Genus Cyanoramphus – kakariki’s

 

14. Voorbereidingen voor de tentoonstelling

 

Menig fokker zag het kampioenschap aan zijn neus voorbijgaan doordat hij verzuimde zijn vogels op hun verblijf in de tentoonstellingskooi voor te bereiden. Het is beslist geen zeldzaamheid dat kwalitatief betere vogels van de hoogste plaats verdrongen worden door vogels die aan kwaliteit iets minder in huis hebben, maar veel beter getraind en geconditioneerd op de keurtafel komen.

Een tentoonstellingsvogel moet op de eerste plaats een showvogel zijn. Daarvoor zijn een optimale lichamelijke conditie en een gaaf en strak gedragen verenpak een eerste vereiste. Vogels die hieraan niet voldoen, kunnen nooit voor een hoge waardering in aanmerking komen. Ook vuile, niet geconditioneerde, ongetrainde en schuwe vogels krijgen onherroepelijk strafpunten en zijn afgezien daarvan geen reclame voor een vogelshow. Met een beetje moeite kunnen dergelijke tekortkomingen verholpen worden.

 

Een goede methode is direct na de rui met de voorbereidingen te starten. Begin met alle vogels die op het eerste gezicht geschikt lijken voor de tentoonstelling op uiterlijke gebreken te controleren. Vogels met onherstelbare gebreken zoals het missen van nagels en tenen, kromme tenen en snavelvergroeiingen, worden uitgeselecteerd. Het is duidelijk dat dergelijke vogels op een tentoonstelling niet thuis horen. Vervolgens controleren we de vogels op gebroken vleugel- en staartpennen. Een gebroken vleugel- of staartpen kan voorzichtig uitgetrokken worden. In de resterende weken groeit er dan wel weer een nieuwe aan. Nadat alle vogels die naar onze mening voor de tentoonstelling in aanmerking komen goed bekeken zijn, plaatsen we ze ieder afzonderlijk of met zijn tweeën in broedkooien. Hierin kunnen ze tot veertien dagen vóór de keurdag blijven.

De training neemt ongeveer twee weken in beslag. Daartoe worden de vogels ieder apart in een tentoonstellingskooi gezet. Vogels die in deze kooi meteen op stok gaan zitten, zijn meestal goede leerlingen, al hoeft u de moed niet te verliezen als de vogel dit niet direct doet. Het africhten van vogels doen we bij voorkeur met een keurstokje dat de keurmeester ook gebruikt. Probeer opgekooide vogels met het keurstokje op stok te krijgen. Lukt dit, neem dan de volgende vogel. Blijf vooral rustig, ook als niet alles van een leien dakje gaat, en bedenk dat u door zich kwaad te maken niets bereikt. Vogels die na enkele dagen nog niet op stok willen en die zich als een opgejaagd dier blijven gedragen zodra u voor de kooi gaat staan, kunt u beter weer in de voličre doen. Met dergelijke vogels is niets te beginnen.

 

Bent u er in geslaagd uw vogels zover af te richten dat ze direct op stok gaan zitten als u een tik tegen de tralies geeft, dan begint u met steeds de kooien te verzetten. Voor en tijdens de keuring worden de kooien ook vele keren versjouwd en een vogel die hieraan gewend is, stoort zich er op den duur niet meer aan en u voorkomt dat de vogels vlak voor de keuring van streek zijn. Leer uw vogels ook zich op de stok om te draaien. De keurmeester moet de vogel aan alle kanten kunnen bekijken. Gebruik hierbij weer het keurstokje. Laat de vogel steeds slechts eenmaal draaien, want anders snapt hij de bedoeling niet. Zodra de vogel zich dus omwendt, neemt u de volgende kooi. Zet tijdens de trainingsperiode de kooien zo neer dat u er telkens langs moet. De vogels wennen aan het verkeer en zullen op den duur rustig blijven zitten. Laat ook uw huisgenoten en kennissen eens langs de kooien lopen, zodat de vogels ook aan vreemden wennen. Sommige kwekers zijn ware experts in het africhten van vogels. Vooral in België wordt veel aandacht besteed aan de opmaak en de training van de vogels en het is een genoegen er te keuren. Wat het showelement betreft kunnen we in Nederland nog veel van onze zuiderburen leren.

