BLAUWVLEUGELROODSTAARTPARKIET - Pyrrhura picta (P.L.S. Müller)

Herkomst: Venezuela, in het uiterste noordwesten en ten zuidoosten van de Orinocorivier, Guyana, Suriname en Cayenne naar het zuiden vrijwel het gehele stroomgebied van de Amazonerivier, Noord-Brazilië, Zuidoost-Peru en Noord-Bolivia; ook het noorden van Colombia en West-Centraal-Panama.

Beschrijving: man en pop, lengte ongeveer 22 cm. Algemene lichaamskleur donkergrasgroen, op onderborst, flanken dijen en anaalstreek eennuance lichter en matter van tint. Direct boven de neusdop bevindt zich een smalle donkerbruine voorhoofdsband. Het hierop aansluitende veerveld is blauw. Kruin achterkop en nek zijn donkerbruin, de voorkruin is blauw bewaasd. Op de kleurscheiding van bruine nek en groene lichaamskleur bezitten de meeste exemplaren maar niet alle, een vage blauwe nekkraag; veelal is het niet meer dan een zweem van blauw. De teugels, een smalle rand om de ogen alsmede het bovenste gedeelte van de wangen zijn roodbruin; het onderste gedeelte van de wangen is blauw. De oorstreek toont beige. De grondkleur van de halszijden, keel en kropstreek is donkerbruinachtig, die van de bovenborst groenachtig bruin; de afzonderlijke veertjes bezitten een beige tot geelachtig getinte V-vormige veerzoom. Hierbij zij opgemerkt, dat zowel de grondkleur als de kleur van de veerzoompjes veelal van exemplaar tot exemplaar ietwat van elkaar verschillen. Dikwijls is de grondkleur van de halszijden, keelstreek en borst vuilbruin tot aardebruin en tonen de veerzoompjes een rozerode aanslag (zie voorplaat). Centraal op het onderlichaam bevindt zich een onregelmatige bruinrode buikvlek. De schouderdekveren en vleugelbocht zijn scharlakenrood, de vleugeldekveren en de armpennen donkergrasgroen, de primaire vleugeldekveren en de buitenvlaggen van de handpennen diep blauw. Onderrug en stuit zijn bruinrood. Bovenzijde grote staartveren aan de basis donkergrasgroen, ongeveer vanaf het midden overgaand in bruinrood; onderzijde mat bruinrood. Bovenstaartdekveren donkergrasgroen;

onderstaartdekveren iets matter en lichter dan het bovenstaartdek en enigszins blauw bewaasd. Snavelkleur bruinachtig donkergrijs. De oogiris is bruin, de naakte oogring grijs. Poten grijs, nagels grijszwart.

Ondersoorten

Men onderscheidt negen ondersoorten. Het zojuist beschreven nominaatras, P. p. picta (P.L.S. Müller) bewoont de regenwouden van Venezuela ten zuidoosten van de Orinoco, Guyana, Suriname, Cayenne en het Amapá  territorium in Noord-Brazilië. De Santarem-parkiet, P. p. amazonum Hellmayr, leeft in een betrekkelijk klein gebied in het noorden van Brazilië ten noorden van de Amazone in de omgeving van Obidos. Lijkt in grote trekken op de nominaatvorm, maar toont niettemin duidelijk zichtbare verschillen. Het blauw op het voorhoofd bijvoorbeeld is duidelijk smaller en komt slechts tot aan het oog. De oorstreek is donkerder en neigt meer naar flets bruin. De borstveertjes zijn olijfkleurig bruin; de afzonderlijke veertjes bezitten een grauwwitte tot bruinachtig witte V-vormige veerzoom, die duidelijker breder is dan van het nominaatras. De schouderdekveren en vleugelbocht zijn donkergrasgroen met soms hier en daar een enkel rood veertje. Bovenzijde grote staartveren vrijwel geheel bruinrood. De naakte oogring is wat lichter van kleur, meer grijsachtig wit.

De Magdalena-parkiet, P. p caeruleiceps Todd, komt alleen voor aan de westzijde van de oostelijke Cordillera van het Andesgebergte in de provincies Magdalena en Norte de Santander in het noorden van Colombia.

