Genus Cyanoramphus – kakariki’s

 

15. Het keursysteem en de taak van de keurmeester

 

Bij het keuren van kakariki's wordt uitgegaan van bepaalde kwaliteitsnormen. Bij een aantal vogelorganisaties zijn deze kwaliteitsnormen neergelegd in goede soortbeschrijvingen en/of zogeheten standaardeisen.

In Nederland en België wordt, bij de grote vogelbonden de Algemene Bond van Vogelhouders, de Nederlandse Bond van Vogelliefhebbers, de Algemene Ornithologische Bond van België en de Koninklijke Belgische Ornithologische Federatie de waardetoekenning uitgedrukt in punten, waarbij de keurmeester een keurrapport, het zogenaamde keurbriefje, opmaakt. Enkele kleinere organisaties werken nog volgens het in de pluimveewereld gebruikelijke predicatenstelsel, waarbij eveneens een keurrapport wordt opgemaakt.

Weer andere organisaties werken volgens een systeem waarbij twee keurmeesters gezamenlijk en in goed onderling overleg de kwalificatie onvoldoende, matig, goed, zeer goed of uitmuntend op een lijstje dat op de kooi is geplakt aankruisen. Soms wordt er dan voor de vogels die onvoldoende of matig scoren nog een aanvullend keurrapport opgemaakt waarop de tekortkomingen van de vogel vermeld worden.

 

Welk keursysteem geniet de voorkeur?

Laten we beginnen met vast te stellen dat het keuren van vogels geen mathematische bezigheid is zoals het opmeten van een luciferdoosje of het wegen van een brok steen. Type en kleur van een vogel zijn nimmer exact te bepalen. Omstandigheden zoals omgeving en lichtinval en het feit dat geen enkele keurmeester hetzelfde karakter bezit, maken dat elke keuring in belangrijke mate subjectief is. Niet voor niets zijn de verschillende vogelbonden, gebruik makend van deze wetenschap, er toe overgegaan standaardkooien in te voeren, zodat althans in dat opzicht gelijke omstandigheden geschapen zijn. Om dezelfde reden is ook het keuren bij kunstlicht aan strenge voorwaarden gebonden, zodat ook op dit punt gelijke omstandigheden heersen.

 

Onwillekeurig speelt tijdens de keuring ook de individuele voorkeur van de keurmeester voor een bepaalde eigenschap een rol. De één zal subjectief een groep kakariki's onbewust op de kwaliteit van de lichaamsproporties beoordelen, de ander doet dat onbewust op de kwaliteit van de lichaamskleur, de tekening of op de kwaliteit van de lichaamsbevedering. Kakariki's moeten echter niet slechts op één onderdeel, maar op een aantal volkomen van elkaar verschillende eigenschappen beoordeeld worden. Om dit te bewerkstelligen werd het keurrapport ingevoerd. Door de inrichting van het keurrapport wordt de keurmeester als het ware gedwongen alle onderdelen van de vogel in de beoordeling te betrekken. Andere voordelen van het keurrapport zijn, dat de keurmeester verantwoording aflegt voor zijn beoordeling en dat de inzender uit de gedane op- en aanmerkingen lering kan trekken.

 

Op het keurrapport legt de keurmeester niet alleen verantwoording af voor zijn visie, het is tevens een hulpmiddel bij de beoordeling, waardoor alle onderdelen van de vogel gezien tegen de achtergrond van de totale vogel als een onverbrekelijk geheel, de noodzakelijke aandacht krijgen.

Maar het keursysteem waarbij voor elke vogel een keurrapport wordt opgemaakt, kent ook zwakke punten. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het keuren met behulp van het keurrapport ontaardt in keuren aan de hand van het keurrapport. De man met feeling keurt met behulp van het keurrapport. Hij bekijkt de vogel tegen de achtergrond van het geheel, stelt de waarde vast en geeft vervolgens op het keurrapport een verslag van zijn visie. Voor de keurmeester die het noodzakelijke Fingerspitzengefühl mist, is het keurrapport niet meer dan een puntenlijst. Zonder het onderlinge verband van de totale vogel te zien, sommeert hij stomweg de waargenomen fouten per rubriek, telt het rijtje op en hupsakee…volgende vogel. U begrijpt, op die manier werkt dit systeem ook niet.

