DE SENEGAL PAPEGAAI - Poicephalus senegalus (Linnaeus)

Herkomst: Centraal West-Afrika.

Beschrijving: Formaat ongeveer 24 cm. Schedeldek, achterkop en teugels zijn donkergrijs; kopzijden, wangen en keel een nuance lichter grijs, de oorstreek enigszins zilverachtig bewaasd. De algemene lichaamskleur is groen; nek, halszijden, mantel, rug, stuit, bovenstaartdekveren, dijen en bovenborst grasgroen; het groen van de bovenborst strekt zich in de vorm van een driehoekig schild uit tot midden op de borst. Het vleugeldek is meer donkergrasgroen; aan de bovenzijde van de vleugelbocht, ter hoogte van de schouders, bevinden zich enkele heldergele veertjes. De grote vleugelpennen en de staartpennen hebben een olijfgroenachtige bruine kleur. Onderborst, flanken en buik variërend van diep warmgeel tot oranjegeel; anaalstreek en onderstaartdekveren heldergeel. De snavel is grijszwart, de oogiris geel. Poten bruingrijs, nagels grijszwart.

Het geslachtsonderscheid is slechts minimaal. De man heeft een wat plattere en grovere kopvorm dan de pop, ook de snavel van de man is veelal wat zwaarder, iets breder aan de snavelbasis. Deze kleine verschillen zijn echter alleen waarneembaar wanneer men vergelijken kan.

Ondersoorten

Men onderscheidt drie ondersoorten. De zojuist beschreven nominaatvorm P.s. senegalus bewoont het gebied dat zich uitstrekt van Senegal en Gambia tot Guinea en oostwaarts tot in het zuiden van Mali.

De P. s. versteri, genoemd naar de Nederlander Florentius Abraham Verster van Wulverhorst, is afkomstig van Ivoorkust en Ghana en komt verder oostwaarts voor tot in het westen van Nigeria. Van deze ondersoort zijn de bovendelen een nuance donkerder groen; de buikkleur is diep oranjerood.

De P. s. mesotypus bewoont Oost- en Noordoost-Nigeria, Noord-Kameroen en Zuidwest-Tsjaad. De groene veelvelden van deze ondersoort zijn wat fletser van tint dan die van het nominaatras, terwijl het groen op de borst veel dieper doorloopt. De kleur van het onderlichaam is oranje.

Biotoop

De senegalpapegaai is een bewoner van open bos en licht beboste savannen. Gewoonlijk leven ze in kleine groepen van tien tot twintig stuks of als paar afzonderlijk. Een enkele keer worden ze als eenling gesignaleerd. De vogels hebben een voorkeur voor bosgebieden met hoge boomgroei. Het natuurlijke voedsel bestaat uit zaden, granen, vruchten en bladknoppen. Hun favoriete vruchten zijn vijgen, maar ook de vruchten en zaden van o.a. de gewone acacia Parkia filicoidea, de witte acacia, Acacia albida, de mahonieboom Kaya senegalensis en de boterboom Butyrospermum parkii zijn bijzonder in trek. In cultuurgebieden kunnen ze grote schade aanrichten aan de te velde staande maïs, millet en diverse andere graansoorten. Ook brengen ze graag een bezoek aan bananen- en vijgenplantages en aan plantages waar pas gerooide aardnoten op het land liggen te drogen. Men kan zich voorstellen dat de boeren de senegal-papegaaien liever kwijt dan rijk zijn. D e natuurlijke broedtijd van deze vogels is aan het einde van de regenperiode tussen september en november. Tegen die tijd vallen de groepen in paren uiteen. Het nest bestaat uit een natuurlijke holte hoog in de boom. De vogels schijnen bij het zoeken naar een geschikte nestplaats een zekere voorkeur te hebben voor de apenbroodboom Adansonia digitata. Het legsel bestaat doorgaans uit twee witte eieren.

Ofschoon de senegal-papegaai beslist niet zeldzaam is, komt hij in zijn verspreidingsgebied niet overal even talrijk voor. In sommige streken is hij inderdaad algemeen, in andere is zijn aanwezigheid afhankelijk van het beschikbare voedsel. In Senegal en in het zuiden van Ghana bijvoorbeeld, zijn ze vrij algemeen. In Nigeria zijn ze wat minder algemeen, maar toch vrijwel altijd te vinden in bosgebieden waarin apebroodbomen en gewone acacia's goed gedijen. In het zuiden van Mali leiden ze een zwervend bestaan en trekken in het droogste jaargetijde wanneer het voedsel schaars is naar het zuiden.

