BLAUWKEELPARKIET

Pyrrhurasoorten zijn "in". Steeds meer liefhebbers voelen zich aangetrokken tot deze fraai gekleurde en getekende Zuid-Amerikaanse parkieten. Hoewel de blauwkeelparkiet, Pyrrhura cruentata (Wied), zeker niet tot de meest gehouden soort van het geslacht Pyrrhura gerekend kan worden neemt de belangstelling voor deze soort wel gestaag toe.

Herkomst

Oost-Brazilië. Het verspreidingsgebied strekt zich uit van zuidelijk Bahia zuidwaarts langs de kust tot Noordoost-Sao Paulo, landinwaarts tot Minas Gerais. De noordgrens van het woongebied is Monte Pascoal.

Soortbeschrijving

Man en pop: de lengte is ongeveer 30 cm. De algemene lichaamskleur is donkergrasgroen, op het onderlichaam een nuance lichter van tint. Voorhoofd, schedeldek en achterkop zijn donkerbruin; de afzonderlijke veertjes geelachtig bruin omzoomd, op de achterkop het meest opvallend. Teugels, omgeving van de ogen en de oorstreek zijn roodbruin. Aan weerszijden van de achterhals, direct aansluitend aan de roodbruine oorvlek bevindt zich een oranjegeel veerveld. De wangen zijn donkergrasgroen. Over de keelstreek loopt een diepblauwe band, zich uitstrekkend tot op de halszijden en het bovengedeelte van de borst. Centraal op het onderlichaam bevindt zich een donkerrood veerveld. Het onderste gedeelte van de rug en de stuit zijn eveneens donkerrood. De vleugelbocht is helderrood. De buitenvlaggen van de handpennen zijn diepblauw. De bovenzijde van de grote staartveren is olijfkleurig, de onderzijde bruinrood. De snavel is donkergrijs. Oogiris warmgeel. Poten grijs; nagels grijszwart.

Biotoop

De blauwkeelparkiet is oorspronkelijk een bewoner van het regenwoud, komt echter ook voor in licht beboste gebieden en in cultuurgebieden waarin nog veel van de oorspronkelijke oude boombestanden zijn overgebleven.

Komt in het gehele verspreidingsgebied slechts plaatselijk en vrij spaarzaam voor, is in het nog overgebleven oerwoudgebied echter nog vrij talrijk, maar is vermoedelijk het talrijkst in de van overheidswege beschermde natuurreservaten. Gelukkig is de toestand momenteel zo dat de soort niet met uitsterven wordt bedreigd.

De vogels worden gewoonlijk in kleine groepen van 4 tot 10 stuks aangetroffen. Buiten het broedseizoen vormen ze grotere groepen en zijn dan vooral in vruchtdragende boomsoorten te vinden. In de hogere oerwoudvegetatie echter komen ze niet. Tijdens de vlucht en bij het opzoeken en verlaten van de slaapplaatsen laten ze hun luide roep veelvuldig horen. Over hun broedgewoonten in de vrije natuur is weinig bekend, behalve dan dat ze in boomholten broeden.

Avicultuur

De eerste exemplaren van de blauwkeelparkiet waren al in 1869 in de dierentuin van Londen (London Zoo) te zien, maar over het geheel genomen is deze parkiet weinig in de handel geweest. In het midden van de zeventiger jaren zijn er nog enkele kleine zendingen naar Europa gekomen, maar als gevolg van de Conventie van Washington is de invoer al een aantal jaren geheel gestopt is de kweker geheel aangewezen op het in gevangenschap aanwezige fokmateriaal.

In het verleden zijn er verschillende particuliere initiatieven ontplooid om onverwante kweekparen samen te stellen, teneinde de soort in gevangenschap in stand te kunnen houden. De resultaten van deze inspanningen zijn bevredigend te noemen.

Het aantal blauwkeelparkieten in ons land neemt elk jaar nog toe. Momenteel leven er in Nederland ruw geschat zo'n 200 blauwkeelparkieten in volières. Ook bij de liefhebbers in Duitsland, Denemarken en Zwitserland schijnen voldoende onverwante paren aanwezig te zijn.