Ook deze ondersoort lijkt op de nominaatvorm, maar de smalle voorhoofdsband en de teugels zijn rood. Deze kleur gaat op de wangen geleidelijk over in donker roodbruin. Het gehele schedeldek is verder blauw, de oorstreek grijsachtig wit. In de nek bevindt zich een goed waarneembare blauwe kraag. De grondkleur van de halszijden, de keelstreek en de bovenborst is een nauwelijks te definiëren bruinachtig blauw; de afzonderlijke veertjes zijn voorzien van een vrij brede, flets bruinachtig grijze V-vormige veerzoom. De naakte oogring is nagenoeg wit.

De Azuero-parkiet, P. p. eisenmanni Delgado, is pas in het begin van de jaren tachtig ontdekt en wordt daarom alleen in de nieuwste vogelliteratuur genoemd. Deze ondersoort komt vermoedelijk alleen voor op het schiereiland Azuero in de provincie Los Santos, Panama.

Het voorhoofd en de teugels zijn rood, de wangen donkerrood. De bevedering van de halszijden de keelstreek en de bovenborst is vuil bruinblauw; de afzonderlijke veertjes hebben een bruinachtig witte zoom, maar de typische V-vorm ervan ontbreekt bij dit ras. De buikvlek is donkerbruinrood en vrij omvangrijk. De naakte oogring is donkergrijs.

De prins Lucien's parkiet, P. p. lucianii (Deville), bewoont de bovenstroom van de Amazonerivier in het noordwesten van Brazilië en het aangrenzende Noordoost-Peru langs de Rio Purús en de Madeira zuidwaarts tot in Centraal-Bolivia en Zuidoost-Peru.

Lengte 22 cm. Gelijkend op de nominaatvorm, maar met weinig of geen blauw op voorhoofd en schedel; sommige hebben een rood voorhoofd, rode teugels en een smalle rode wenkbrauwstreep. De blauwe kraag in de nek is meestal beperkt tot een vage blauwe waas. De grondkleur van halszijden en keel is smoezelig donkerbruin op de bovenborst overgaand in een soort groen; de afzonderlijke veertjes hebben aan halszijden en keel een bruinachtig grijze en aan de bovenborst een geelachtig witte veerzoom. De schouderdekveren en vleugelbocht zijn donkergrasgroen, soms met hier en daar een rood veertje. De naakte oogring is nagenoeg wit.

De kleine blauwvleugelroodstaartparkiet, P. p. microtera Todd, leeft ten zuiden van de Amazonerivier tussen de rivieren Tapajáás en Tocantins, Noord-Centraal-Brazilië.

Eveneens gelijkend op het nominaatras, maar duidelijk kleiner; lengte ongeveer 20 cm. Op het voorhoofd bevindt zich slechts een zeer smalle strook blauw, nog smaller dan bij amazonum; ook op de wangen is het blauw beperkt tot hooguit een blauwe waas. De oorstreek heeft een fletse bruinachtige kleur. De grondkleur van keelstreek en bovenborst is vuilbruin; de afzonderlijke veertjes hebben een flets bruine veerzoom. Schouders en vleugelbocht effen donkergrasgroen, zonder enig rood.

De Jaraquielparkiet, P. p. subandina Todd, wordt alleen aangetroffen in het Sinú-rivierdal in Noordwest-Colombia.

Gelijkend op de nominaatvorm, maar lengte ongeveer 21 cm. De teugels en een smalle band op het voorhoofd zijn bruinrood, de wangen blauwgroen. De oorstreek is geelachtig bruin. De nek is ietwat blauw bewaasd. De grondkleur van de halszijden de keelstreek en de bovenborst heeft een smoezelige bruinblauwe tint; de afzonderlijke veertjes hebben een lichtgrijsbruine zoom. De oogiris is geelachtig bruin, de naakte oogring nagenoeg wit.

De Pantchenko's parkiet, P. p. pantchenkoi Phelps, bewoont het berggebied ten westen van het Lago de Maracaibo in Noordwest-Venezuela.Lengte van deze ondersoort ongeveer 24 cm. Heeft net als de vorige een smalle bruinrode voorhoofdsband en teugels, maar de veertjes van het schedeldek zijn zwartachtig met een blauwe waas; deze waas is op de voorkruin het sterkst. Wangen blauwgroen, oorstreek geelachtig bruin. De grondkleur van halszijden keelstreek en bovenborst is grijsachtig, de veerzoompjes slechts een weinig lichter van tint en daardoor nauwelijks waarneembaar. Schouders en vleugelbocht zijn rood.