Avicultuur

Senegal-papegaaien zijn al heel lang als kooi- en volièrevogel bekend. Sommige auteurs noemen het jaar 1760, maar hierover heb ik toch wel mijn twijfels, want noch Buffon, noch Bechstein, noch Brehm, maken in hun werken melding van de senegalpapegaai. Wel wordt de senegalpapegaai omstreeks het jaar 1760 door

Linnaeus onder de naam Psittacus senegalus Wetenschappelijk beschreven, maar of dit is gebeurd aan de hand van een in Europa gevangenschap gehouden exemplaar is niet bekend.

Hoe dan ook, vast staat dat de senegalpapegaai aan het einde van de vorige eeuw wel in Europa werd gehouden. In zijn tussen 1879 en 1899 tot stand gekomen vierdelige encyclopedie 'Fremdländischen Stubenvögel' wijdt Ruß ongeveer een halve bladzijde aan de vogel. Behalve een beschrijving, noemt Ruß hun gedrag wild en koppig en elke poging de vogels tam te maken hopeloos. Voor zover het volwassen wildvang betreft, is deze conclusie juist. In het wild gevangen volwassen exemplaren verliezen hun schuwheid vrijwel nooit en zijn derhalve alleen geschikt als volièrevogel. Jonge vogels echter, kunnen buitengewoon tam worden. Hun talent de menselijke stem na te bootsen is echter gering. Wel leren ze vaak geluiden van andere vogels nabootsen. Gedurende de eerste helft van deze eeuw was het bonte boertje, zoals de senegalpapegaai ook wel wordt genoemd, als kooivogel erg populair en werd hij veel gehouden om zijn frisse kleuren en vaak roerende aanhankelijkheid ten opzichte van zijn verzorger. Maud Knobel, voormalig secretaresse van de Avicultural Society, had een senegalpapegaai die haar constant gezelschap hield tijdens een langdurige ziekte. De vogel nestelde zich tegen haar hals als ze te bed lag en bleef daar net zo lang liggen als ze toestond. Ook de befaamde vogelliefhebber E.J. Boosey, oprichter van Keston

Foreign Bird Farm, bezat gedurende vele jaren een handtamme senegalpapegaai. Deze vogel, die hij op zeer jonge leeftijd kreeg, werd 21 jaar oud. In 1956 schreef hij: "Polly was een van de makste en bevalligste wezens die ik ooit heb gehad".

Prof. Dr. Ernst M. Lang, directeur van de dierentuin in Basel, kwam in 1924 als jongen van 10 jaar in het bezit van een pas ingevoerde handtamme senegalpapegaai. De vogel begeleidde hem tijdens zijn hele jeugd. In 1942 verhuisde de vogel mee vanuit de ouderlijke woning naar Binningen toen hij daar een dierenartspraktijk overnam. In 1953 verhuisde de vogel mee naar Basel. Spoedig daarna kreeg de vogel last van staar en werd vrijwel blind. In oktober 1960 stierf de vogel. Prof. Lang had hem op dat moment 36 jaar en 6 maanden in zijn bezit gehad. Wat uw persoonlijke opvatting over het solitair in kooien houden van een papegaai ook moge zijn, vast staat dat een papegaai die als jonge vogel uit het nest is gehaald en zonder gezelschap van soortgenoten opgroeit, een bijzondere band met de mens ontwikkelt. Gelukkig komt men in kringen van papegaaienliefhebbers steeds meer tot het besef dat het beter is papegaai-achtigen paarsgewijs te houden. Ook wordt in toenemende mate geprobeerd m et papegaai-achtigen te fokken. Vooral over de fok met senegalpapegaaien kom ik verderop in dit artikel nog uitvoerig terug.