 

Tentoonstellingsvogels moeten mooi schoon en glad in de veren zitten. Dit kunnen we bewerkstelligen door de vogels elke dag, te beginnen veertien dagen voor de keuring, met lauw water te besproeien. Een bloemenspuit kan hierbij goede diensten bewijzen. In het begin zal de vogel schrikken, doch na een paar keer ervaren de meeste vogels dit dagelijkse bad als aangenaam. Nadat de vogels besproeid zijn (vooral niet te nat maken) beginnen ze toilet te maken en wordt elke veer in orde gebracht.

Ten aanzien van de bevedering, de poten, de snavel en de kleur vinden we op het keurbriefje dikwijls opmerkingen die we hadden kunnen voorkomen. Ruipuntjes, soms nog in lichte mate aanwezig op de kop, in de nek of aan de hals, kunnen worden weggewerkt door met een pincet een paar maal in de stoppel te knijpen. Hierdoor breekt het vliesje om de stoppel en het veertje komt te voorschijn. Eén enkel bont veertje wordt als bontvorming aangemerkt en kost strafpunten. Een dergelijk klein bont veertje is met een pincet echter gemakkelijk te verwijderen. Het spreekt vanzelf dat dit niet op alle plaatsen onzichtbaar kan gebeuren. Op het rugdek valt een weggetrokken vleugeldekveertje meestal onmiddellijk op en heeft het dus weinig zin, omdat dan de conditie van de bevedering wordt aangetast. Ruwe pootjes kunt u, nadat ze eerst goed schoongemaakt zijn, licht inwrijven met een weinig babyolie, maar smeer er niet te veel op, want dan bevuild de vogel zijn bevedering en schiet u er dus niets mee op. Kakariki's hebben van nature vrije lange nagels en veel minder dan andere papegaaiachtigen last van te lange nagels. Echt te lange nagels dienen ingekort te worden; dit doen we bij voorkeur met een nagelschaartje, daarna licht bijvijlen met een nagelvijltje.

Tijdens de trainingsperiode dient het voeren uw speciale aandacht te hebben. Voer uw vogels tijdens het tentoonstellingsseizoen zodanig dat ze een weinig aan gewicht toenemen. Dit heeft tot voordeel dat de vogel zich rustiger gedraagt en het compenseert een eventueel gewichtsverlies tijdens de tentoonstelling. Voorzichtigheid is echter geboden omdat een te vette vogel nooit op zijn best kan zijn.

Zorg er ten slotte voor dat uw vogels in een kraakheldere kooi naar de keurzaal gaan. Niets werkt zo storend als een vuile kooi en behalve dat is het geen propaganda voor het houden van vogels.

 

Een paar andere zaken die een keuring nadelig kunnen beďnvloeden, maar die meer te wijten zijn aan de onwetendheid van tentoonstellingsbesturen, wil ik niet onvermeld laten. Sommige organiserende verenigingen laten de vogels in vrieskoude ruimtes keuren. Het spreekt vanzelf dat de vogels dan nimmer in optimale conditie kunnen zijn. Los in de bevedering zittende en apathisch aandoende vogels zijn het gevolg. Een zaal dient matig verwarmd te zijn. Het overbrengen van vogels uit een steenkoude ruimte naar een verwarmde afdeling, waar de keurmeester zit, heeft weinig zin omdat de vogels vele uren nodig hebben om zich aan de gewijzigde omstandigheden aan te passen.

Een ander punt is de verlichting in de zaal. Menigmaal is mij overkomen dat de overgordijnen nog geopend moesten worden als ik de keurzaal binnenkwam. Tot die tijd hadden de vogels praktisch in het donker gezeten. Het gevolg is dat de vogels die het eerst gekeurd worden meer aandacht voor de zaadbak hebben dan voor de keurmeester, met alle narigheid vandien. Veel gehoorde opmerkingen als: "Ze hebben vanmiddag hogere punten gegeven dan vanmorgen," zijn vaak juist en bevestigen het hierboven gestelde. Meestal is de temperatuur in de onverwarmde zalen 's middags wat draaglijker geworden en hebben de vogels gelegenheid gehad voedsel op te nemen. De inzenders onder u kunnen met deze wenken hun voordeel doen door hun bestuur op deze zaken te wijzen. Het is tenslotte ons aller belang dat onze fokproducten onder de meest gunstige condities worden gekeurd.

 

Tekst: H.W.J. van der Linden