Genus DEROPTYUS Wagler, 1832

WAAIERKRAAGPARKIETEN

Deroptyus accipitrinus (Linnaeus, 1758)

Kraagparkiet

Soortbeschrijving

Formaat 35 cm.

Man en pop: voorhoofd en schedel vuilwit, achterkop en kopzijden aardebruin met vuilwitte schachtstrepen, teugels donker aardebruin. De verlengde nekveren zijn violetrood en afgezet met een blauwe zoom; deze worden tijdens schrik, opwinding en balts opgezet en vormen dan een kraag. Rugdek, flanken, dijen en onderstaartdekveren zijn donkergrasgroen. De veren van borst en buik zijn violetrood en, evenals de kraag, afgezet met een blauwe rand. De handpennen en primaire vleugeldekveren zijn bruinzwart. De armpennen zijn groen, ietwat blauw bewaasd en aan de uiteinden bruinzwart. De bovenzijde van de staart is groen en enigszins blauw bewaasd aan het uiteinde. De buitenvlaggen van de buitenste secundaire staartveren zijn blauw gezoomd en de binnenvlaggen van de secundaire staartpennen hebben elk een kastanjebruine vlek, die alleen zichtbaar is als de staart wordt gespreid. De onderkant van de staart is grijszwart. De oogiris is geel; bruinachtige onbevederde oogring om het oog. De snavel is grijszwart. Poten grijs; nagels grijszwart.

Ondersoorten

D. a. accipitrinus (Linnaeus, 1758)

Verspreidingsgebied: ten noorden van de Amazone van Amapá (Noord-Brazilië) westwaarts over de Guyana's en Zuid-Venezuela tot Zuidoost Colombia, Oost-Ecuador en Noordoost-Peru.

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

 

D. a. fuscifrons Hellmayr, 1905

Bruinvoorhoofdkraagparkiet

Verspreidingsgebied: Noord-Brazilië ten zuiden van de Amazone vanaf Oost-Pará tot aan de Tapajósrivier; Noord-Bolivia.

Kenmerken: gelijkend op de nominaatvorm, maar het voorhoofd en de schedel tonen bruin met smalle witachtige streeptekening; teugels en wangstreek zijn donkerder bruin; op de binnenvlaggen van de secundaire staartpennen ontbreekt de kastanjebruine vlek.

Algemene info

Kraagparkieten komt men in liefhebberskringen slechts zelden tegen, de ondersoort D. a. fuscifrons is nog zeldzamer. Ze worden dan ook sporadisch aangeboden en zijn dientengevolge erg kostbaar. Met beide ondersoorten zijn fokresultaten behaald.

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II.

Gedrag

Actieve vogel; agressief tegenover andere vogelsoorten, in de broedtijd ook vaak agressief tegenover de verzorger, maar toont ook daarbuiten menigmaal agressief gedrag tijdens de dagelijkse verzorging; zeer knaaglustig en vooral luidruchtig, hun stemgeluid gaat bij wijze van spreken door merg en been; baden graag en zeer uitgebreid; slapen in nestkast; wildvangvogels schuw en nerveus, hetgeen vaak leidt tot het plukken van de eigen bevedering; goed geacclimatiseerde en in gevangenschap gefokte vogels zijn sterk en weinig gevoelig voor ziekten.

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in volière met aangebouwde verwarmbare binnenruimte waarin de temperatuur in het koude jaargetijde minimaal 15 C moet bedragen; minimale afmetingen buitenvlucht (lxbxh) 3 x 1,5 x 2 m, binnenverblijf 2,5 x 1,5 x 2,2 m. Tijdens de acclimatiseringperiode moet de omgevingstemperatuur voor de vogels 20 - 25 C zijn. In verband met de knaaglust van deze vogels is het noodzakelijk de volière van metaal en zwaar gaas te maken (draaddikte 2 mm); het nachtverblijf dient van steen of van een overeenkomende duurzaamheid te zijn. Ideaal is de volière op een zodanige plaats in de tuin te bouwen, dat de vogels enigszins aan het zicht zijn ontrokken, eventueel om de buitenvlucht struiken plaatsen.

Ook in een binnenverblijf zonder buitenvolière kunnen deze vogels prima gedijen, voorwaarde is wel dat er voldoende natuurlijk daglicht aanwezig is; minimale afmetingen van een dergelijk verblijf (lxbxh) 4 x 1,5 x 2 m.