Huisvesting

De blauwkeelparkiet is van nature luidruchtig en onverdraagzaam. Gezien dit laatste kunnen deze vogels uitsluitend paarsgewijs ineen volière ondergebracht worden. Aanbevolen afmetingen minimaal 3 m lang, 1 m breed en 2 m hoog. Een beschutte ruimte is voldoende want de vogels zijn volkomen winterhard. Ook jonge vogels zijn weinig gevoelig voor kou.

Pyrrhura-soorten zijn van nature woudbewoners en daarom erg gesteld op een schuilplaats waar ze zich ongezien en ongestoord kunnen terugtrekken. Dit kan op een eenvoudige manier bereikt worden door ergens in een hoek van het verblijf een plank te bevestigen, waarachter de vogels zich kunnen verschuilen. Ook in een met klimplanten overdekte volière zal dit soort vogels zich spoedig thuis voelen.

Het broedblok dat tevens dienst doet als slaapplaats, komt in het nachtverblijf te hangen. Begin met twee broedblokken zover mogelijk van elkaar op te hangen. Wanneer de vogels eenmaal een keuze gemaakt hebben, kan het overtollige blok worden verwijderd en elders in de fokkerij gebruikt.

In het algemeen gaat de voorkeur van Zuid-Amerikaanse parkieten uit naar een natuurbroedblok. Geschikte maten voor de blauwkeel zijn: 60 cm hoog, binnenwerkse diameter 22 cm, wanddikte 8 10 cm; doorsnede van het invlieggat 6 cm. Het meest ideaal zijn dikwandige blokken die aan de onderkant wat breder uitlopen. Zo'n conisch broedblok heeft als voordeel dat op de plaats waar de pop zit te broeden de wanddikte van het hout het dikst is waardoor de temperatuur vrijwel constant blijft.

De opgegeven wanddikte van het broedblok geeft aanleiding tot enige toelichting. Veel Zuid-Amerikaanse parkieten waaronder de blauwkeelparkiet, bedekken vanaf de derde levensdag de uitwerpselen van hun jongen met spaanhout dat ze van de binnenwand van het blok afknagen. Bij een geringe wanddikte van het broedblok is de kans groot dat de jongen voortijdig met de onderkant van het blok op de volièrebodem belanden. Bij de opgegeven wanddikte gaat het broedblok gemiddeld twee broedsels mee.

Voeding

Het hoofdvoedsel voor dit soort vogels bestaat uit een kwalitatief goed zaadmengsel voor grote parkieten en veel groenvoer en fruit. Groenvoer en fruit is voor pyrrhura-soorten erg belangrijk en niet slechts een bijvoer dat, zoals bij de meeste parkieten en papegaaiachtigen, in kleine hoeveelheden als aanvulling wordt aangeboden. In aanmerking komen alle groente- en fruitsoorten die voor menselijke consumptie geschikt zijn. Ook gekiemd zaad, halfrijpe kolfmaïs en allerhande onkruidzaden zoals vogelmuur, kruiskruid, weegbree, melkdistel en herderstasje worden graag genomen, evenals lijsterbessen. Verder dagelijks een kleine hoeveelheid eivoer, of beter nog, een weinig universeelvoer waaraan gedroogde insecten zijn toegevoegd. Het weekvoer rul maken met wat gekiemd zaad. Vanzelfsprekend zorgen we ervoor dat fris drinkwater, scherpe maagkiezel en grit steeds ter beschikking staan. Ook verse takken en twijgen mogen nooit ontbreken. De behoefte om te baden is bij deze vogels erg groot, de mogelijkheid hiertoe dient dus steeds aanwezig te zijn.

 

De fok

Over de fok met deze vogels is in de literatuur weinig te vinden. Het eerste kweekresultaat met blauwkeelparkiet kwam in 1937 tot stand en staat op naam van de Engelsman Whiteley. Op het vaste land van Europa was het in 1977 raak bij de Zwitser K. Mathys en de Nederlanders Sissons en wijlen mevrouw Spenkelink-Van Schaik. Sindsdien is er regelmatig, zij het mondjesmaat, met deze vogels in ons land gekweekt. Met name mevrouw Spenkelink heeft in de beginperiode enorm bijgedragen aan het behoud voor de liefhebberij van deze soort. In de periode 1977 - 1984 kreeg ze maar liefst 31 jongen op stok.

