DE KONINGSLORI

Deze mooie lori wordt vaak onder verschillende benamingen aangeboden. Behalve koningslori worden ze zwartvleugellori en purperwanglori genoemd. De wetenschappelijke benaming luidt: Eos cyanogenia.

Herkomst

De eilanden Biak, Numfoor, Manim en Mois in de Sarera Golf (Geelvinkbaai).

Beschrijving

Man en pop: lengte ongever 30 cm. Algemene lichaamskleur scharlakenrood; met uitzondering van het rood van wangen en keelstreek, overgoten met een paarsachtige gloed. Aam weerszijden van de kop bevindt zich een violetblauw veerveld dat vanaf de voorzijde van het oog en vandaar breed uitlopend in de richting van de oorstreek, vrijwel het gehele zijaanzicht van de kop beslat. De vleugeldekveren en het bovenste gedeelte van de rug, de dijen en een klein aansluitend gedeelte van de flanken zijn zwart en tonen een fluweelachtige glans. Armpennen helderrood; handpennen zwart. in het midden onderbroken door een kleine helderrode vleugelspiegel. Bovenzijde middelste staartpennen bruinzwart; overige staartpennen rood met langs de buitenvlaggen een bruinzwarte rand. De onderkant van de staart is matrood. Ogen zwart met bruinrode iris, omgeven door een smalle onbevederde donkergrijze oogring. Snavel oranjerood, met aan de snavelbasis een donkergrijze washuid. Poten donkergrijs; nagels zwart.

Biotoop

Koningslori's zijn zeer streekgebonden, want hoewel sommige eilandjes in de Sarera Golf niet eens zo ver van het vaste land verwijderd liggen, komen ze daar niet voor. Op de eilanden zelf zijn het bewoners van de kuststroken. Ze worden veelvuldig aangetroffen in de hoge kokospalmen langs de kust. De vogels zijn niet bijzonder schuw, want ze worden ook in de buurt van nederzettingen gesignaleerd. Leven buiten de broedperiode in kleine groepen en leiden dan een zwervend bestaan.

Huisvesting, verzorging en fok

Deze vogels worden af en toe in de vogelhandel aangeboden. In liefhebberskringen gelden ze nog steeds als rariteit. Het zijn prettige vogels die, wanneer ze wat aandacht krijgen, zeer vertrouwelijk met hun verzorger worden. Voor een gezelschapsvolière zijn ze echter niet geschikt, daar ze tegenover andere vogels nogal agressief zijn. De muskusachtige geur, karakteristiek voor alle leden van het geslacht Eos, is bij de koningslori bijzonder sterk. Het zijn ware klauteraars. Vliegen doen ze echter niet meer dan nodig is. Met een verblijf van 350 cm lang, 100 cm breed en 200 cm hoog, inclusief nachthok, is een paartje dik tevreden. Hoewel mij liefhebbers bekend zijn die deze vogels het gehele jaar buiten houden, is het beter er voor te zorgen dat ze 's nachts een enigszins verwarmd onderdak hebben, ook al om legnood bij eventuele broedneigingen in het koude jaargetijde te voorkomen.

De vogels slapen in een nestkast. Het verdient aanbeveling de nestkast zodanig op te hangen dat men er vanaf de buitenzijde, dus zonder de volière te betreden, bij kan; dit in verband met nestcontrole als de vogels gaan broeden.

Pas geïmporteerde vogels moeten in een verwarmde ruimte ondergebracht en met zorg geacclimatiseerd worden. Aangezien ze tijdens het transport en de quarantaineperiode meestal niets anders dan gekookte rijst en wat zonnebloempitten gehad hebben, moeten ze geleidelijk aan een meer gevarieerde voeding wennen. Wanner ze de acclimatisatieperiode goed doorkomen zijn het sterke vogels die, in vergelijking met andere soorten van het geslacht, geen bijzondere eisen stellen.

Het hoofdvoedsel bestaat uit een goede loripap, allerhande vers fruit en dagelijks enkele meelwormen. Enkele malen per week kunnen ter afwisseling wat gekiemde zonnebloempitten, halfrijpe of gekookte maïs of halfrijpe graszaden aangeboden worden.

Met de koningslori is verschillende keren in gevangenschap gekweekt. Het eerste kweekresultaat dateert van 1934 en staat op naam van een zekere Gilbert Lee uit de USA. Ook in Nederland is verschillende keren met deze lori gekweekt. Ze broeden zowel in een zelfgemaakte broedkast als in een natuurbroedblok. De diameter van het broedblok moet ongeveer 30 cm zijn, de hoogte ca 60cm, doorsnede invlieggat 8 cm. De bodem wordt bedekt met een dikke laag houtmolm of houtkrullen, bij voorkeur van een harshoudende houtsoort om schimmelinfecties tegen te gaan.

Een voltallig legsel bestaat uit twee eieren die met een tussenpoos van twee dagen worden gelegd. Het broeden geschiedt uitsluitend door de pop en begint na het leggen van het eerste ei. Broedduur 26 dagen. De man voert de pop op het nest, 's nachts houdt hij haar gezelschap, soms ook gedurende enkele uren overdag.

De jongen worden door beide ouders gevoerd. De groei is traag. In het begin lijkt het alsof de jongen te weinig voedsel krijgen en in het geheel niet groeien, maar dit is maar schijn. Als de jongen uit het ei komen zijn ze bedekt met wit nestdons. Na enkele dagen wordt komt het eigenlijke geelwitte dons door dat naarmate de jongen ouder worden langzaam tot grijs verkleurt.

Tussen de vierde en vijfde week kunnen de jongen geringd worden met een vaste voetring van 7 mm. Op deze leeftijd raakt ook het bodemmateriaal van de nestkast snel vervuild door de dunne ontlasting. Dit dient dan ook een paar maal ververst te worden. Als u dit niet aandurft, strooi er dan eenvoudig een laagje verse houtkrullen overheen. Soms gebeurt het dat de ouders de jongen plukken. Als men de deksel van het nestblok afneemt, houdt het plukken meestal op.

Na een nestijd van ongeveer 11 weken vliegen de jonge koningslori's uit, waarna ze nog ongeveer vier weken door de ouders worden gevoerd. Op het moment van uitvliegen zijn de jongen ongeveer de helft kleiner dan de oudervogels. Borst en buik vertonen zwarte dwarsstrepen en het blauw van de oorstreek loopt door tot op de kop. De snavel is nagenoeg zwart. Naarmate de jongen ouder worden, verdwijnt de streeptekening, wordt de schedel geheel rood en verkleurt de snavel tot oranjerood.

Op een leeftijd van drie jaar zijn ze zelf geslachtsrijp.

 

Tekst: H.W.J. van der Linden

E-mail: hvdlinden@gmx.net