Genus CHALCOPSITTA Bonaparte, 1850

GLANSLORI’S

Chalcopsitta atra (Scopoli, 1786)

Zwarte lori

Soortbeschrijving

Formaat: 32 cm.

Man en pop: algemene lichaamskleur zwart, overgoten met een paars- tot purperachtige gloed. Stuit en bovenstaartdekveren paarsblauw. Onderzijde staart aan de basis oranjerood, geleidelijk overgaand in olijfgeel richting uiteinden. Oogiris oranjekleurig bij de man, bij de pop meer bruin, het oog omgeven door een onbevederde, nagenoeg zwarte oogring. Snavel zwart, evenals neusdop; langs de basis van de ondersnavel loopt een smalle strook naakte, vrijwel zwarte huid. Poten donkergrijs, nagels zwart.

Ondersoorten

C. a. atra (Scopoli, 1786)

Verspreidingsgebied: Noordwest-Nieuw-Guinea (Vogelkop) en de eilanden Batanta en Salawati.

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

C. a. bernsteini (von Rosenberg, 1861)

Bernstein’s zwarte lori

Verspreidingsgebied: eiland Misool.

Kenmerken: Formaat 34 cm.

Man: sterk gelijkend op nominaatvorm, maar veertjes van voorhoofd en dijen zijn bleek roodachtig purperkleurig gezoomd; stuit meer blauw; het rood onder de vleugels ontbreekt.

Pop: als man, maar de purperrode kleurindruk op de dijen is zwakker.

C. a. insignis Oustalet, 1878

Fluweellori

Ook: Rajah lori

Verspreidingsgebied: oostelijk gedeelte van Noordwest-Nieuw-Guinea (Vogelkop) en het eiland Amperpon

Kenmerken: Formaat: 29 cm.

Man en pop: onderscheidt zich van de nominaatvorm door een rood voorhoofd en een smalle rode vleugelrand aan de vleugelbocht en rode dijen. Het voorste gedeelte van de wangen is eveneens rood, wat op de keelstreek geleidelijk overgaat in de algemene lichaamskleur. Ook keel, flanken en borst tonen hier en daar roodgezoomde veertjes. Stuit en bovenstaartdekveren zijn matblauw; onderstaartdekveren grijsachtig blauw. De kop is blauwachtig grijs bestreept.

C. a. spectabilis Van Oort

Mamberiok lori

Deze ondersoort is zeer omstreden; het bestaansrecht berust op de vondst van slechts één exemplaar op het schiereiland Mamberiok. Zeer waarschijnlijk gaat het om een bastaardvorm van C. a. insignis en C. s. scintillata.

Algemene info

Vrij zeldzaam in gevangenschap zeker als het gaat om particuliere collecties. Nochtans komen met uitzondering van C. a. spectabilis alle ondersoorten in gevangenschap voor; de nominaatvorm C. a. atra echter het meest. Ook zijn met alle ondersoorten, behalve spectabilis, broedresultaten behaald, zij het zeer incidenteel.

Jammer genoeg zijn er als gevolg van foutieve paringen in het verleden rasonzuivere vogels in omloop. Bij aanschaf extra aandacht schenken aan raskenmerken!

Deze lori’s zijn alleen geschikt voor de gespecialiseerde liefhebber.

Gedrag

Na gewenning sterke vogel; opgewekt, levendig en zeer nieuwsgierig van aard; speels en amusant. In het begin schuw, later vertrouwelijk tegenover verzorger. Agressief tegenover andere vogels en in de broedtijd soms boosaardig tegenover verzorger. Vrij broedlustig. Tamelijk luidruchtig. Baden graag en uitgebreid, laten zich ook graag beregenen. Deze vogels hebben gauw last van lange nagels.

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II.

Huisvesting en verzorging

Pas ingevoerde vogels moeten met zorg geacclimatiseerd worden bij een temperatuur van tenminste 20° C. Bij een goede verzorging verloopt de quarantaineperiode gewoonlijk voorspoedig.

