Genus ALISTERUS Mathews, 1911

KONINGSPARKIETEN

Alisterus amboinensis (Linnaeus, 1766)

Ambon koningsparkiet

 

Soortbeschrijving

Formaat: 35 cm.

Man en pop: kop, nek, halszijden, borst, buik, flanken, dijen en anaalstreek zijn diep scharlakenrood. Mantel, rug, stuit en bovenstaartdekveren zijn diep violetblauw, de onderstaartdekveren zwart met brede, scherp afstekende, scharlakenrode veerzomen. Vleugelbocht en kleine vleugeldekveertjes diep violetblauw, de rest van de vleugels is dof donkergroen. De bovenkant van de staartveren is paarszwart, de onderzijde grijszwart met brede roze zoom langs de binnenvlaggen van de buitenste drie secundaire staartveren. Bovensnavel aan de basis oranjerood, aan de punt grijszwart; ondersnavel grijszwart. Oogiris oranjekleurig. Rondom het oog bevindt zich een donkergrijze naakte oogring. Poten grijs; nagels grijszwart.

Ondersoorten

A. a. amboinensis (Linnaeus, 1766)

Verspreidingsgebied: eilanden Ambon en Ceram (Indonesië).

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

 

A. a. buruensis (Salvadori, 1876)

Buru koningsparkiet

Verspreidingsgebied: eiland Buru (Indonesië)

Kenmerken: Formaat 36 cm. Als amboinensis, maar dwars over de bovenrug aan de bovenzijde van de violetblauwe mantel loopt een variabele donkergroene band. De roze omzoming langs de onderkant van de buitenste staartpennen is veel breder dan van de nominaatvorm, die op de beide naastliggende staartveren is juist veel smaller. De snavel is grijszwart.

 

A. a. dorsalis (Quoy & Gaimard, 1830)

Salawati koningsparkiet

Verspreidingsgebied: Noordwest Nieuw Guinea en naburige eilanden.

Kenmerken: Formaat 33 cm. De rode kleur van kop en onderlichaam is een nuance donkerder dan van de nominaatvorm. De roze omzoming langs de onderkant van de drie buitenste staartpennen ontbreekt.

 

A. a. hypophonius (S. Müller, 1843)

Blauwvleugelkoningsparkiet

Ook: Halmahera koningsparkiet

Verspreidingsgebied: eiland Halmahera (Indonesië)

Kenmerken: Formaat 34 cm. Gelijkend op de nominaatvorm, maar de vleugels zijn blauw, de kleine vleugeldekveren violetblauw, de rest van de vleugel zwartachtig blauw. De roze omzoming langs de onderkant van de drie buitenste staartpennen ontbreekt.

 

A. a. sulaensis (Reichenow, 1881)

Sula koningsparkiet

Verspreidingsgebied: eiland Sula (Indonesië)

Kenmerken: Formaat 34 cm. Als amboinensis, maar dwars over de bovenrug aan de bovenzijde van de violetblauwe mantel loopt een variabele donkergroene band. De roze omzoming langs de onderkant van de drie buitenste staartpennen ontbreekt

 

A. a. versicolor Neumann, 1939

Peleng koningsparkiet

Verspreidingsgebied: eiland Peleng (Indonesië)

Kenmerken: Formaat 33 cm. Als aboinensis, maar met kortere staart. De roze omzoming langs de onderkant van de drie buitenste staartpennen ontbreekt

 

Algemene info

Zeldzame volièrevogel. Ambon koningsparkieten worden wereldwijd slechts in zeer beperkte mate in particuliere collecties gehouden.

 

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II.

 

Gedrag

Rustige vogel; sommigen mannen (kan per individu verschillen) zijn echter zeer agressief tegenover de pop, ook omgekeerd komt agressief gedrag voor, menigmaal met dodelijke afloop. Gevoelig voor koude en kille vochtige temperaturen tijdens het acclimatiseren; vogels gaan vaak te gronde aan schimmelinfecties, vooral de poppen zijn hiervoor gevoelig. Tamelijk luide contactroep; weinig knaaglustig; vliegen graag. De Ambon koningsparkiet schijnt ’s nachts goed te kunnen zien.