Huisvesting en verzorging

Hoewel de praktijk heeft aangetoond dat met deze vogels in allerhande soorten onderkomens is te fokken, wil ik hierbij toch even stilstaan. Het meest ideaal is natuurlijk een degelijk gebouwd verblijf met buitenvolière op een niet al te zonnige plaats in de tuin, maar ook een afgescheiden gedeelte in garage of schuur voldoet uitstekend. Bij vriezend weer moet het nachtverblijf vorstvrij gehouden kunnen worden. Om het ontsnappen van de vogels te voorkomen zijn ten aanzien van de constructie een aantal speciale maatregelen noodzakelijk.

Kozijnen en dergelijke met gaas bespannen. Tegen de sterke snavels is namelijk geen enkele houtsoort bestand. De vlucht zelf kan men om dezelfde reden het beste van ijzer maken. Het gaas dient van een zware kwaliteit te zijn. Zeer geschikt is het zogenaamde nertsengaas. Het gehele bouwsel dient op een stenen of betonnen fundering te staan. Geschikte maten met inbegrip van het nachtverblijf zijn: 3 m lang, 1 m breed en 2 m hoog. Voor de zitstokken kan men takken van fruitbomen nemen met een diameter van ongeveer 7 cm. De beste broedblokken voor dit soort vogels zijn natuurstammen van 75 á 80 cm hoogte, een inwendige diameter van 25 á 30 cm en een uitwendige doorsnede van 45 á 50 cm; doorsnede invlieggat ca. 7 cm. Erg zware blokken dat wel, maar hierin blijft de temperatuur het meest gelijkmatig, hetgeen voor poicephalussoorten erg belangrijk is. Als bodembedekking in het broedblok gebruiken we grof zaagsel of houtmolm, eventueel beide gemengd. Hang het broe dblok als het kan op een wat donkere plek in het verblijf op.

Senegalpapegaaien zijn van nature zaadeters. Als hoofdvoedsel dienen we deze vogels dan ook een gevarieerd zaadmengsel voor te zetten. Een goed zaadmengsel is: 20% zonnebloempitten, 10% maïs, 10% padi, 10% boekweit, 10% witzaad, 10% tarwe, 5% gerst, 5% haver, 5% sorghum, 5% millet, 5% hennep, en 5% ongebrande pinda's. Het verdient aanbeveling de kleinere zaden zoals millet, witzaad, hennep en sorghum in een apart bakje te verstrekken. Als aanvulling moeten we de vogels wat fruit in de vorm van appel, peer, halfrijpe kolfmaïs en wortel aanbieden. Ook gekiemd zaad als tarwe, haver en katjang idjoe (mungobonen) worden gewoonlijk graag genomen. Hetzelfde geldt voor allerlei soorten noten, o.a. walnoten, beukennoten en hazelnoten. Walnoten en cedernoten dienen vooraf eerst gebroken te worden. Verder mogen scherpe maagkiezel, grit en fris drink- en badwater natuurlijk nooit ontbreken. Als afleiding en om hun knaaglust te bevredigen kunnen verse takken dienen.

De fok

De vraag wanneer met de senegalpapegaai voor het eerst werd gebroed, kan ik slechts met het nodige voorbehoud beantwoorden. Het eerste fokbericht dat ik in de literatuur over deze vogels kan vinden is een berichtje van enkele regels in een Engels ornithologisch tijdschrift van oktober 1894. Een zekere Dr. Greene schrijft: "Ik heb enkele senegalpapegaaien gezien, waarvan gezegd wordt dat ze in een volière zijn uitgebroed, maar verder ken ik hun geschiedenis niet."

In mei 1886 meldt Dr. P.L. Sclater: "5 mei j.l. werden vijf senegalpapegaaien aangeboden door de Weledelgeboren Heer R.B. Sheridan. Vier van hen zijn jonge vogels, die door wijlen mevrouw Sheridan in een grote volière te Frampton Court, Dorchester, zijn gefokt. Dit is interessant omdat deze papegaaien erom bekend staan, zelden in gevangenschap te broeden."

Op het vaste land van Europa was het de Deen H. Petersen die in 1956 het eerste broedresultaat behaalde. Het legsel bestond uit drie eieren, die de pop telkens met een tussenpoos van twee dagen had gelegd. Twee eieren kwamen uit. Een jong stierf, het andere vloog uit toen het negen weken oud was. Petersen geeft als broedduur 25 dagen aan.