Alhier gefokte vogels paarsgewijs onderbrengen in buitenvolière met aangebouwd, verwarmbaar binnenverblijf waarin tijdens het koude jaargetijde tenminste een temperatuur van 10° C heerst en een lichtduur van 12 uur gewaarborgd is (bijv. 6.00 tot 18.00 uur); minimale afmetingen buitenvlucht (lxbxh) 2,5 x 1 x 2 m, binnenruimte 2 x 1 x 2 m. Tussen de buitenvolières dubbel gaas aanbrengen met een tussenruimte van ca. 5 cm, dit om teenbeschadigingen bij de buurtbewoners te voorkomen; geen chalcopsittasoorten in aangrenzende volières plaatsen. De wanden en de vloer van de binnenvlucht moeten van gladde materialen zijn gemaakt, bijv. kunststofplaten of tegelwerk, zodat het gemakkelijk kan worden gereinigd. Op de bodem in het binnenverblijf kan men desgewenst houtsnippers gebruiken; dagelijks de natte plekken vervangen en zonodig - afhankelijk van de mate van vervuiling - het gehele strooisel, in de buitenvlucht kan men een laag grind aanbrengen. In het binnengedeelte de nestkast ophangen; bodemoppervlakte 25 x 25 cm, hoogte 40 cm, diameter invlieggat 10 cm of een ovale opening van 7 x 9 cm, minimale wanddikte van de broedkast 3 cm; vanzelfsprekend kunnen de vogels ook van een natuurbroedblok gebruik maken, doorsnede ca. 25 cm, zelfde hoogte. Deze moet het gehele jaar blijven hangen, want buiten de broedperiode gebruiken ze het blok als slaapplaats; broedblok regelmatig reinigen.

Zwarte lori’s mogen ‘s winters bij aangenaam weer gerust naar buiten, maar moeten in de gelegenheid zijn het verwarmde binnenverblijf op te zoeken. Dagelijks badwater aanbieden. Tijdens koude dagen erop toezien dat de vogels direct na het baden niet naar buiten kunnen (gevaar voor onderkoeling). In de zomerse periode laten deze vogels zich ook graag beregenen; regeninstallatie aanbrengen. Regelmatig verse wilgentakken of vruchtbomentakken (onbespoten) verstrekken. Dikke en deels ook harde zitstokken bijv. van eikenhout geven, zodat de nagels op natuurlijke wijze kunnen slijten. Tweemaal per dag voeren, het beste ‘s morgens vroeg en tegen de avond; deze lori’s zijn goede eters.

Dagelijks de verblijven reinigen, overgebleven voederresten verwijderen, kortom uiterste hygiëne betrachten.

Tweemaal per jaar preventief kuren tegen flagellaten.

Voeding

Meestal houdt het met succes houden en fokken van lori’s direct verband met de voeding. Uit eigen ervaring en die van anderen is wel gebleken dat kleine veranderingen in de dagelijkse voeding vaak wonderen doen. Soms moet men lang zoeken naar het meest geschikte voedsel voor een bepaalde lorisoort. Vooral bij soorten waarover weinig of niets gepubliceerd is, tast men in het duister en kan het jaren duren voordat men resultaten ziet. Een goede raad: gebruik uitsluitend lorivoeding die zich in de praktijk heeft bewezen, ofwel commercieel verkrijgbare voeding of een loripap van eigen receptuur. Belangrijk is het benutbaar eiwitpercentage. Tijdens de rustperiode kunnen we volstaan met een (benutbaar) eiwitpercentage in het voer van 13, in de rui- en broedperiode, zeker als er jongen zijn, moet dit worden opgevoerd tot zo’n 17%. Wanneer de zelf samengestelde lorivoeding een goede conditie en nafok geeft is er geen reden de voeding te veranderen. Vaak zijn zelfbereide voeders echter gebruikonvriendelijker en duurder dan kant-en-klare voeding, bovendien is ook de houdbaarheid van het voedsel in opgeloste toestand vaak instabiel. Persoonlijk geef ik dan ook de voorkeur aan de commerciële lorivoeders, temeer omdat de voedingswaarde is verzekerd en de houdbaarheid bij verschillende omgevingstemperaturen is uitgetest. Lorinectar (buiten de broedtijd) en Loristart (tijdens de broedtijd) van Avesproduct B.V. en Lorivoeding van Cédé hebben als kant-en-klaar-voeders bij de loriliefhebbers een goede naam; dit kan ook gezegd worden van de lorivoeders die de Duitse firma Biotropic op de markt brengt.

De vogels ‘s morgens vroeg alleen loripap geven, ‘s avonds opnieuw loripap met als toegift wat in kleine blokjes gesneden fruit zoals mango, appel, peer, banaan, druiven (opengesneden), ook bessen. Dagelijks ook wat groenvoer aanbieden zoals selderij, en spinazie, het beste in een ruifje. Sommige lorisoorten nemen af en toe graag wat zaden, aan de chalcopsittasoorten zijn deze echter niet besteed. Sommige liefhebbers vullen de dagelijkse basisbrij voor deze vogels aan met een droogvoeder van de volgende samenstelling: 2 delen rijstvlokken, 2 delen rijstmeel, 2 delen eivoer, 1 deel druivensuiker, een mespuntje van een vitaminen- en mineralenmengeling, een koffielepel pollen. Verder knabbelen deze vogels graag aan halfrijpe kolfmaïs. Zorg dat er steeds fris drinkwater is.