 

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in volière met aangebouwde, verwarmbare binnenruimte, gelegen op een lichtbeschaduwde plaats; geen paren koningsparkieten in de naastgelegen volières onderbrengen. Tijdens de acclimatisatieperiode moet de omgevingstemperatuur voor de vogels 20° - 25° C zijn en moet er een tamelijk hoge luchtvochtigheidsgraad heersen. Als de vogels aan ons klimaat gewend zijn, de temperatuur in het binnenverblijf minimaal op 5° C houden. Vogels ’s nachts in het binnenverblijf opsluiten.minimale afmetingen (lxbxh) 6 x 1,5 x 2 m, in kleinere vluchten worden de vogels snel te vet; In verband met mogelijke, plotseling optredende agressiviteit tussen de partners is huisvesting ’s winters in een kleine binnenruimte niet zonder risico. Het beste is de partners in afzonderlijke, naast elkaar gelegen binnenvluchten onder te brengen waarbij de vogels elkaar kunnen zien.

Deze vogels baden gewoonlijk niet in badschalen, sommige echter wel, maar ze zijn zonder uitzondering alle gesteld op een dagelijks regenbad; regeninstallatie aanbrengen. Ofschoon deze vogels weinig knagen, dient men van tijd tot tijd voor verse knaagtakken te zorgen.

Tweemaal per jaar een wormkuur geven.

 

Voeding

Tijdens de acclimatisering eten deze vogels veel groenten en fruit, vooral bessen, daarnaast gekiemde en halfrijpe zaden, vooral maïs en halfrijpe zaden van haver en tarwe in de aar, ook wortelen, rozenbottels en appels alsook allerlei groenvoer zoals muur, paardenbloem, herderstasje enz. Verder een zaadmengsel voor grote parkieten.

Geacclimatiseerde vogels krijgen een zaadmengsel voor grote parkieten, zowel in droge als in gekiemde toestand aanbieden; ook gekookte bonen worden graag genomen. Verder veel fruit, vooral in de vorm van allerlei bessen aanbieden, ook allerhande groenvoer en in het voorjaar wilgen- en fruitboomtakken (onbespoten) met verse bladknoppen. Buiten de broedtijd tenminste tweemaal per week een gift rulgemaakt eivoer verstrekken. Water, grit en maagkiezel dienen steeds ter beschikking te staan. Zowel voer als drinkwater in het bovenste gedeelte van het binnenverblijf aanbieden.

In de broedtijd weekvoer voor insecteneters verstrekken, verder met geraspte wortel rul gemaakt eivoer en in melk geweekt oud brood waaraan een multivitaminen- en mineralenpreparaat is toegevoegd.

 

Fok

Met de nominaatvorm A. a. amboinensis en de ondersoorten A. a. dorsalis en A. a. buruensis wordt regelmatig in kleine aantallen in gevangenschap gefokt; van de laatste ondersoort bestaan in Europa enkele kleine volièrebestanden. Van A. a. hypophonius, A. a. sulaensis en A. a. versicolor zijn geen broedresultaten bekend.

Het grootste probleem is het samenstellen van een broedpaar. Vogels die als jonge vogel zelf hun partner hebben kunnen uitzoeken, blijken als broedpaar het meest succesvol te zijn. Ambon-koningsparkieten zijn op een leeftijd van 3 jaar geslachtsrijp, sommige al met twee. Het omparen van geslachtsrijpe vogels is niet zonder risico en kan fataal aflopen. Niet alle geslachtsrijpe vogels zijn agressief tegenover elkaar, maar vele wel.