Bij het keuren zonder keurrapport bestaat het gevaar dat de keurmeester aan bepaalde goede eigenschappen van de vogel een overdreven waarde toekent, anderzijds bepaalde slechte eigenschappen die er in zijn denkwereld minder op aankomen, in het geheel niet of onvoldoende in zijn eindoordeel mee laat wegen. Dit laatste is in belangrijke mate te voorkomen als twee of drie keurmeesters gezamenlijk en in goed overleg de vogels per groep of klasse op kwaliteit rangschikken. Persoonlijke voorkeuren, krijgen door het overleg en de onderlinge inspraak dan nauwelijks kans de gezamenlijk uit te voeren klassering van de vogels te beïnvloeden.

Persoonlijk heb ik geen bepaalde voorkeur wat betreft het keursysteem. Op wedstrijden waarop ook de voorlichting naar de inzender toe erg belangrijk is, meestal zijn dat de kleinere wedstrijden, prefereer ik het keuren waarbij een keurrapport wordt opgemaakt. Op de grotere wedstrijden, waarop de voorlichting nauwelijks een rol speelt, prefereert wat mij betreft het plaatsingssysteem, mits tenminste twee keurmeesters gezamenlijk een groep vogels beoordelen. Bij wijze van overgang zou men een systeem kunnen invoeren, waarbij voor elke vogel een eindbeoordeling in punten wordt vastgesteld, die op lijsten kunnen worden verzameld en later desgewenst in de catalogus afgedrukt.

Bepaald niet iedereen zal deze zienswijze delen. Dat mag. Over één ding zullen we het stellig eens zijn: welk systeem we ook hanteren, elke keuring valt of staat met de kwaliteit van de mensen die de keuring verrichten.

 

Inrichting van het keurrapport

Als voorbeeld dient het keurbriefje, dat op internationale door de C.O.M. (Confederation Ornithologique Mondial) georganiseerde wedstrijden wordt gebruikt, maar ook door verschillende nationale bonden in binnen en buitenland in gebruik is genomen. Dit keurbriefje bestaat uit 6 rubrieken.

 

Rubriek 1: kleur en tekening

In deze rubriek beoordeelt men de lichaamskleur, inclusief de kleur van de poten, de nagels en de snavel. Het gaat hier om de juiste kleur, kleurdiepte en kleurregelmaat. Ook wordt, voor zover aanwezig, de tekening van de kop, de vleugels, de staart en het lichaam in deze rubriek beoordeeld. Hierbij gaat het vooral om de kleurafscheidingen en waar deze moeten lopen. Ook de kleur van de tekening wordt in deze rubriek beoordeeld.

 

Rubriek 2: vleugeldracht, type en houding

In deze rubriek wordt de vorm en de houding van de vleugels beoordeeld alsook de wijze waarop de vleugels worden gedragen. Verder beoordeelt de keurmeester in deze rubriek het type van de vogel. Onder 'type' verstaat men de onderlinge lichaamsverhoudingen: het model of de vorm van de vogel. Als laatste onderdeel in deze rubriek krijgt de houding van de vogel aandacht. De 'houding' draagt in belangrijke mate bij aan het type van de vogel. Een vogel kan van nature een slechte houding hebben (erfelijke aanleg), maar een slechte houding kan ook het gevolg zijn van een verminderde lichamelijke conditie of een psychische oorzaak hebben. Kakariki's moeten tijdens de keuring een actieve en natuurlijke houding tonen. Het doorgezakt of in elkaar gedoken op stok zitten is fout, evenals het niet gesloten dragen van de vleugels en gekruiste vleugels. Genoemde fouten hebben ook een negatieve invloed op het type.

 

Rubriek 3: formaat

Het onderdeel 'formaat' behoeft weinig uitleg. Bedoeld wordt de totale lengte van de vogel.

Type en formaat hangen nauw samen; m.a.w., type en formaat moeten in harmonie met elkaar zijn.