Als er jongen zijn dagelijks een in suikerwater geweekte beschuit aanbieden.

Een kennis kreeg in 1974 twee jongen op stok. Het opfokvoer bestond uit gekookte eieren en biscuit vermengd met vruchtenmoes, gekookte rijst, sojameel, havermout en dit alles aangezoet met druivensuiker. Daarnaast werd allerhande vers fruit, zoals appels, bessen, sinaasappels, bananen en druiven gegeven.

Fok

In gevangenschap geboren zwarte lori’s zijn na twee jaar geslachtsrijp. Bij wildvang duurt het gewoonlijk wel wat langer, als regel 3 à 4 jaar. Broedbegin vanaf maart. Op de bodem van de nestkast een ca. 8 cm dikke laag grof houtschaafsel aanbrengen, hetgeen regelmatig moet worden ververst, gewoonlijk eenmaal per week, met name als er jongen zijn. Het legsel bestaat uit twee eieren, die met een tussenpoos van een dag worden gelegd, soms echter is de tijdsduur tussen het eerste en tweede ei twee dagen. De pop broedt alleen broedduur 24 à 25 dagen; nestduur negen à tien weken, soms nog enkele dagen langer; ringmaat 8 mm, voor de iets kleinere fluweellori volstaat een ring met een binnenwerkse diameter van 7,5 mm. Nestcontrole alleen dan uitvoeren als de oudervogels het nest verlaten hebben en even in de buitenvolière opgesloten kunnen worden. Nog beter is de nestkast zo te plaatsen dat men er van buitenaf bij kan voor controle en schoonmaakwerkzaamheden.

Zwarte lori’s hebben bij hun geboorte grijs nestdons, zwarte nagels en snavel en wegen ca. 9,5 gram. Na ongeveer 14 dagen kleuren de naakte kopjes zwart en komen de stoppels van de tweede donsveertjes door terwijl ook de pootjes geheel zwart zijn doorgekleurd. Enkele dagen later zijn de kopjes geheel zwart en openen zich de stoppels van de donsveren; vanaf dat moment zijn de jongen geheel zwart. Op de leeftijd van drieëneenhalve week zijn de donsveren geheel ontwikkeld en hebben zich aan de vleugels al flinke stoppels ontwikkeld. Na vier weken komen de vleugelveren door en zijn borst en buik bevederd. Met ca. vijf weken is de kop ook bevederd en zijn de staartveren al bijna een centimeter lang, de rug is echter nog kaal. Als de jongen zes weken oud zijn de vleugelveren al ongeveer 6 cm lang, de staartveren ongeveer 5 cm; de onderkant van de vleugels is echter nog kaal. Zeven weken na het uitkomen zijn de jongen geheel bevederd.

De jonge vogels tonen bij het uitvliegen een min of meer grijswitte oogring, ook de naakte huid aan de snavel is nagenoeg wit en ze zijn beduidend kleiner dan de oudervogels, ook de staartveren zijn nog niet volgroeid. De naakte grijswitte rand om de ogen en rond de snavel verkleurd binnen enkele weken tot donkergrijs. Sommige jongen tonen hier en daar wat rode veertjes, deze verdwijnen echter geleidelijk met het ouder worden.

Twee tot drie weken na het uitvliegen zijn de jongen zelfstandig. Het is dan zaak de jongen apart te zetten.

Meerdere broedsels per jaar zijn mogelijk.

Mutaties: geen

 

Chalcopsitta cardinalis (G.R. Gray, 1849)

Kardinaallori

Verspreidingsgebied: Solomon eilanden; de eilanden Feni en Nissan, Bougainville en Buka, maar niet op Lavongai; de eilanden van de Tanga, Lihir en Tabor-groep ten oosten van New-Ireland

Soortbeschrijving

Formaat: 31 cm.