Deze vogels broeden in diepe nestkasten met een binnenwerkse oppervlakte van 25 x 25 cm en een hoogte van 120 tot 180 cm, ook in natuurstammen met een binnenwerkse diameter van 30 cm en eveneens 120 tot 180 cm diep; diameter invlieggat 9 cm. Op de bodem een laag vermolmd hout aanbrengen. De kast of het blok schuin ophangen. Broedbegin meestal vanaf mei-juni. Man en pop van alle ondersoorten met een rode bovensnavel zijn dan uiterlijk van elkaar te onderscheiden doordat bij de pop het zwart van de snavelpunt zich geleidelijk uitbreidt richting snavelbasis. De eieren worden om de twee dagen gelegd; legselgrootte 2 à 3 eieren. De pop broedt alleen; broedduur 18 à 19 dagen; nesttijd ca. 7 weken; na het uitvliegen worden de jongen nog 4 à 5 weken door de oudervogels gevoerd. Ringmaat 7 mm. Tijdens de opfokperiode is de pop vaak agressief tegenover de man; zonodig man uitvangen. Twee broedsels per jaar zijn mogelijk.

 

Mutaties: geen

 

 

Alisterus chloropterus (Ramsay, 1879)

Groenvleugelkoningsparkiet

Soortbeschrijving

Formaat: 36 cm.

Man: kop, halszijden en de gehele onderzijde van het lichaam zijn diep scharlakenrood. Nek, rug, stuit en bovenstaartdekveren diep violetblauw. Schouderdekveren, binnenste vleugelveren en mantel groenachtig zwart. De kleine en middelste vleugeldekveertjes vormen een geelgroene vleugelbalk. De rest van de vleugels, dus duimvleugels, primaire en secundaire vleugeldekveren en de hand- en armpennen, is donkergroen met nagenoeg zwarte binnenvlaggen. Bovenkant grote staartveren blauwzwart, onderzijde grijszwart. Bovensnavel aan de basis oranjerood naar de punt toe overgaand in grijszwart; ondersnavel grijszwart. Oogiris oranjekleurig. Poten grijs, nagels grijszwart.

Pop: kop, nek en halszijden geven een vrij donkere dofgroene kleurindruk, evenals de vleugels, het rugdek, de stuit en de bovenstaartdekveren. De keelstreek en de bovenborst zijn meer olijfachtig groen met bruinachtig rode veerzoompjes op bovenborst. De rest van het onderlichaam is scharlakenrood; de kleurscheiding op de bovenborst is vrij scherp en loopt van vleugelbocht naar vleugelbocht. Bovenaanzicht grote staartveren donkergroen met nagenoeg zwarte uiteinden, het geheel blauw bewaasd; onderzijde van de staart grijszwart. De basis van de bovensnavel is dof bruinrood. Voor het overige gelijk aan de man.

Ondersoorten

A. c. callopterus (D’Albertis & Salvadori, 1879)

Goldie-koningsparkiet

Ook: Fly River koningsparkiet

Verspreidingsgebied: Centraal Nieuw Guinea

Kenmerken: Formaat: 36 cm. Man: lijkt op chloropterus, maar het violetblauwe veerveld in de nek beperkt zich tot een smalle band aan de bovenzijde van de mantel; nek scharlakenrood.

Pop: als beschreven bij nominaatvorm.

A. c. chloropterus (Ramsay, 1879)

Verspreidingsgebied: Oost Nieuw Guinea

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm

Let op: zowel de mannen als de poppen van deze ondersoort verschillen onderling nogal. Zo is het blauw aan de bovenzijde van de mantel bij de ene vogel meer uitgebreid als bij de ander. Ook zijn er verschillen in de grootte van de vleugelbalk en varieert de kleur ervan van lichtgroen tot geelgroen.

A. c. moszkowskii (Reichenow, 1911)

Moszkowski’s koningsparkiet

Verspreidingsgebied: Noord-Nieuw-Guinea

Kenmerken: Formaat: 36 cm. Man: geheel analoog aan callopterus.

Pop: lijkt op de man, maar het violetblauw aan de bovenzijde van de mantel ontbreekt en is vervangen door donkergroen (Bij sommige poppen is het blauw nog marginaal aanwezig); mantel en rug varieert van mat donkergroen tot nagenoeg groenachtig zwart; aan weerzijden van de borst bevinden zich donkergroene veertjes.

 

Algemene info

Zeldzame volièrevogel. Groenvleugelkoningsparkieten komen wereldwijd slechts in zeer beperkte mate in particuliere collecties voor. Verzorging en fok zijn niet echt moeilijk, maar het zijn geen vogels voor beginners.

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II.

