels broedde.

Overigens, al in 1954  kreeg Sir Edward Hallstrom, Australië van 2 goudschoudermannen, die hij verpaard had met hoodedpoppen, 16 hybride nakomelingen op stok.

 

Helaas zijn er ook van de goudschouder rasonzuivere vogels in omloop. Vooral jonge poppen uit de kruising goudschouderman x hoodedpop worden nogal eens als zijnde goudschouderpoppen aangeboden. Deze hybride poppen missen echter de matgele voorhoofdsband en zijn derhalve goed te herkennen van de raszuivere poppen die een matgele voorhoofdsband en een bleek bronsbruin schedeldek tonen. 

 

 

Gedrag

De goudschouderparkieten kunnen niet zo goed tegen ons klimaat. Ze reageren gevoelig op kille weersomstandigheden. Het zijn rustige vogels; beweeglijk en actief; niet schuw; raken snel vertrouwd met hun verzorger; het stemgeluid is melodieus en niet storend; komen graag en veel op de grond; baden graag; niet bijzonder knaaglustig. In de broedtijd agressief tegenover andere vogels; ook buiten de broedtijd is het samenhouden met soortgenoten of andere vogelsoorten  vaak problematisch, beter niet doen dus.

 

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in buitenvolière met minimale afmetingen van (lxbxh) 2,5 x 1 x 2 m die verbonden is met een afsluitbaar, vochtvrij en te verwarmen nachthok met een bodemoppervlakte van minimaal 2 m² waarin tevens de nestgelegenheid wordt ondergebracht. Bij kil, mistig en koud weer en bij winterse temperaturen de vogels in het binnengedeelte van het verblijf huisvesten bij een temperatuur van 10° Celsius.

Gebruik in de buitenvolière grof rivierzand als bodembedekking. Nog beter alvorens het rivierzand in de volière te doen eerst een laag grove grind aan te brengen, zodat bij regenachtig weer het water direct wegzakt.

De nestgelegenheid is een verhaal apart waarop ik zodadelijk nog terugkom. Wegens hun agressiviteit tijdens de broedperiode tegenover andere soorten moet men geen soortgenoten of andere Psephotussoorten direct naast elkaar zetten want dan komt er waarschijnlijk van broeden weinig terecht. Dit kan natuurlijk wel als de volières door ondoorzichtige tussenwanden van elkaar zijn gescheiden. Verse wilgen- of fruitboomtakken (onbespoten) als zitstokken bevredigen hun knaaglust en dragen ertoe bij dat de vogels het houtwerk van de volière met rust laten. De takken regelmatig door verse vervangen. Dagelijks vers badwater verstrekken. Aangezien deze vogels veel op de grond komen is het raadzaam de vogels regelmatig op wormen te controleren en zonodig een wormkuur te geven.

 

De nestgelegenheid

Deze bestaat uit een dubbele nestkast met een binnenwerkse bodemoppervlakte van ca. 25 x 25 cm en een hoogte van ongeveer 30 cm met daarin een kleinere kast, de eigenlijke broedkamer, die binnenwerks (lxbxh)15 x 15 x 20 cm meet en bovendien verwarmd kan worden. Daartoe dient onder de achterste helft van de bodem, de onderste helft van de beide zijden en de gehele achterzijde van de binnenkast een verwarmingskabel gemonteerd te worden en wel zodanig dat de warmte zo gelijkmatig mogelijk aan de broedkamer wordt doorgegeven. De warmte verplaatst zich via de houten wanden naar het inwendige van de broedkamer zodat het niet nodig is om gaten te boren. Voor de warmteregulering in de broedkamer zelf, dient een ruimtethermostaat met voeler geïnstalleerd te worden. De bovenkant van de broedruimte moet afneembaar zijn in verband met nestcontrole. De tussenruimtes tussen binnen- en buitenkast dienen aan alle 6 zijden geïsoleerd te worden met polystyreen (piepschuim) of een ander warmte-isolerend materiaal. Deze isolatie kan men het beste tegen de binnenkant van de buitenkast bevestigen zodat de binnenkast er precies in past. Voor de ingang van de nestkast moet een tunnel van ongeveer 10 cm lengte en een diameter van 5 à 6 cm aangebracht worden die via de tussenruimte uitmondt in de uiteindelijke broedruimte. Voor de toegangtunnel kan men een stuk pvc-buis nemen of zelf een zeskantige in verstek gezaagde houten tunnel maken, maar dat is wel even werk. De buitenste nestkast dient van boven afgesloten te worden met een ca. 2 cm dik scharnierend deksel. Vergeet niet aan de onderzijde van de nesttoegang een zitstok te maken wat het aanvliegen en binnengaan van de tunnel vergemakkelijkt.