Man en pop: algemene lichaamskleur kardinaalrood; rug- en vleugeldek bruinachtig rood; de veertjes van borst, buik en flanken zijn vaalgeel gezoomd wat het onderlichaam een geschubd aanzien geeft; de buitenste vleugeldekveertjes in de vleugelbocht zijn grijs gezoomd; buitenste vleugelpennen oranjerood; staart bruinrood; de onderzijde doffer. Snavel oranjegeel met aan de basis van de bovensnavel een zwartachtige vlek; neusdop zwart. Langs de basis van de ondersnavel loopt een smalle strook naakte, vrijwel zwarte huid, die bij broedrijpe mannen bijna wit is. Oogiris oranjerood, om het oog bevindt zich een smalle naakte nagenoeg zwarte oogring. Poten donkergrijs, nagels grijszwart.

Algemene info

De kardinaallori komt nauwelijks in particuliere collecties voor, maar ook in vogelparken worden ze zelden getoond. De fokresultaten met deze vogel zijn mager, toch is er in Nederland al met succes mee gefokt. Kostbare vogels. Alleen geschikt voor gespecialiseerde lorifokkers.

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II.

Gedrag

Worden spoedig vertrouwelijk ten opzichte van hun verzorger; speels van aard; in de broedtijd zeer agressief, vaak ook tegenover verzorger. Vrij luidruchtig, laten hun stemgeluid regelmatig horen. Baden graag en uitgebreid, ook beregenen. Gevoelig voor kou.

Huisvesting en verzorging

Importvogels in kleine binnenvolière plaatsen en met zorg laten acclimatiseren bij een temperatuur van tenminste 20° C. In gevangenschap gefokte exemplaren paarsgewijs onderbrengen in buitenvolière met aangebouwd, verwarmbaar binnenverblijf waarin tijdens het koude jaargetijde tenminste een temperatuur van 15° C heerst en een lichtduur van 12 uur gewaarborgd is (bijv. van 6.00 tot 18.00 uur); minimale afmetingen buitenvlucht (lxbxh) 2,5 x 1 x 2 m, binnenruimte 2 x 1 x 2 m. Van meet af een natuurbroedblok van ca. 25 cm doorsnede bij een hoogte van 40 cm of nestkast in het binnenverblijf ter beschikking stellen aangezien de vogels hierin ook slapen; afmetingen nestkast: (lxbxh) 25 x 25 x 40 cm, wanddikte minimaal 2 cm, diameter invlieggat ca. 10 cm. Op de bodem van de nestkast dient een ca. 8 cm dikke laag grove houtsnippers of zaagsel te worden aangebracht, dit regelmatig verversen met name als er jongen zijn. De nestkast bij voorkeur zodanig plaatsen dat men er goed bijkan voor controle en schoonmaakwerkzaamheden, zonder de volière te betreden..

Kardinaallori’s zijn gevoelig voor kou, maar mogen bij goed weer ook in de winter gerust naar buiten, maar moeten wel de gelegenheid hebben het verwarmde binnenverblijf op te zoeken. Tweemaal per dag voeren. Dagelijks badwater aanbieden. Tijdens koude dagen erop toezien dat de vogels niet naar buiten kunnen (gevaar voor onderkoeling). In de zomerse periode laten deze vogels zich ook graag beregenen; regeninstallatie aanbrengen. Regelmatig verse knaagtakken verstrekken bijv. van wilgenhout. Op de bodem van de nestkast dient een ca. 8 cm dikke laag grove houtsnippers of zaagsel te worden aangebracht welke, als er jongen zijn, tenminste eenmaal per week moet worden ververst.

Dagelijks de verblijven reinigen, overgebleven voederresten verwijderen, kortom uiterste hygiëne betrachten.

Tweemaal per jaar preventief kuren tegen flagellaten.

Voeding

Komt overeen met de voeding van de zwarte lori.

Fok

Broedresultaten met de kardinaallori zijn zeldzaam; voor een groot deel is dit te wijten aan de zeldzaamheid in gevangenschap. Deze lori’s zijn met twee jaar broedrijp. In tegenstelling met de andere chalcopsittasoorten, die uit de wildbaan komen en veelal pas na jaren in broedstemming komen, schijnen de kardinaallori’s hierop een uitzondering te maken.

Begin broedseizoen april-mei. Als regel worden twee eieren gelegd, gewoonlijk om de andere dag, maar soms is de tussenpauze twee dagen. Daags voor het leggen van het tweede ei gaat de pop gewoonlijk zitten. Het broedgebeuren komt overeen met dat van de zwarte lori: broedduur ca. 25 dagen; de pop broedt alleen, maar de man houdt haar veel op het nest gezelschap; met vier weken komen de eerste pennen door, nog eens vier weken later zitten de jongen geheel in de veren; nesttijd 70 – 75 dagen; twee tot drie weken na het uitvliegen zijn de jongen zelfstandig. Aanbevolen ringmaat 7-8 mm.