Gedrag

Van nature vrij rustige vogel; buiten de broedtijd tegenover andere soorten nauwelijks agressief. Tijdens de broedtijd minder vredelievend, soms ontstaat ook agressief gedrag tussen de partners. Gevoelig voor schimmelinfecties, vooral de poppen gaan hieraan vaak te gronde. Tamelijk luide contactroep; weinig knaaglustig; vliegen graag.

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in volière met aangebouwde, verwarmbare binnenruimte, gelegen op een lichtbeschaduwde plaats; minimale afmetingen (lxbxh) 6 x 1,5 x 2 m, in kleinere vluchten worden de vogels traag en vet; geen paren koningsparkieten in de aangrenzende volières onderbrengen. Tijdens de acclimatiseringperiode moet de omgevingstemperatuur voor de vogels minimaal 20° C zijn en moet er een tamelijk hoge luchtvochtigheidsgraad heersen. Als de vogels aan ons klimaat gewend zijn, de temperatuur in het binnenverblijf minimaal op 5° C houden. Vogels ’s nachts in het binnenverblijf opsluiten. In verband met mogelijk optredende agressiviteit tussen de partners regelmatig controle houden vooral in de vroege ochtend en in de late namiddag. Man en pop zonodig in separate naast elkaar gelegen volières onderbrengen waar ze elkaar wel kunnen zien.

Deze vogels baden gewoonlijk niet in badschalen, sommige echter wel, maar ze zijn zonder uitzondering alle gesteld op een dagelijks regenbad; regeninstallatie aanbrengen. Ofschoon deze vogels weinig knagen, dient men van tijd tot tijd voor verse knaagtakken te zorgen.

Tweemaal per jaar een wormkuur geven.

Voeding

Tijdens de acclimatisering eten deze vogels veel groenten en fruit, vooral bessen, daarnaast gekiemde en halfrijpe zaden, vooral maïs en halfrijpe zaden van haver en tarwe in de aar, ook wortelen, rozenbottels en appels alsook allerlei groenvoer zoals muur, paardenbloem, herderstasje enz. Verder een zaadmengsel voor grote parkieten.

Geacclimatiseerde vogels krijgen een zaadmengsel voor grote parkieten, zowel in droge als in gekiemde toestand aanbieden ook gekookte bonen worden graag genomen. Verder veel fruit, vooral in de vorm van allerlei bessen aanbieden, ook appel en rozenbottels, voorts allerhande groenvoer en in het voorjaar wilgen- en fruitboomtakken (onbespoten) met verse bladknoppen. Buiten de broedtijd tenminste tweemaal per week een gift rulgemaakt eivoer verstrekken. Water, grit en maagkiezel dienen steeds ter beschikking te staan. In de broedtijd weekvoer voor insecteneters verstrekken, verder met geraspte wortel rul gemaakt eivoer en in melk geweekt oud brood waaraan een multivitaminen- en mineralenpreparaat is toegevoegd.

Fok

Met de groenvleugelkoningsparkiet wordt slechts weinig gefokt. Het grootste probleem is het samenstellen van een goed broedpaar. Vogels die als jonge vogel zelf hun partner hebben kunnen uitzoeken, blijken als broedpaar het meest succesvol te zijn. Groenvleugelkoningsparkieten worden pas laat geslachtsrijp; mannen op een leeftijd van 7 jaar, poppen met 6 jaar. Het omparen van geslachtsrijpe vogels is niet zonder risico en kan fataal aflopen. Regelmatige controle d.w.z., enkele keren per dag is absoluut noodzakelijk.