 

Voeding

De goudschouderparkiet is net als alle andere Psephotussoorten een echte zaadeter. Daarnaast komen allerhande soorten groenvoer vooral groenteachtig  bladgroen en wat insecten in aanmerking, vooral tijdens de broedperiode. Als basisvoedsel dient men de vogels een gevarieerd zaadmengsel voor te zetten waarin de volgende zaden in de aangegeven hoeveelheden zijn verwerkt: 30% witzaad, 10% graszaad, 6% gepelde en gebroken haver, 10% padie, 8% boekweit, 10% Japanse millet, 10% rode millet, 5% hennep, 4% zonnebloempitten, 2% lijnzaad en 5% negerzaad. Naast de droge zaadmengeling dagelijks bladgroenten zoals sla, muur, paardenbloem, herderstasje, perzikkruid, weegbree, enz. Indien men hierover beschikt kan men ook verse toppen van tuinkruiden als oregano, mint, tijm, grove en fijne basilicum, salie, rozemarijn, enz. aanbieden. Voorts een weinig fruit in de vorm van appel, druiven, rozenbottels en lijsterbessen, maar sommige goudschouders weigeren steevast van het fruit te eten. Ook gekiemd zaad of – in het seizoen - halfrijpe graszaden, halfrijpe aren van haver, of een stuk halfrijpe kolfmaïs zijn een welkome afwisseling voor de vogels. Geef verder elke dag een  beetje eivoer (gerantsoeneerd). Men kan dit het beste rul maken met gekiemd zaad. Maak het weekvoer echter niet te nat. Wen de vogels ook aan het eten van meelwormen. In de wildbaan eten ze immers ook insecten en het is een uitstekende eiwit- , calcium- en fosforbron. Elke dag een paar meelwormen per vogel is voldoende. Voorts elke dag zorgen voor schoon drinkwater. Ook maagkiezel, grit en een mineralenblok moeten steeds ter beschikking staan.

In de broed- en ruitijd worden dezelfde zaden aangeboden, maar zijn de percentages als volgt aangepast: 40% witzaad, 10% graszaad, 8% gepelde en gebroken haver, 4% padie, 6% boekweit, 10% rode millet, 5% hennep, 7% zonnebloempitten, 2% lijnzaad en 8% negerzaad. Als er jongen zijn dagelijks ongelimiteerd eivoer geven, d.w.z. zoveel de vogels op willen nemen. Ook de hoeveelheid meelwormen naar behoefte opvoeren. Het toevoegen van mierenpoppen aan het eivoer zodra er jongen zijn is aan te bevelen.

 

Fok

Het broeden met goudschouderparkieten lukt regelmatig, maar is verre van eenvoudig. Desondanks zijn er elk jaar weer liefhebbers die jongen op stok krijgen.

Een moeilijkheid waarmee de liefhebber wordt geconfronteerd, is het feit dat de vogels in onze omgeving meestal tijdens de koude maanden broeden, d.w.z. in de late herfst en/of het vroege voorjaar. Vandaar dat ik hierboven uitgebreid ben ingegaan op de noodzakelijkheid van verwarmde broedkasten en waaraan ze moeten voldoen. In de broedruimte zelf moet een temperatuur van minimaal 10° Celsius heersen en de natuurlijke daglichtlengte kunstmatig tot ongeveer 15 uur worden verlengd.

De meeste kans op succes heeft men als de vogels zelf hun partner uit kunnen zoeken. Men kan daar als de vogels nog niet geslachtsrijp zijn al mee beginnen. Als men zelf de vogels koppelt, bestaat de kans dat man en pop elkaar niet liggen en het broedseizoen mislukt.

Hoewel in de praktijk is gebleken dat jonge goudschouders soms al na 12 maanden in staat zijn jongen groot te brengen, is het raadzaam te wachten tot ze een maand of zeventien, achttien oud zijn. Vogels die in de herfst van enig jaar geboren zijn, zou men eigenlijk pas in het voorjaar van het daaropvolgende jaar voor de fok in moeten zetten; met in het voorjaar van enig jaar geboren vogels zou men dan tot in de herfst van het daaropvolgende jaar moeten wachten.

Zet echter geen koppels bij elkaar waarvan de man bijv. in de herfst geboren is en de pop in het voorjaar of omgekeerd. Dit omdat gebleken is dat het tijdstip waarop man en pop van dergelijke koppels in broedstemming komen dikwijls niet met elkaar overeenstemt.

 

Zodra de vogels voldoende broedrijp zijn, moet de nestkast  ophangen worden. Het beste kan men twee nestkasten in verschillende posities ophangen zodat de vogels kunnen kiezen. Als ze eenmaal een keuze gemaakt hebben kan men desgewenst de overtollige nestgelegenheid wegnemen.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                               Op de bodem van de broedkamer brengen we een ongeveer 5 cm laag vermolmd hout of vochtig veenmos oftewel een mengsel van beide aan.