 

Chalcopsitta duivenbodei (Dubois, 1884)

Duivenbode’s lori

 

Soortbeschrijving

Formaat: 31 cm.

Man en pop: voorhoofd, teugels, voorste gedeelte van de wangen en langs de snavel en de kin zijn heldergeel. Algemene lichaamskleur glanzend donkerolijfbruin; boven- en achterschedel, zijden van de kop, nek en hals matgeel bestreept; hals en zijden van de bovenborst vertonen veelal enkele verspreid voorkomende gele veertjes; de borstveren hebben smalle lichtgele veerzoompjes, waardoor een geschubd veerveld ontstaat; in de vleugelbocht bevindt zich een goudgele schoudervlek en rand; binnenkant dijen oranjegeel. Stuit en onderstaartdekveren violetblauw. Staart aan de basis donkerolijfbruin, naar de uiteinden overgoten met een diepe violetkleurige gloed; onderzijde staart olijfbronskleurig, de buitenste staartpennen tonen geel aan de buitenvlaggen. Snavel zwart met langs de basis van de ondersnavel een smalle strook naakte zwarte huid; neusdop zwart. Oogiris pruimrood, rondom het oog loopt een onbevederde nagenoeg zwarte oogring. Poten donkergrijs, nagels zwart.

Ofschoon de geslachten nagenoeg gelijk zijn, is het gele masker van de poppen gewoonlijk iets minder diep van kleur, ook de buitenvlaggen van de buitenste staartveren tonen minder geel. Volwassen mannen zijn in het algemeen iets groter en forser dan de poppen en hebben een grotere kop en snavel.

Ondersoorten

C. d. duivenbodei (Dubois, 1884)

Verspreiding: kustgebied van Noordwest-Nieuw-Guinea

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm

C. d. syringanuchalis (Neumann, 1915)

Lilaneklori

Verspreiding: kustgebied van Noordoost-Nieuw-Guinea

Kenmerken: sterk gelijkend op de nominaatvorm, maar kop en rugdek donkerder olijfbruin en overgoten met een diep violetkleurige gloed.

Algemene info

Vrij zeldzaam in gevangenschap, zeker in particuliere collecties. Broedresultaten worden slechts incidenteel behaald, hopelijk is de jaarlijkse aanwas toereikend om de handhaving van de soort in gevangenschap te kunnen realiseren. Ook de ondersoort C. d. syringanuchalis komt incidenteel in gevangenschap voor.

Deze lori’s zijn alleen geschikt voor de gespecialiseerde liefhebber.

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II.

Gedrag

Geacclimatiseerde vogels geven weinig problemen en kunnen best tegen een stootje. Tamelijk luidruchtig van aard; opvallend levendig; in het begin achterdochtig, mettertijd vertrouwelijk en zeker niet schuw; niet bijzonder knaaglustig; agressief tegenover soortgenoten, maar ook tegenover andere soorten; doorgaans vertrouwelijk tegenover verzorger, maar in de broedtijd vaak agressief, met name de wildvangvogels; baden graag en uitgebreid, laten zich ook graag beregenen, spreiden daarbij dan hun vleugels en maken een herrie van jewelste.

Huisvesting en verzorging

Importvogels in een kleine volière aan hun nieuwe omgeving en voedsel laten wennen bij een temperatuur van ongeveer 20° C. In gevangenschap gefokte exemplaren paarsgewijs onderbrengen in buitenvolière met aangebouwd, verwarmbaar binnenverblijf waarin tijdens het koude jaargetijde tenminste een temperatuur van 15° C heerst en een lichtduur van 12 uur gewaarborgd is (bijv. van 6.00 tot 18.00 uur); minimale afmetingen buitenvlucht (lxbxh) 2,5 x 1 x 2 m, binnenruimte 2 x 1 x 2 m. Tussen de buitenvolières dubbel gaas aanbrengen met een tussenruimte van ca. 5 cm, dit om teenbeschadigingen bij de buurtbewoners te voorkomen; geen chalcopsittasoorten in aangrenzende volières plaatsen. Vanaf het begin in de binnenvlucht een natuurbroedblok of nestkast ter beschikking stellen die hen als slaapplaats dient en waarin ze later ook kunnen broeden: afmetingen broedblok 40 cm hoog diameter ca. 25 cm; nestkast (lxbxh) 25 x 25 bodemoppervlakte, zelfde hoogte als broedblok; diameter invlieggat 10 cm; wanddikte 3 cm; op de bodem van de nestkast een ca. 8 cm dikke laag grove houtsnippers of zaagsel aanbrengen. De nestkast bij voorkeur zodanig plaatsen dat men er van buiten het verblijf bijkan voor controle en schoonmaakwerkzaamheden.