Deze vogels broeden gewoonlijk in natuurstammen met een binnenwerkse diameter van 25 cm en 120 tot 180 cm diep; diameter invlieggat 9 cm. Het blok hoog in het verblijf schuin ophangen, ook zijn er liefhebbers die het onderste gedeelte van het broedblok ongeveer 15 cm diep ingraven. Er zijn echter ook vogels - zo is in de praktijk gebleken - die in relatief kleine nestkasten hebben gebroed van slechts 30 cm hoogte en bodemafmetingen van 20 x 40 cm, zowel hoog in het verblijf aangebracht alsook kort bij de grond. Verschillende soorten broedblokken ophangen/plaatsen kan de kans op succes alleen maar vergroten. Op de bodem van het blok een laag vermolmd hout aanbrengen van ca. 6 cm. Broedbegin gewoonlijk vanaf mei. De eieren worden om de twee dagen gelegd; legselgrootte 2 à 3 eieren. De pop broedt alleen; broedduur ca. 20 dagen; nesttijd varieert van 6 tot 8 weken; na het uitvliegen worden de jongen nog 3 à 4 weken door de oudervogels gevoerd. Ringmaat 7 mm. Twee broedsels per jaar zijn mogelijk.

Mutaties: geen

 

 

Alisterus scapularis (Lichtenstein, 1818)

Australische koningsparkiet

Soortbeschrijving

Formaat: 42 cm.

Man: kop, halszijden en de gehele onderzijde van het lichaam zijn diep scharlakenrood. In de nek aan de bovenzijde van de mantel bevindt zich een smalle, donker ultramarijnblauwe nekband. Mantel en bovengedeelte van de rug zijn donkergroen. Vleugels overwegend donkergroen; de vleugelbalk die wordt gevormd door de middelste vleugeldekveren is helder lichtgroen, de vleugelpennen donkergroen met donkergrijze buitenvlag. Onderrug, stuit en bovenstaartdekveren zijn donker ultramarijnblauw; onderstaartdekveren groenachtig zwart en afgeboord scharlakenrode veerzomen. Bovenkant middelste staartveren zwart met een groene gloed overgoten; bovenkant overige grote staartveren groenachtig zwart met een blauwe gloed overgoten; onderkant staart grijszwart. Bovensnavel oranjerood, naar de punt toe overgaand in grijszwart; ondersnavel grijszwart. Oogiris geel. Poten grijs, nagels grijszwart.

Pop: kop , nek en wangen donkergroen, hals en bovenborst meer bruinachtig groen. Mantel donkergroen, rug en stuit blauwachtig groen. Vleugels donkergroen, de helder lichtgroene vleugelbalk van de man ontbreekt of is beperkt tot enkele veertjes. Onderborst, buik, flanken, dijen en anaalstreek zijn diep scharlakenrood. De kleurovergang op de borst is onscherp en gaat als het ware in elkaar over. Bovenstaartdekveren donkergroen; onderstaart-dekveren donkergroen en afgezet met scharlakenrode veerzomen. Bovenkant middelste staartveren donkergroen; bovenkant overige staartveren blauwachtig groen; onderkant staart grijszwart, aan de uiterste veeruiteinden met roze afgeboord. Snavel grijszwart. Oogiris bleekgeel. Voor het overige gelijk aan de man.

Ondersoorten

A. s. minor Mathews, 1911

Kleine koningsparkiet

Verspreidingsgebied: Noordoost-Queensland (Australië)

Kenmerken: Formaat: 38 cm. Man gelijk aan nominaatvorm, maar kleiner

Pop: gelijk aan nominaatvorm, maar kleiner.

A. s. scapularis (Lichtenstein, 1818)

Verspreidingsgebied: oostelijk Australië

Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm.

 

Algemene info

De Australische koningsparkiet komt vrij algemeen voor bij de liefhebbers van Australische parkieten en er wordt ook regelmatig mee gefokt. Er zijn voldoende vogels aanwezig om aan de vraag te kunnen voldoen.

Wet budep

Behoort tot de kwetsbare soorten; valt onder artikel 3a Wet budep/Lijst II, echter geen administratieplicht, ook niet voor de ondersoort.

Gedrag

De alhier gefokte vogels zijn vrij sterk en weinig gevoelig voor ziekten. Rustige van aard; buiten de broedtijd tegenover andere soorten nauwelijks agressief. Tijdens de broedtijd minder vredelievend, soms ontstaat ook agressief gedrag tussen de partners. Tamelijk luide contactroep; weinig knaaglustig; vliegen graag.