Sommige poppen werken het nestmateriaal gedeeltelijk of vrijwel geheel weer naar buiten, maar dat is vergelijkbaar met de natuurlijke gang van zaken waarbij de vogel de nestholte zelf uitgraaft. Als nu de vogels voldoende broedrijp zijn, kan men 14 dagen later het eerste ei verwachten. De eieren worden om de andere dag gelegd. Meestal begint de pop na het derde ei te broeden. De pop broedt alleen, maar is allesbehalve een vaste broedster. Na een week broeden verlaat de pop regelmatig voor langere tijd het nest om zich door de man te laten voeren en zich te verpozen. Ook bij het minste teken van onraad verlaat de pop onmiddellijk het nest en keert  vaak pas na lange tijd op het legsel terug. Het is daarom noodzakelijk de temperatuur in de broedkamer gedurende het broedproces op 20° Celsius te houden. Om de luchtvochtigheidsgraad voldoende hoog te houden is het noodzakelijk de onderkant van het deksel van de nestkast regelmatig met lauw water te besprenkelen; afhankelijk van de luchtvochtigheidsgraad in  de binnenvlucht is 2 tot 3 keer in de week sproeien meestal wel voldoende. De broedduur is variabel en schommelt tussen de 20 en 23 dagen. Dit houdt verband met de grootte van het legsel, de niet constante bebroeding van het legsel, de binnentemperatuur van de verwarmde broedkamer alsook de klimatologische omstandigheden in het vogelverblijf. Gedurende de broedtijd wordt de pop door de man gevoerd, die zich steeds in de nabijheid van de nestkast ophoudt.

Zodra de jongen uitkomen moet de temperatuur in de broedkamer naar 24° graden Celsius gebracht worden, een paar dagen later naar 28° en als het eerste jong 5 dagen oud is naar 30°. Dit is absoluut noodzakelijk omdat de pop de jongen onvoldoende warm houdt en na een week, soms al eerder het nest veelvuldig en voor langere tijd verlaat. Beide ouders voeren de jongen.

Ongeveer na een goede week gaan de ogen open en wordt het tijd de jongen te ringen; ringmaat 5 mm. Een week later komen de eerste veerstoppels van vleugels en staart door. Het lichaam is om die tijd met een dikke laag grijs dons bedekt. Als de jongen ongeveer drie weken oud zijn, kan men de temperatuur in het nest terugbrengen naar 25° Celsius, een week later naar 20°. Na een nestperiode van ongeveer vijf weken verlaten de jongen het nest.

Pas uitgevlogen goudschouderparkieten lijken in grote trekken op de volwassen pop. De jonge mannen zijn evenwel al goed te herkennen aan de turquoiseblauwe wangen en het dieper bruin gekleurde schedeldek.  Alle jongen tonen aan de onderzijde van de grote vleugelpennen een witte streep. Na het uitvliegen worden de jongen nog een week of twee, drie door de beide oudervogels gevoerd, ongeveer een week daarna, moeten de jongen van de ouders worden gescheiden omdat de man ze achtervolgt.

Dikwijls begint het paar dan aan een volgende ronde.

Het volwassen verenkleed krijgen de jongen als ze ongeveer zestien maanden oud zijn.

 

Mutaties

Bij de goudschouderparkiet is sinds kort een pastelachtige verschijningsvorm bekend. Deze mutatievorm is beperkt tot Australië en nog uitermate zeldzaam.

De verschijningsvorm pastel wordt veroorzaakt door een mutatie die de hoeveelheden eumelanine in de bevedering reduceert. In de bevedering van de pastel wordt normaal eumelanine gevormd, ergo de omzetting van het aminozuur tyrosine naar eumelanine vindt normaal plaats zodat de kleur van het melanine van kleur noch van vorm verandert. Wat wel verandert is het aantal geoxydeerde eumelaninekorrels. Bij de wildvorm is de eumelanineconcentratie het grootst. Anders gezegd: de kleurdiepte wordt bepaald door de hoeveelheid aanwezige eumelanine. Door de reductie van het eumelanine in de bevedering wordt minder licht geabsorbeerd met als gevolg een sterke opbleking van de structuurkleuren. Bij de pastel is de reductie van het eumelanine ongeveer 50%, hetgeen overeenkomt met het fenotype van deze mutant. Als het vermoeden bevestigd wordt dat het bij deze verschijningsvorm inderdaad om de pastel gaat dan is de vererving autosomaal recessief.

Het genetisch symbool  voor pastel is dilpa dat van de wildvorm dil+.

 

Tekst: H.W.J. van der Linden