Geacclimatiseerde vogels mogen in de wintermaanden als het niet te koud is gerust naar buiten als ze maar in de gelegenheid zijn het binnenverblijf op te zoeken als ze daar behoefte aan hebben. Dagelijks vers badwater geven, zo mogelijk regeninstallatie aanleggen. Tweemaal per dag voeren, het beste ‘s morgens vroeg en tegen de avond.

Regelmatig verse knaagtakken aanbieden. Dagelijks de verblijven reinigen, overgebleven voederresten verwijderen, kortom de noodzakelijke hygiëne in acht nemen. Tweemaal per jaar preventief kuren tegen flagellaten.

Voeding

Komt in grote trekken overeen met die van de zwarte lori, het zij dan dat ze qua voeding wat conservatiever zijn dan de andere chalcopsittasoorten. Ze eten bijna alleen vloeibare lorivoeding en wat fruit betreft vrijwel alleen appel, peer en banaan. Sommige eten echter wel van halfrijpe maïskolven. Groenvoer laten ze meestal links liggen. Het zou echter goed zijn wanneer men zou proberen de vogels aan een meer uitgebreider menu te wennen.

Fok

Deze lori’s komen als regel pas na tweeëneenhalf jaar in broedstemming. Begin broedseizoen eind maart - begin april. Als de mannen beginnen te baltsen worden de ze steeds agressiever waarbij opvalt dat wildvangvogels in de broedtijd agressiever zijn dan in gevangenschap geboren exemplaren, soms is het vrijwel onmogelijk zonder voorzorgsmaatregelen de volière te betreden. Het legsel bestaat uit twee eieren die met een tussenpoos van twee, soms drie dagen worden gelegd. Sommige poppen gaan daags voordat het tweede ei gelegd wordt zitten, maar er zijn er ook die pas na het leggen van het tweede ei met de broed beginnen. De pop broedt alleen; broedduur 25 dagen. Als de jongen uitkomen wegen ze ongeveer 8 gram. Op de rug tonen ze tamelijk lang wit nestdons, voor de rest zijn ze kaal; de snavelkleur is donkerbruin. In het begin groeien de jongen zeer traag. Op de achtste dagen wordt de eerste grijze donsbevedering zichtbaar, ruim een week later zitten de jongen volledig in het dons. Ongeveer drieëneenhalve week na de geboorte gaan de ogen open en beginnen aan de vleugels de veerschachten door te komen, ongeveer een maand later zitten de jongen geheel in de veren. Tussen de achttiende en drieëntwintigste dag kunnen de jongen geringd worden; ringmaat 7,5 mm. Gedurende de nesttijd van de jongen het strooisel in het blok regelmatig verversen, want als het te vochtig wordt is de kans groot dat de jongen onderkoelen. Hang de nestkast om die reden liefst zodanig op dat men er van buitenaf bijkan. De nestduur bedraagt 10 weken, soms enkele dagen meer. De jonge vogels tonen bij het uitvliegen een min of meer grijswitte oogring, ook de naakte huid aan de snavel is nagenoeg wit en ze zijn beduidend kleiner dan de oudervogels.

Vrij spoedig nadat de jongen uitgevlogen zijn beginnen ze zelfstandig voedsel op te nemen. De ouders blijven de jongen nog twee à drie weken bijvoeren. Daarna kunnen de jongen apart gezet worden. Twee broedsels per jaar zijn mogelijk.

Als de vogels acht maanden oud zijn is de naakte oogring en snavelhuid van grijsachtig wit omgekleurd in donkergrijs, na een jaar tonen deze vrijwel zwart.

Mutaties

Van deze lori bestaat een groene verschijningsvorm. Deze werd eind negentiger jaren in de binnenlanden van Papoea Nieuw-Guinea gevangen en verblijft sindsdien bij een bekende papegaaienkweker in Singapore waar geprobeerd wordt de mutatie vast te leggen.

Chalcopsitta scintillata (Temminck, 1835)

Geelgestreepte lori

Soortbeschrijving

Formaat 30 cm.