Het koppel van zijn landgenoot C. Madsen broedde in hetzelfde jaar. Tussen 1956 en 1959 krijgt Madsen van dit koppel zeven jongen op stok.

In Engeland brengt een paartje senegalpapegaaien van E.J. Boosey in 1957 drie jongen groot. Tijdens de opfokperiode werd gekookte aardappel en wortel, brood in melk geweekt, appel en spinazie verstrekt; van de aangeboden gekookte vis werd niets genomen. Het paar broedde in een zelfgemaakte, 60 cm hoge nestkast met een bodemoppervlakte van 25 x 25 cm. In 1961, kreeg T. Brosset te Gotenborg, Zweden, een jong op stok en in 1967 slaagde de kweek bij W. en P. Ebert te Leipzig, Duitsland.

Zover ik heb kunnen nagaan dateert het eerste fokresultaat in Nederland van 1968. Het staat op naam van A.D. Vergunst. Deze liefhebber geeft de volgende details: De vogels verbleven in een kooi van 83 cm lang, 60 cm hoog en 40 cm diep, waarin een ruim valkparkietennestblok was geplaatst. Op de bodem van het blok was een laag zaagsel en turfmolm aangebracht. Begin juni 1968 werden er drie eieren gelegd. Op 9 juli werd een zwak gepiep waargenomen en bleken er twee jongen te zijn. Het derde ei kwam twee dagen later uit; dit jong werd echter vermoedelijk door de ouders opgegeten. Op 4 september kwamen de beide overgebleven jongen geheel bevederd voor het eerst uit het blok. Op 21 september begonnen de jongen zelf te eten, hoofdzakelijk nog zachtvoer, fruit en groen. Op 10 oktober werden de jongen apart gezet. Interessant is ook het bericht van de Engelsman J.B. Baker uit Princes Risborough, Buckinghamshire. Na vier achtereenvolgende jaren telkens met succes één ronde grootgebracht te hebben, ging het koppel over op twee broedsels per jaar. Op 13 januari 1976 begon de pop met het eerste ei van een legsel van drie. Tegen de 12e februari waren er twee jongen. In 1977 werd het eerste ei van een legsel van twee op 10 januari gelegd, beide jongen kwamen uit rond de 6e februari. Omstreeks de 15e november van hetzelfde jaar opnieuw een legsel van drie, deze kwamen rond de 11e december uit. Vrijwel direct nadat dit broedsel uitgevlogen was, begon de pop opnieuw. Het eerste ei van een legsel van twee op 23 maart. Één ei ging stuk, het andere kwam op 21 april uit. Het eerste ei van het hierna volgende legsel werd op 30 november gelegd. Baker kweekte in 1978 met een jonge pop, die in 1974 bij hem geboren was. Senegalpapegaaien worden weliswaar pas laat geslachtsrijp, maar blijven tot op zeer hoge leeftijd vruchtbaar.

Baker zelf kreeg zijn eerste jong op stok van een koppel waarvan de man 10 en de pop 15 jaar oud was. Er is echter ook een melding van een koppel dat eieren had toen de man al 40 en de pop 25 jaar oud was. Niet bekend is wat er van dit legsel is geworden.

Lekker gemaakt door de verhalen van enkele succesvolle liefhebbers, kocht ik in het voorjaar van 1979 twee senegalpapegaaien die ik bij een plaatselijke vogelhandel had zien zitten. Te oordelen naar de oogkleur en de nogal doffe kleur van de bevedering waren het nog erg jonge vogels. Qua kopvorm verschilden ze wel iets. Ik hield het er maar op dat het een paar was, hetgeen later bleek te kloppen. De vogels werden ondergebracht in een kleine overdekte buitenvolière. Toen ik die zomer van vakantie thuiskwam, bleken de beide vogels de vrijheid te hebben gekozen; ze hadden kans gezien een gat in het volièregaas te maken en waren ontsnapt.