Huisvesting en verzorging

Paarsgewijs in volière met aangebouwde schutruimte, gelegen op een lichtbeschaduwde plaats; minimale afmetingen (lxbxh) 6 x 1 x 2 m, in kleinere vluchten worden de vogels traag en vet; geen paren koningsparkieten in de aangrenzende volières onderbrengen. In verband met mogelijk optredende agressiviteit tussen de partners regelmatig controle houden vooral in de vroege ochtend en in de late namiddag. Man en pop zonodig in separate naast elkaar gelegen volières onderbrengen waar ze elkaar wel kunnen zien.

Deze vogels baden gewoonlijk niet in badschalen, sommige echter wel, maar ze zijn zonder uitzondering alle gesteld op een dagelijks regenbad; regeninstallatie aanbrengen. Ofschoon deze vogels weinig knagen, dient men van tijd tot tijd voor verse knaagtakken te zorgen.

Tweemaal per jaar een wormkuur geven.

Voeding

Het hoofdvoedsel bestaat uit een zaadmengsel voor grote parkieten, zowel in droge als in gekiemde toestand aanbieden. Ook verse kolfmaïs wordt graag genomen evenals gekookte bonen. Verder veel fruit, vooral in de vorm van allerlei bessen aanbieden, ook rozenbottels, appel, kersen en banaan, verder allerhande groenvoer en in het voorjaar wilgen- en fruitboomtakken (onbespoten) met verse bladknoppen. Buiten de broedtijd tenminste tweemaal per week een gift rulgemaakt eivoer verstrekken. Water, grit en maagkiezel dienen steeds ter beschikking te staan. In de broedtijd weekvoer voor insecteneters verstrekken, verder met geraspte wortel rul gemaakt eivoer en in melk geweekt oud brood waaraan een multivitaminen- en mineralenpreparaat is toegevoegd.

Fok

Lukt regelmatig, maar is niet eenvoudig. Het grootste probleem is het samenstellen van een goed harmoniërend koppel. De beste methode dit te bereiken is, een aantal onverwante, jonge vogels in een grote volière samen te brengen en de vogels zelf hun partner te laten uitkiezen. Zodra de keuzes gemaakt zijn, de koppels in aparte volières onder te brengen. Australische koningsparkieten worden geslachtsrijp op de leeftijd van 3 jaar; sommige poppen beginnen al in het tweede levensjaar eieren te leggen en te broeden, maar de resultaten zijn wisselend. Als de man ook pas twee jaar oud is, zijn de eieren onbevrucht. Australische koningsparkietmannen zijn pas het derde levensjaar geslachtsrijp, sommige zelfs pas met 4 jaar.

Voor deze vogels kan men een nestkast nemen met een binnenwerkse oppervlakte van 33 x 33 cm en een hoogte van 150 tot 180 cm; diameter invlieggat 10 cm. Het blok schuin ophangen, bijvoorkeur in de buitenvlucht. Feit is echter dat er ook koningsparkieten zijn die liever in de binnenruimte broeden. Sommige liefhebbers gebruiken extra diepe nestkasten van ca. 2 m en graven het onderste gedeelte van het broedblok ongeveer 15 cm diep in, zodat de eigenlijke nestkom iets onder het maaiveld komt te liggen; een situatie die ook wel in de natuur is aangetroffen. Anderzijds zijn er echter ook vogels die in nestkasten van slechts 1 m diep met succes jongen hebben grootgebracht. Verschillende soorten nestkasten aanbieden en op verschillende plaatsen, lijkt hier de aangewezen weg. Op de bodem van het blok een laag vermolmd hout aanbrengen van ca. 6 cm. Broedbegin gewoonlijk vanaf mei/juni. De eieren worden om de twee dagen gelegd; legselgrootte 4 à 5 eieren, een enkele keer oplopend tot 7. De pop broedt alleen; broedduur ca. 20 dagen; nesttijd 5 weken, vaak ook enkele dagen langer; na het uitvliegen worden de jongen nog 3 tot 4 weken door de oudervogels gevoerd. Ringmaat 7 mm.

Er is slechts een broedsel per jaar.

Bergparkieten (Polytelis anthopeplus) zijn de beste pleegouders voor koningsparkieten.

Mutaties

Gele zwartoog: autosomaal recessief