Het broedseizoen van de blauwkeelparkiet begint bij de meeste kwekers in april. Meestal is pas in mei het legsel compleet. Het legsel varieert van 4 tot 9 eieren, maar gemiddeld blijft het bij 6 of 7 stuks. Het aantal bevruchte eieren is gewoonlijk hoog. Hooguit is één ei onbevrucht. Wel zijn er kwekers die klagen dat het eerste legsel vaak verloren gaat of dat het ouderpaar slechts een gedeelte van de uitgekomen jongen grootbrengt. Later worden de nakomelingen bijna altijd probleemloos grootgebracht. Het verloren gaan van het eerste legsel zou verband kunnen houden met de leeftijd en dus de onervarenheid van de oudervogels. Volgens mevrouw Spenkeling moeten de vogels 3 tot 4 jaar zijn, voordat op succes gerekend kan worden. Andere bekende Pyrrhra-fokkers die ik hierover belde, lieten weten dat de kweek soms na 2 jaar al lukt, maar geven toe de vogels gemiddeld 3 jaar oud moeten zijn om er met succes mee te kunnen kweken.

De tijdsduur tussen paring en het leggen van het eerste ei is variabel maar is gewoonlijk ongeveer 14 dagen. De eieren worden om de andere dag gelegd, in uitzonderingsgevallen is de legafstand 3 dagen. De pop broedt alleen, wel houdt de man de pop van tijd tot tijd gezelschap. De broedduur is 22 - 23 dagen. Dit komt overeen met de bevindingen die ik met andere pyrrhrasoorten heb ervaren.

Als de jonge blauwkeelparkieten uitkomen zijn ze met een witachtig dons overdekt waar de roze huid duidelijk doorheen schijnt. Vanaf de negende dag zijn de opkomende veren als kleine donkere streepjes door de huid te zien. Na ongeveer 14 dagen gaan de ogen open en komen de eerste stoppeltjes tevoorschijn Het dons wordt geleidelijk aan donkerder. Dit is ook zo ongeveer de tijd om te ringen; ringmaat 6 mm.

Op een leeftijd van zes weken zijn de jonge vogels vrijwel geheel bevederd. Ze zijn wat matter van kleur op het schedeldek zijn de veertjes roodachtig omrand. De omgeving van de oren toont eveneens enigszins roodachtig. In de vleugelbocht is het rood nog minimaal.

Jonge blauwkeelparkieten verlaten het nest op een leeftijd van 45 - 50 dagen. Een dag of tien later eten de vogels zelfstandig, maar ze worden nog drie tot vier weken door de ouders bijgevoerd. Daarna kunnen ze worden uitgevangen en apart gezet.

Wat betreft de broedduur nog het volgende: Bij pyrrhura's wordt uitgegaan van een broedduur voor elk ei van 22 - 23 dagen, e.e.a. is afhankelijk van de heersende buitentemperatuur. De pop broedt als regel vanaf het tweede of het derde ei, slechts zelden vanaf het eerste, vierde of vijfde ei. Wanneer de pop met broeden begint, is van paar tot paar en zelfs van keer tot keer verschillend.

In menig kweekverslag wordt een veel te lange broedduur vermeld. Soms wordt de broedduur van het gehele legsel bedoeld. Veel vaker echter wordt niet goed ingeschat wanneer de pop begint te broeden of worden de onbevruchte eieren - meestal de eieren die het eerst gelegd werden - buiten beschouwing gelaten. Ook wordt onvoldoende rekening gehouden met het feit, dat menige parkietenpop vanaf het eerste ei in het broedblok blijft, zonder daadwerkelijk te broeden. Voor het berekenen van de broedduur is het dus belangrijk dat men precies vaststelt wanneer de pop met broeden begint.

 

Tekst: H.W.J. van der Linden

E-mail: hvdlinden@gmx.net