Slaapkasten of natuurbroedblokken in diverse hoogtes in de binnenvlucht ophangen, maar zo dat de vogels er nog bovenop kunnen zitten; afmetingen 70 180 cm hoog, binnenwerkse diameter 30 cm, doorsnede invlieggat 8 à 9 cm; op de bodem een flinke laag halfvergaan of vermolmd natuurhout aanbrengen. Als de vogels eenmaal een blok uitgekozen hebben, kunnen de overtollige blokken weggenomen worden.

Geacclimatiseerde vogels en alhier geboren vogels mogen in het koude jaargetijde gerust naar buiten, maar moeten wel steeds de gelegenheid hebben in het verwarmde binnenverblijf te komen.

Kraagparkieten baden graag, daarom zorgen dat er steeds fris badwater aanwezig is. Regelmatig verse takken en twijgen van berk of knotwilg aanbieden.

Voeding

Het voedsel voor deze vogels moet veelzijdig zijn en niet te vet! Als basis kan men een zaadmengsel geven van boekweit, gerst, haver, sorghum, padi, diverse gierst en milletsoorten witzaad, hennep en een weinig zonnebloempitten; dit zowel gedroogd als in gekiemde toestand. Daarnaast veel fruit zoals appel, peer, banaan, sinaasappel en druiven. Lijsterbessen en rozenbottels evenals halfrijpe maïs vormen voor deze vogels een lekkernij; ook allerhande onkruidzaden volgens het natuurlijke aanbod. Verder allerlei groeten zoals wortelen, selderij, augurken en tomaten. Ook een paar pas vervelde meelwormen en enkele gedroogde garnalen horen op het dagelijkse menu thuis. Buiten het broedseizoen tweemaal per week een weinig eivoer rul gemaakt met gekiemde zaden aanbieden. Dagelijks vers drinkwater verstrekken; maagkiezel en grit dienen steeds ter beschikking te staan.

Als er jongen zijn elke dag eivoer verstrekken, zoveel als de vogels op willen nemen. Ook loribrij met daarin wat hennep wordt als er jongen zijn graag gegeten, zo is in de praktijk gebleken. Dierlijk eivoer opvoeren.

Fok

Lukt in verhouding met het aantal kraagparkieten dat in gevangenschap wordt gehouden vrij vaak. Toch brengen kraagparkieten hun jongen in gevangenschap vaak slecht groot en moet de liefhebber de jongen met de hand grootbrengen. De volwassen man heeft een lichter gekleurde iris dan de pop, ook wordt er wel beweerd dat de lange kraagveren van de man wat breder en langer zijn dan die van de pop , maar om zekerheid te verkrijgen of men wel een koppel heeft, raad ik u aan de vogels endoscopisch te laten onderzoeken. Men kan dan tevens vaststellen of de dieren gezond en geslachtsrijp zijn. Kraagparkieten die voor de fok ingezet worden, moeten tenminste 5 jaar oud zijn.

Zoals alle Zuid-Amerikaanse parkietachtigen hebben deze vogels een voorkeur voor natuurbroedblokken, maar ook met zelfgemaakte nestkasten zijn successen behaald. Vaak begint het broedseizoen pas in mei soms iets eerder, maar dikwijls nog wat later. Importvogels worden dan veelal bijzonder schuw, in gevangenschap geboren vogels vaak buitengewoon agressief. In mei of juni afhankelijk van het tijdstip waarop de vogels in de juiste broedstemming zijn gekomen, begint de pop met de leg. De eieren worden gewoonlijk om de andere dag gelegd, meestal twee tot vier, soms vijf; jonge poppen leggen meestal twee tot drie eieren, oudere poppen vier en een enkele keer zelfs vijf. De pop broedt alleen; broedduur 25 26 dagen. De eerste veertien dagen worden de jongen alleen door de pop gevoerd, daarna neemt ook de man deel aan het voeren van de jongen; nesttijd 7 8 weken; ringmaat 7 mm. Pas uitgevlogen jongen lijken op de ouders, zijn echter wat kleiner, hebben donkere ogen zonder irisring en tonen een vrijwel witte ondersnavel. Hoewel de jongen veertien dagen na het uitvliegen zelfstandig eten, is het zaak de jongen niet te vroeg bij de ouders weg te halen, omdat ze nog 4 tot 6 weken voornamelijk door de man worden bijgevoerd.

Kraagparkieten zijn zeer gevoelig voor neststoringen; alleen nestcontrole uitvoeren indien de oudervogels in de buitenvolière zijn en de toegang tot het binnenverblijf is afgesloten.

Mutaties: geen

 

Tekst: H.W.J. van der Linden

E-mail: hvdlinden@gmx.net