De roodkopparkiet, P. p. roseifrons (G.R. Gray), leeft aan de bovenstroom van de Juruá in de provincie Amazonas, Noordwest-Brazilië.

Lijkt op de P. p. lucianii, maar voorhoofd, kruin, teugels, het gebied rondom de ogen en het bovenste deel van de wangen zijn rood. De flanken en de onderstaartdekveren hebben een ietwat olijfachtig aandoende groene tint. Stuit en buikvlek helderder rood, minder bruinachtig getint; bovendien is de buikvlek groter, meer uitgebreid naar de flanken. De vleugelbocht is groen met hier en daar een enkel rood veertje. Lengte 22 cm.

Biotoop

De blauwvleugelroodstaartparkiet bewoont de tropische en subtropische regen- en bergwouden aan rivieroevers en langs de kust met een hoge vochtigheidsgraad en warmte. De vogels leven in kleine groepen. Het natuurlijke voedsel bestaat uit zaden, vruchten, noten en bessen. De vogels brengen de nacht door in een boomholte. Ook het nest is in een boomholte. Gewoonlijk bestaat het legsel uit 3 á 4 eieren.

Huisvesting

De blauwvleugelroodstaartparkiet is in het verleden slechts mondjesmaat ingevoerd, voor het eerst in Londen in 1870. Ze worden weinig in particuliere collecties aangetroffen, dit ondanks het feit dat er sinds het midden van de zeventiger jaren toch regelmatig kleine zendingen van deze soort in Europa zijn aangekomen en via de importhandel bij de liefhebber beland. Pas geïmporteerde vogels moeten met zorg behandeld worden, want in het begin is er veel uitval. Met hier te lande gekweekte vogels is het risico vrijwel nihil, maar daartegenover staat dat de prijs ongeveer het dubbele is van wildvang. De ideale huisvesting voor dit soort vogels is een kleine buitenvolière met aansluitend nachthok. Met een vluchtje van 3 m is een paartje dik tevreden. Ofschoon de blauwvleugelroodstaart wanneer hij eenmaal is geacclimatiseerd een vrij sterke vogel is, verdient het aanbeveling het nachtverblijf zodanig in te richten, dat het vorstvrij gehouden kan worden. Met een klein elektrisch verwarmingselement van 500 Watt met thermostaat is dit eenvoudig te realiseren.

Pyrrhura-soorten zijn van nature woudbewoners en daarom erg gesteld op een schuilplaats waar ze zich ongezien en ongestoord kunnen terugtrekken. Dit kan op een eenvoudige manier bereikt worden door ergens in een hoek van het verblijf een plank te bevestigen, waarachter de vogels zich kunnen verschuilen. Ook in

een met klimplanten overdekte volière zal dit soort vogels zich spoedig thuis voelen. Het broedblok dat tevens dienst doet als slaapplaats, komt in het nachtverblijf te hangen. Begin met twee broedblokken zover mogelijk van elkaar op te hangen. Wanneer de vogels eenmaal een keuze gemaakt hebben, kan het overtollige blok worden verwijderden elders in de fokkerij gebruikt.

In het algemeen gaat de voorkeur van Zuid-Amerikaanse parkieten uit naar een natuurbroedblok. Geschikte maten zijn: 60 cm hoog, binnenwerkse diameter 20 cm; doorsnede van het invlieggat 6 cm. Het meest ideaal zijn dikwandige blokken die aan de onderkant wat breder uitlopen. Zo'n conisch broedblok heeft als voordeel dat op de plaats waar de pop zit te broeden de wanddikte van het hout het dikst is waardoor de temperatuur vrijwel constant blijft.

Voeding

Het hoofdvoedsel voor dit soort vogels bestaat uit een kwalitatief goed zaadmengsel voor grote parkieten en veel groenvoer en fruit. Groenvoer en fruit is voor pyrrhura-soorten erg belangrijk en niet slechts een bijvoer dat, zoals bij de meeste parkieten en papegaaiachtigen, in kleine hoeveelheden als aanvulling wordt aangeboden. In aanmerking komen alle groente- en fruitsoorten die voor menselijke consumptie geschikt zijn. Ook gekiemd zaad, halfrijpe kolfmaïs en allerhande onkruidzaden zoals vogelmuur, kruiskruid, weegbree, melkdistel en herderstasje worden graag genomen, evenals lijsterbessen. Verder dagelijks een kleine hoeveelheid eivoer, of beter nog, een weinig universeelvoer waaraan gedroogde insecten zijn toegevoegd. Het weekvoer rul maken met wat gekiemd zaad. Vanzelfsprekend zorgen we ervoor dat fris drinkwater, scherpe maagkiezel en grit steeds ter beschikking staan. Ook verse takken en twijgen mogen nooit ontbreken. De behoefte om te baden is bij deze vogels erg groot.