Man en pop: algemene lichaamskleur donkergroen. Voorhoofd en teugelstreek scharlakenrood. Boven- en achterschedel tot in de nek, wangen en oorstreek bruinzwart; achterkop, hals, nek, mantel en bovenborst zijn bleekgroen bestreept op een donkerolijfgroene ondergrond, hals en zijden van de bovenborst vertonen veelal verspreid voorkomende rode veertjes; onderborst, buik, flanken en anaalstreek heldergeel bestreept op een donkergroene ondergrond; onderrug en stuit blauwachtig groen; dijen scharlakenrood. De grote slagpennen vertonen aan de onderzijde een gele spiegel; ondervleugeldekveren scharlakenrood. Bovenzijde grote staartveren donkergroen; onderzijde aan de basis scharlakenrood, aan de uiteinden bronsgeel. Oogiris oranjekleurig, rondom de ogen loopt een onbevederde nagenoeg zwarte oogring. Snavel zwart met langs de basis van de ondersnavel een smalle strook naakte zwarte huid; neusdop zwart. Poten donkergrijs, nagels zwart.

Let wel: er zijn nauwelijks twee identiek gekleurde geelgestreepte lori’s te vinden. Het rood op de kop varieert van een smalle rode voorhoofdsband tot vrijwel doorlopend tot midden op de kruin. Ook de kleur van de streeptekening en de ondergrondkleur van de borst verschilt veelal van vogel tot vogel. Meer rood of minder rood gekleurd zegt in het algemeen niets over de aard van het geslacht.

 

Ondersoorten

C. s. chloroptera (Salvadori, 1876)

Groengestreepte lori

Verspreiding: Zuidoost-Nieuw-Guinea.

Kenmerken: gelijkend op de nominaatvorm, maar de borstbestreping is smaller en in het algemeen wat groener van tint; de ondervleugeldekveren zijn groen of, wat ook wel voorkomt, groen met hier en daar wat rode veertjes; meestal ontbreekt ook het geel aan de onderkant van de grote vleugelpennen, een kenmerk dat de andere ondersoorten wel steeds tonen.

C. s. rubrifrons G.R. Gray, 1858

Oranjegestreepte lori

Verspreiding: Aru-eilanden (Indonesië).

Kenmerken: gelijkend op de nominaatvorm, maar iets groter; de borstbestreping is breder en meer oranje getint, op het onderlichaam is de bestreping meer uitgebreid en van een diepere gele kleur. De aangegeven verschillen van C. s. rubrifrons ten opzichte van de nominaatvorm zijn echter minimaal.

C. s. scintillata (Temminck, 1835)

Verspreiding: Zuid-Nieuw-Guinea.

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

Algemene info

Komt in particuliere collecties niet zo veel voor en er wordt dientengevolge slechts mondjesmaat mee gefokt.

Wat de wetenschappelijke benaming betreft, heb ik de schrijfwijze van Rutgers gevolgd. Inderdaad, de in de meeste publicaties gebezigde benaming sintillata is fout, temeer omdat het geen enkele betekenis heeft. Daartegenover vindt scintillata zijn oorsprong in het Latijnse werkwoord scintillare; scintilla = schitterend, fonkelend, levendig glanzend of stralend. Vermoedelijk berust de incorrecte benaming op een schrijffout die naderhand door talrijke auteurs gewoon is overgenomen.

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II.

Gedrag

Geacclimatiseerde vogels zijn zeer sterk; zeer levendige vogels; vliegen graag; baden veelvuldig en uitgebreid; tamelijk luidruchtig; niet erg knaaglustig; agressief tegenover soortgenoten, maar ook tegenover andere soorten; doorgaans vertrouwelijk tegenover verzorger, weinig schuw.

Huisvesting en verzorging

Pas ingevoerde vogels moeten met zorg geacclimatiseerd worden in een binnenruimte waar het tenminste 20° C is. Gewoonlijk verloopt de quarantaineperiode bij een goede verzorging zonder veel problemen.