Vreemd genoeg bleven ze steeds in de buurt. Het heeft ruim een week geduurd eer ik ze weer gevangen had. De vogels kregen meteen een andere volière met een aansluitend nachthok waaruit ze niet meer zouden kunnen ontsnappen. Het duurde niet lang of ze hadden het houten kozijn van het verder uit steen opgetrokken nachthok vrijwel gesloopt. Ook de zelfgemaakte houten nestkast, waarin ze altijd de nacht doorbrachten, werd van binnenuit gesloopt en moest weldra vervangen worden door een zware natuurstam met een wanddikte van ca 10 cm.

Uit de literatuur wist ik, dat de vogels niet voor het vierde jaar zouden broeden. Het zouden er vijf worden.

In de zomer van 1983 zag ik dat de man de pop voerde. Enkele dagen later nam ik de eerste paring waar. Man en pop naderen elkaar met afhangende, trillende vleugels, waarbij ze zachtjes met de snavel klapperen. De pop wekt vervolgens de paring op door een min of meer zittende houding aan te nemen. De man houdt zich tijdens de paring met beide poten op het rugdek van de pop vast, zoals we dat o.a. van agaporniden en grasparkieten kennen. De paring duurt, als we een vergelijking met andere vogels maken vrij lang, ongeveer 10 minuten, verloopt in het begin geluidloos, tegen het einde worden zachte ietwat krakend aandoende geluiden geproduceerd. Het elkaar voeren ging de gehele zomer door, af en toe werden paringen waargenomen. Overdag zaten beide vogels regelmatig in het blok, maar de pop maakte geen aanstalten om te leggen. Ook de herfst verstreek, zonder dat er wat gebeurde. Eind december nam ik weer een paring waar. De vogels zaten ook weer regelmatig in het blok en knaagden aan de binnenwand van het broedblok. Hoewel ik naar mijn gevoel voldoende vermolmd hout op de bodem van het broedblok had gedaan, schenen de vogels hierover anders te denken, want een flink stuk binnenwand werd door de vogels stuk geknaagd tot bodembedekking. Ik kreeg weer hoop, vooral toen het onderlijf van de pop in omvang toenam en het er op begon te lijken dat ze ging leggen. Op 5 januari 1984 werd het eerste ei gelegd. Nog twee eieren volgden met tussenpozen van twee dagen. De eier en wegen ca. 10 gram, zijn wit gekleurd en gemiddeld 29 x 22 cm groot. De pop zat vanaf het tweede ei vast op de eieren. Op 4 februari hoorde ik zachte piepgeluiden. Het eerste jong was geboren. Op 6 februari kwam het volgende ei uit. Het derde ei bevatte een vroeg afgestorven embryo. Bij de geboorte hebben de jongen wit dons, dat naar mate de jongen ouder worden geleidelijk verandert in grijs.

Nestcontrole is moeilijk omdat beide oudervogels bijna voortdurend bij de jongen in het blok zitten. Ze komen enkel tevoorschijn om te eten. Wanneer ik op zo'n moment voorzichtig probeerde de nestkast te benaderen, keerden de oudervogels onmiddellijk weer naar het nest terug. Te oordelen naar de bedelgeluidjes, leek alles in orde en dus liet ik het verder maar rusten. Op 18 februari, op een moment dat beide ouders voor langere tijd het nest verlaten hadden, kon ik weer even kijken zonder te storen. De jongen waren op die leeftijd ongeveer 5 cm lang, de oogjes waren nog gesloten. Tussen de derde en vierde week zijn de jonge vogels volkomen met een dichte vacht grijs dons bedekt en worden de eerste groene veerstoppels zichtbaar. Dit is ook het tijdstip om de vogels te ringen; ringmaat 7 mm. Na vijf weken is het vleugeldek al helemaal groen, de kop grijszwart, aan de buikzijde komen de eerste gele veertjes door. Ook de grote staartpennen beginnen zich dan te ontwikkelen. Op 1 april zaten de jongen volop in de veren. Op 13 april vertoonden beide jongen zich voor het eerst buiten het blok. Enkele dagen later namen ze zelfstandig gekiemde zonnebloempitten op. De jongen worden nog ongeveer vijf weken door de oudervogels gevoerd. Naast het gewone basisvoer, zoals beschreven, stond tijdens de opfokperiode volop eivoer ter beschikking. Zover ik heb kunnen constateren, heeft alleen de pop hiervan gegeten.

Tekst: H.W.J. van der Linden

E-mail: hvdlinden@gmx.net