De mogelijkheid hiertoe dient dus steeds aanwezig te zijn.

De fok

Over de fok met deze vogels is in de literatuur weinig te vinden. Het eerste broedresultaat met het nominaatras kwam in 1976 tot stand en staat op naam van wijlen mevrouw Spenkelink-Van Schaik. Sindsdien is er enkele keren met de nominaatvorm gekweekt in Duitsland en Zwitserland, o.a. bij Leumann, Prohl en

Schnellbacher. In 1982 boekte de Amerikaan Bill Wilson succes. Sedert een aantal jaren zijn er ook in ons land weer enkele successen geweest.

Het broedsucces dat onze landgenote mevrouw Spenkelink met de blauwvleugelroodstaartparkiet had, komt op het volgende neer:

In het vroege voorjaar van 1976 worden zes vogels bij elkaar gezet in een buitenvolière van 3 m lang, 90 cm breed en 2 m hoog. Achter in de volière zijn twee broedblokken model 'roodrug' opgehangen. Twee vogels sterven na korte tijd door onbekende oorzaak; ze worden op zekere dag dood in een van de blokken aangetroffen. Als enige tijd later twee vogels broedneigingen krijgen en aan hun blok beginnen te knagen, worden de overige vogels uitgevangen en elders ondergebracht. Het door de vogels uitverkoren blok is een holle tak van een oude wilg. Deze heeft een lengte van 60 cm, een uitwendige doorsnede van 25 cm en een inwendige diameter variërend van 15 tot 17 cm, ietwat ovaal van vorm dus.

Vanaf half maart verdwijnt één van de vogels steeds vaker overdag in het blok. Tijdens nestcontrole op 8 april, wordt het eerste ei aangetroffen. Het bijna ronde ei ligt in een tamelijk diep kuiltje dat de pop in het molm heeft gemaakt; afmetingen van het ei 26 x 23 mm. Nog vijf eieren volgen met tussenpozen van twee dagen. De pop broedt alleen, wel houdt de man de pop van tijd tot tijd gezelschap.

Op 1 mei wordt het eerste jong geboren. Op 6 mei zijn er drie jongen. Twee eieren blijken onbevrucht te zijn, één ei bevat een in een vroeg stadium afgestorven embryo. Op 29 juni 's middags vliegt een jong uit. 's Avonds keert het echter weer terug in het blok. Op 30 juni zitten alle drie jongen op stok. Tegen de avond zoeken ze echter het blok weer op. Mevrouw Spenkelink geeft als broedduur 22 dagen aan. Dit komt overeen met de gegevens die we van andere pyrrhrasoorten hebben. De voeding bestond uit een zaadmengsel voor grote parkieten, allerlei soorten fruit en veel groenvoer. Het ringen van de jongen dient tussen de tiende en de vijftiende dag te gebeuren; ringmaat 5,4 mm. Wat betreft de broedduur nog het volgende.

Bij pyrrhura's wordt uitgegaan van een broedduur voor elk ei van

22 - 23 dagen, e.e.a. is afhankelijk van de heersende buitentemperatuur. De pop broedt als regel vanaf het tweede of het derde ei, slechts zelden vanaf het eerste, vierde of vijfde ei. Wanneer de pop met broeden begint, is van paar tot paar en zelfs van keer tot keer verschillend. In menig kweekverslag wordt een veel te lange broedduur vermeld.

Soms wordt de broedduur van het gehele legsel bedoeld. Veel vaker echter wordt niet goed ingeschat wanneer de pop begint te broeden of worden de onbevruchte eieren - meestal de eieren die het eerst gelegd werden - buiten beschouwing gelaten. Ook wordt onvoldoende rekening gehouden met het feit, dat menige

parkietenpop vanaf het eerste ei in het broedblok blijft, zonder daadwerkelijk te broeden. Voor het berekenen van de broedduur is het dus belangrijk dat men precies vaststelt wanneer de pop met broeden begint.

TEKST: H.W.J. van der Linden

E-mail: hvdlinden@gmx.net