 

Rubriek 4: poten, tenen, nagels

In deze rubriek wordt uitsluitend de toestand van de poten, de tenen en de nagels beoordeeld en niet de kleur ervan, dit laatste wordt in rubriek 1 beoordeeld.

 

Rubriek 5: bevedering

In deze rubriek wordt de bevederingtoestand van de vogel beoordeeld. De bevedering dient ongeschonden te zijn, zonder slijtage en vrij van vuil. Voor kakariki's geldt bovendien dat de bevedering strak tegen het lichaam wordt gedragen. Zeer ernstige bevederinggebreken, worden tevens in rubriek 6 bestraft.

 

Rubriek 6: algemene conditie

Onder deze rubriek valt de beoordeling van de algemene lichamelijke gesteldheid en showtoestand van de vogel Grove gebreken zoals het missen van nagels en tenen, of andere blijvende lichamelijke gebreken, maken dat de betreffende vogel niet voor een puntenwaardering in aanmerking komt. Een zwaar gehavende bevedering wordt niet alleen bestraft in de rubriek 5, maar is ook bepalend voor de conditie als we de betekenis hiervan wat ruimer nemen, zodat ook bij dit onderdeel puntenaftrek plaatsvindt. In deze rubriek worden tevens kleinere tekortkomingen aan de snavel bestraft, uitgezonderd de kleur van de snavel; deze wordt in rubriek 1 beoordeeld

 

Het totaal van 100 punten is theorie, alleen te bereiken voor het ideaalbeeld. Omdat elke bestaande vogel van het ideaalbeeld afwijkt, krijgt elke vogel strikt genomen strafpunten, wat er op neerkomt dat in de praktijk maximaal 94 punten wordt gegeven. Minimaal is het aantal te geven punten gesteld op 70.

 

Het maximum en minimum aantal te behalen punten per rubriek is als volgt:

Rubriek 1. 34-28;

Rubriek 2. 19-14;

Rubriek 3: 14-10;

Rubriek 4:   9-6;

Rubriek 5:   9-6;

Rubriek 6:   9-6.

 

Per rubriek beschikt de keurmeester dus over een aantal strafpunten. Afhankelijk van de mate waarin de vogel afwijkt van het ideaalbeeld vindt puntenaftrek plaats.

 

Over de wijze waarop kakariki's gekeurd worden en de taak van de keurmeester heerst nog veel onbegrip. Het lijkt me goed er hier iets over te vertellen.

Het is een misverstand te menen dat het keuren van vogels geschiedt op basis van louter theoretische kennis. Naast een grondige soortenkennis en een ruime ervaring als fokker zal de keurmeester op de eerste plaats een sterk ontwikkeld gevoel voor verhoudingen moeten bezitten, maar ook de durf zijn visie op papier te zetten en zonodig te verdedigen. Een goede keurmeester begint zijn taak met een rondgang langs de stellingen. Hierbij krijgt hij een eerste indruk van de aanwezige kwaliteit. Een uitzonderlijk goede vogel, die tot een van de beste van de show gerekend moet worden, zal hem daarbij stellig niet ontgaan, zodat hij zich meteen een voorstelling kan maken tot welke puntenwaardering hij ongeveer kan gaan. Hierna begint de eigenlijke keuring.

 

Gezeten achter de keurtafel begint hij op het oog de vogels per klasse en kleur op kwaliteit te selecteren. Vervolgens stelt hij voor de hoogst gekwalificeerde vogel uit die klasse het punten aantal vast, waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de kwaliteit van de in de keurzaal aanwezige topvogels, maar ook met de kwaliteit van de in het land aanwezige toppers. Een keurmeester die zich van zijn verantwoordelijkheid tegenover de inzenders bewust is, zal zich dan ook elk keurseizoen opnieuw van de gewijzigde topkwaliteit van de in het land aanwezige kakariki's op de hoogte dienen te stellen.