Alhier gefokte vogels: paarsgewijs in buitenvolière met aangebouwd, verwarmbaar binnenverblijf waarin tijdens het koude jaargetijde tenminste een temperatuur van 10° C heerst en een lichtduur van 12 uur gewaarborgd is (bijv. 6.00 tot 18.00 uur); minimale afmetingen buitenvlucht (lxbxh) 3 x 1 x 2 m, binnenruimte 2 x 1 x 2 m. Tussen de buitenvolières dubbel gaas aanbrengen met een tussenruimte van ca. 5 cm, dit om teenbeschadigingen bij de buurtbewoners te voorkomen; geen chalcopsittasoorten in aangrenzende volières plaatsen. De wanden en de vloer van de binnenvlucht moet van gladde materialen zijn gemaakt, bijv. kunststofplaten of tegelwerk, zodat het gemakkelijk kan worden gereinigd. Op de bodem in het binnenverblijf kan men desgewenst houtsnippers gebruiken; dagelijks de natte plekken vervangen en zonodig - afhankelijk van de mate van vervuiling - het gehele strooisel. In het binnengedeelte het broedblok of de nestkast ophangen. Deze moet het gehele jaar blijven hangen, want buiten de broedperiode gebruiken ze het blok als slaapplaats; broedblok regelmatig reinigen.

Geelgestreepte lori’s mogen ’s winters gerust naar buiten, maar moeten in de gelegenheid zijn het verwarmde binnenverblijf op te zoeken. Dagelijks badwater aanbieden. Tijdens koude dagen erop toezien dat de vogels direct na het baden niet naar buiten kunnen (gevaar voor onderkoeling). In de zomerse periode laten deze vogels zich ook graag beregenen; regeninstallatie aanbrengen. Regelmatig verse wilgentakken of vruchtbomentakken (onbespoten) verstrekken. Tweemaal per dag voeren, het beste ’s morgens vroeg en tegen de avond.

Dagelijks de verblijven reinigen, overgebleven voederresten verwijderen, kortom uiterste hygiëne betrachten.

Tweemaal per jaar preventief kuren tegen flagellaten.

Voeding

Komt overeen met die van de zwarte lori.

Fok

Is verschillende keren gelukt. Wildvangvogels komen meestal pas na jaren in broedstemming. In gevangenschap geboren vogels zijn na twee jaar geslachtsrijp, soms al enkele maanden eerder. In de regel accepteren man en pop elkaar vrij vlug wanneer men ze bij elkaar zet, maar er zijn natuurlijk ook uitzonderingen waarbij het wat langer duurt. De broedperiode begint al vroeg in het voorjaar, meestal vanaf maart. Een natuurbroedblok van 40 cm hoogte en een binnenwerkse diameter van 25 cm, doorsnede invlieggat 8 cm voldoet goed. Ook accepteren de vogels wel zelfgemaakte nestkasten van ongeveer 40 cm hoogte en met een bodemoppervlakte van 25 x 25 cm; sommige fokkers bevelen L-vormige nestkasten aan. De zelfgemaakte nestkasten moeten tamelijk dikwandig zijn omdat de vogels de nestkasten van binnenuit afknagen; minimale wanddikte 3 cm. Het broedblok of de nestkast moet het gehele jaar blijven hangen omdat de vogels hierin ook slapen. Hang het broedblok liefst op een plek vanwaar men er bij kan zonder de vogels te storen. Op de bodem van het blok een laag grove houtkrullen aanbrengen, deze worden door de vogels zelf wel kleiner geknaagd. De eieren worden om de andere dag gelegd, legselgrootte 2 eieren, soms zit ertussen het leggen van het eerste en tweede ei een dag meer. Gewoonlijk gaat de pop daags na het leggen van het eerste ei zitten; broedduur ca. 25 dagen; de jongen ontwikkelen zich zeer traag; nestduur tussen de 80 en 90 dagen, soms nog een week langer. Geelgestreepte lori’s hebben als ze uitvliegen een min of meer grijswitte oogring, ook de naakte huid aan de snavel is nagenoeg wit en ze zijn beduidend kleiner dan de oudervogels.

Vrij gauw nadat de jongen het nest verlaten hebben, beginnen ze zelfstandig voer op te nemen. De oudervogels blijven de jongen nog zo’n veertien dagen bijvoeren. Als de man de jongen begint te achtervolgen, moeten ze worden uitgevangen. Twee broedsels per jaar zijn mogelijk. Als er jongen zijn, de nestkast in verband met de dunne ontlasting regelmatig reinigen. Dergelijke ingrepen evenals nestcontroles deren de oudervogels gewoonlijk niet; wachten met de schoonmaak tot een tijdstip waarop de ouders het blok verlaten hebben. Ringmaat 7-8 mm.

Als de jonge vogels acht maanden oud zijn is de naakte oogring en snavelhuid veranderd in donkergrijs, na een jaar tonen deze vrijwel zwart.

Geelgestreepte lori’s voldoen in de praktijk ook goed als pleegouders voor andere grotere lorisoorten.