Genus Cyanoramphus – kakariki’s

 

10. Groene kakariki of Antipoden groene parkiet

Cyanoramphus unicolor (Lear, 1831)

 

Verspreidingsgebied: beperkt tot de Antipoden eilandengroep, ongeveer 860 km ten zuidoosten van het eiland Stewart.

 

Soortbeschrijving

Formaat: 33 cm.

Man en pop: de groene parkiet is een enigszins plomp aandoende vogel. De algemene lichaamskleur is groen; borst, buik, flanken dijen, anaalstreek en onderstaartdekveren een nuance lichter van tint en meer geelachtig groen. De kruin en de zijkanten van de kop zijn smaragdgroen. De grote, spits toelopende staartpennen zijn geel omzoomd. De buitenste vleugelpennen hebben een violetblauwe buitenvlag; ook de primaire vleugeldekveren zijn violetblauw. De ogen zijn donker en hebben een oranjerode iris. De bovensnavel is bleek staalblauw overgaand in een grijszwarte punt; ondersnavel donkergrijs. De poten zijn grijs, de nagels nagenoeg zwart.

De pop is iets kleiner, ca. 31 cm, en wat minder fors dan de man; ook heeft ze een smallere snavel. Qua kleur en tekening gelijk aan de man.

 

Biotoop

Deze vogels zijn bewoners van de hellingen van de rotsmassieven langs de kust, die bijna geheel begroeid zijn met aardkluitgras en zegge (= een cypergrassoort uit het geslacht Carex).

 

Status wildpopulatie

Men schat de populatie groene kakariki’s  op de Antipoden eilandengroep op 2000 à 3000 vogels. Deze populatie lijkt al jarenlang stabiel te blijven.

CITES Appendix II

 

Leefwijze

De groene kakariki leeft alleen, paarsgewijs of in groepjes tot 5 vogels. Ze leven uitsluitend op de grond tussen het ongeveer 80 cm hoge aardkluitgras en zegge. Ongeveer tweederde van hun voedsel bestaat uit de zaden van deze grassoorten. Eten verder nog wat van andere wilde zaden, bessen, grasstengels, plantenscheuten bloesems en soms ook vleesresten van kadavers. Menigmaal worden ze ook rond kolonies van de grote kuifpinguïn (Eudyptes sclateri) en de zuidelijke rockhopper pinguïn (Eudyptes chrysocome) gezien op zoek naar voedsel. De vogels verplaatsen zich meestal tussen de  begroeiing over de grond en vliegen weinig.

Het broedseizoen  van de groene kakariki is van november tot februari. Ze nestelen in de turfachtige plantendelen van het aardkluitgras waarin ze met hun poten een lange holte graven onder de vegetatie. De legselgrootte in de wildbaan is niet precies bekend. Wel zijn bij verschillende gelegenheden een volwassen paar samen met een tot drie pas uitgevlogen jongen waargenomen.

 

Avicultuur

Een exemplaar, zou in 1831, het jaar van de ontdekking van de soort, al in de dierentuin van Londen te zien zijn geweest. In de jaren 1894-1895 ontving deze dierentuin vier exemplaren. In de dierentuin van Berlijn was er een te zien in 1904. Sindsdien kwamen er verschillende keren van deze vogels naar Europa, maar in zeer kleine aantallen. Begin dertiger jaren van de vorige eeuw kwam er ook een vogel terecht bij de Hertog van Bedford. Hij typeert zijn aanwinst als onbevreesd, niet schuw en nieuwsgierig  van aard. Waarschijnlijk als gevolg van het leven op de grond in de wildbaan, schijnt het klimmen en klauteren, zoals men dat van andere kakarikisoorten kent, hen minder goed af te gaan. Vorst en mist schijnt deze vogels niet te deren. Eigenlijk niet zo verwonderlijk als men bedenkt dat Antipodeneiland en de omliggen de eilandjes, waar deze vogels vandaan komen, niet veel meer zijn dan enorme rotsblokken in het subantarctische gedeelte van de Grote Oceaan. Na de Tweede Wereldoorlog zijn deze vogels niet meer in Europa ingevoerd. Broedresultaten zijn alleen behaald in Nieuw-Zeeland in de dierentuinen van Wellington en Auckland en het Mount Bruce Research Station. In Mount Bruce kwamen tussen 1971 en 1973  veertien jongen op stok. Gebleken is dat de poppen hun jongen pas zelf grootbrengen als ze drie jaar oud zijn. De jongen van te jonge poppen werden in Mount Bruce telkens grootgebracht door roodvoorhoofdkakariki’s, die als pleegouders dienden. Als broedduur wordt 26 dagen opgegeven, maar gezien de broedduur van de andere kakarikisoorten, heb ik daar mijn twijfels over.

Momenteel werken in Nieuw-Zeeland verschillende instanties, maar ook een aantal particulieren mee aan de instandhouding en zo mogelijk verdere uitbreiding van de soort. Naar verluid zijn tussen de 100 en 200 groene kakariki’s hierbij betrokken.

 

Tekst: H.W.J. van der Linden