 

Nadat de keurmeester het puntenaantal van de beste vogel uit de klasse aldus heeft vastgesteld, keurt hij met behulp van het keurbriefje de gehele klasse in aflopende puntenwaardering af. Als alle klassen en kleurslagen gekeurd zijn, komen de hoogst gewaardeerde vogels opnieuw op de keurtafel en begint het rangschikken op kwaliteit opnieuw, dit keer met vogels van verschillende soort en kleur en met minimale kwaliteitsverschillen. Menigmaal zijn de kwaliteitsverschillen tussen de beste vogels zó gering, dat de som van goede eigenschappen en kleine foutjes tegen elkaar afgewogen de doorslag moet geven welke vogel kampioen wordt. Een goede keurmeester zal, wanneer hij in een bepaalde rubriek strafpunten geeft, steeds de totale vogel in het oog houden. Het gaat er ten slotte om dat de beste allround-vogel kampioen wordt. Zo kan het voorkomen dat een iets kleinere vogel met zeer goede onderlinge verhoudingen en een prima houding hoger eindigt dan een forse vogel met een prima kleur maar slecht getraind. Een dergelijke slecht getrainde vogel bederft het hele showelement.

 

Met het invullen en ondertekenen van het keurbriefje legt de keurmeester verantwoording af van zijn beoordeling. Dat de fokker het met die beoordeling niet altijd eens is, is een vaststaand feit, maar evenzeer een feit is dat de kritiek in vele gevallen ongegrond is, waarmee ik niet wil zeggen dat een keurmeester nooit eens een fout maakt. We moeten niet vergeten dat het keuren van vogels slechts een momentopname is. In slechts enkele minuten moet de keurmeester uw vogel bekijken en zijn waardeoordeel op papier zetten. Het kan best voorkomen dat een vogel die 's morgens gestraft is voor een te los gedragen bevedering, 's middags met een volkomen glad gedragen verenpakje in de kooi zit. Het omgekeerde komt echter ook voor.

 

Het toekennen van stameenheidspunten

Voor een stam, zijnde vier vogels van dezelfde soort, kleur en geslacht, worden maximaal 6 stameenheidspunten toegekend. Teneinde de vereiste eenvormigheid bij toekenning van de eenheidspunten te verzekeren zijn er regels opgesteld.

Het maximum aantal van 6 eenheidspunten wordt toegekend als de vier eindtotalen op het keurbriefje gelijk zijn, bijv. 89-89-89-89. Zijn er wel verschillen dan wordt het verschil tussen het hoogste en laagste puntentotaal in mindering gebracht op het maximum aantal van 6.

Voorbeeld: een stam van 88 - 88 - 92 - 89; het verschil tussen hoogste en laagste puntenaantal is 4. Deze stam krijgt dus 6-4=2 stameenheidspunten. Bij een verschil van 6 of meer worden geen stameenheidspunten toegekend.

Nog wat andere voorbeelden met toekenning van de prijzen:

94+94+93+93+5 = 379 tweede prijs

94+93+93+92+4 = 376 vierde prijs

92+92+92+92+6 = 374 vijfde prijs

93+93+93+93+6 = 378 derde prijs

94+94+94+94+6 = 382 eerste prijs

 

Het toekennen van eenheidspunten voor stellen

Bij de door de C.O.M. georganiseerde wedstrijden worden geen stellen gevraagd. Dit geldt ook voor een zeer groot aantal nationale bonden in Europa. Bij de A.N.B.v.V. (Algemene Nederlandse Bond van Vogelhouders) worden wel stellen gevraagd, vandaar dat ik de wijze van toekenning van de eenheidspunten hieronder uiteenzet.

Voor een stel, d.w.z. twee vogels van dezelfde soort, kleur en geslacht, worden maximaal 3 steleenheidspunten toegekend.

Bij gelijke punten (eindtotaal)  bijv. 94+94 = 3 steleenheidspunten.

Één punt verschil bijv. 92+93 = 2 steleenheidspunten.

Twee punten verschil  bijv. 91+89 = 1 steleenheidspunt.

Bij meer dan twee punten verschil (bijv. 92-89) worden geen eenheidspunten toegekend.

Bij gelijke punten (eindtotaal) gaat voor de toekenning van de prijzen het hoogste aantal eenheidspunten voor.

 

Tekst: H.W.J. van der Linden