Genus Cyanoramphus – kakariki’s

 

12. Zwartvoorhoofdkakariki

Cyanoramphus zealandicus (Latham, 1790)

 

Verspreidingsgebied: Vroeger beperkt tot het eiland Tahiti, het grootste eiland van de Genootschapeilanden in Frans Polynesië; thans uitgestorven.

 

Soortbeschrijving

Formaat: 25 cm.

Afgaand op het museumexemplaar in het Natuur Historisch Museum in Parijs is het voorhoofd zwart. De teugels en een smalle streep achter het oog zijn rood. Algemene lichaamskleur groen; op het onderlichaam en staart bleker van kleur en enigszins blauwachtig getint. De stuit is rood. Primaire vleugeldekveren en buitenvlaggen van de slagpennen zijn violetblauw. De snavel is bleek  blauwachtig grijs met donkere punt. De kleur van de oogiris is natuurlijk niet meer te achterhalen, maar was vermoedelijk oranje of oranjerood. Poten grijsachtig bruin, nagels zwartachtig.

 

Algemene informatie

De zwarvoorhoofdkakariki was vermoedelijk een bosvogel. Hij werd in 1769 op James Cook’s eerste grote ontdekkingsreis ontdekt waarop drie exemplaren werden verzameld en in 1771 meegebracht naar Londen. Sydney Parkinson, een beroemde illustrator in zijn tijd, die tot de bemanning  van Cook behoorde, schilderde de vogel vermoedelijk tijdens zijn verblijf op Tahiti maar mogelijk ook op de terugreis naar Engeland, want hij stierf onderweg op de  terugtocht. Een van de  drie verzamelde exemplaren belandde uiteindelijk in Tring de beide andere in Liverpool. Een vierde exemplaar werd verzameld in 1842 door Amadis en kwam in een museum te Perpignan terecht. In 1844 werd nog een vijfde exemplaar meegebracht door een zeker Des Marollen. Dit museumexemplaar is  thans te zien in het Nationaal Natuur Historisch Museum in Parijs. Het precieze jaartal van zijn verdwijning is niet bekend, maar moet kort  na 1844 geweest zijn daar latere meldingen over waarnemingen ontbreken. De oorzaak van hun teloorgang is niet bekend. Aangenomen wordt dat de verdwijning  van hun biotoop, de jacht en rovende zoogdieren als ratten en dergelijke van beslissende invloed zijn geweest.

 

Tekst: H.W.J. van der Linden