DE JOSEPHINE LORI

Charmosyna josephinae (Finsch, 1873)

 

Deze lori, die ook wel Josephine honinglori genoemd wordt, is afkomstig van de westkant van het Wilhelmina-gebergte op Nieuw-Guinea.

De hoofdkleur van deze fraaie lori is rood, vleugels en rug groen, achterkop zwart met violette vlek die doorloopt tot het oog, buik en flanken glanzend fluweelzwart, stuit blauw, de middelste staartpennen donkerrood met gele uiteinden, onderzijde van de staart geel, snavel en poten nagenoeg rood, oogiris oranjekleurig, onderrug bij de man rood, bij de pop geel.

Met zijn lengte van 24 cm behoort hij tot de middelgrote lorisoorten. Eigenlijk zijn de soorten die tot het geslacht Charmosyna gerekend worden geen echte lori's, maar een overgangsvorm naar de honingeters, vandaar ook dat ze vaak honinglori's genoemd worden.

Charmosynasoorten vertonen stuk voor stuk sterke verschillen met de
andere lorisoorten, o.a de trapsgewijs verlopende en sterk verlengde middelste staartveren en niet te vergeten duidelijke kleurverschillen tussen man en pop, iets dat we bij de echte lori’s niet kennen. Ook de vorm van hun tong is anders, liever gezegd: langer. Als ze willen kunnen ze met hun tong tot voorbij het oog reiken. Als ze natgespoten worden laten ze dat wel eens zien.

Van de Josephine lori worden drie ondersoorten beschreven. Behalve de zojuist genoemde nominaatvorm C. j. josephine, kennen we nog de C. j. sepikiana, (Sepik josephinelori) welke voorkomt in de bergen van Sepik op Nieuw-Guinea en de C. j. cyclopum (Cyclops josephinelori) van het Cyclopengebergte.

 

De josephine lori wordt slechts zelden ingevoerd. Ze zijn dan ook niet goedkoop. Veel liefhebbers schrikken terug voor de hoge prijs en de angst voor sterfte. Dit laatste valt echter wel mee.
De josephine lori is over het algemeen genomen een vrij sterke vogel, maar pas ingevoerde vogels moeten verwarmd ondergebracht en met zorg geacclimatiseerd worden. Eenmaal gewend aan de nieuwe omgeving mogen ze gerust naar de buitenvolière, maar tijdens de wintermaanden dienen ze over een verwarmd nachthok te beschikken.

De vogels dienen een gevarieerde voeding te krijgen. Zachte zoete vruchten en honingwater, aangevuld met wat glucose en vitaminen. Verder zijn er momenteel prima kant-en-klaar lorimengsels in de handel, die uitstekend voldoen.

Aangezien deze vogels meer met hun tong eten dan andere lorisoorten, moeten we ervoor zorgen dat het voedsel niet te dik is, zodat ze het gemakkelijk op kunnen nemen.

In 1979 behaalde een zekere Dahne in Duitsland het eerste broedresultaat met de josephine-lori. In 1981 lukte de kweek ook bij onze landgenote wijlen mevr. Spenkeling - Van Schaik.

De vogels hadden een broedblok van 60 cm hoogte en 15 cm doorsnede. Op de bodem was een laag blanke beukemolm aangebracht. Begin mei 1981 werden twee eieren gelegd, die na ongeveer 25 dagen broeden uitkwamen. Na enkele weken ging een van beide jongen dood. Het overgebleven jong, een man, groeide voorspoedig en vloog uit. Het werd nog een tijdlang door de mannelijke oudervogel bijgevoerd. Nadat de pop opnieuw gelegd had, werd het jong uitgevangen en apart gehuisvest.

Tekst: H.W.J. van der Linden