Genus Cyanoramphus – kakariki’s

 

9. Oranjevoorhoofdkakariki

Cyanoramphus malherbi Souancé, 1857

 

Verspreidingsgebied

Beperkt tot de regio Noord Canterbury op het Zuidereiland  van Nieuw-Zeeland.

Sedert enkele jaren uitgezet op het eiland Chalky, gelegen op ongeveer 15 km afstand van de meest zuidwestelijk punt van het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland

 

Soortbeschrijving

Formaat 23 cm.

Man en pop: de voorhoofdsband is oranje, loopt van oog tot oog maar wordt bij de ogen bleker van kleur. De kruin is heldergeel. Algemene lichaamskleur groen, borst, buik, flanken dijen anaalstreek en onderstaartdekveren een nuance lichter van tint en meer geelachtig groen. Aan weerszijden van de stuit bevindt zich een oranje vlek. De buitenste vleugelpennen hebben een violetblauwe buitenvlag; ook de primaire vleugeldekveren zijn violetblauw. De staartpennen zijn groen; onderkant staart donkergrijs. De ogen zijn donker en hebben een oranje iris. De bovensnavel is bleek staalblauw overgaand in een grijszwarte punt; ondersnavel donkergrijs. De poten zijn bruinachtig, de nagels nagenoeg zwart.

De pop is iets kleiner, ca. 21 cm, en wat minder fors van bouw dan de man; ook heeft ze een iets kleinere en rondere kop en een smallere snavel. Qua kleur en tekening is ze nagenoeg gelijk aan de man, maar het geel op de kruin is iets minder uitgebreid.

 

Taxonomische indeling

De taxonomische status  van de oranjevoorhoofdkakariki is in de wereld van de ornithologie al vele jaren onderwerp van gesprek. Recent wetenschappelijk onderzoek, uitgevoerd door het Nieuw-Zeelandse Department of Conservation, in samenwerking met de universiteiten van Victoria, Canterbury en Lincoln, heeft aangetoond dat de oranjevoorhoofdkakariki, niet zoals men in het verleden dacht een kleurafwijking van de geelvoorhoofdkakariki was, maar een zelfstandige soort is. Naast het genetisch onderzoek werd ook uitgebreid veldonderzoek gedaan om vast te kunnen stellen of er in de wildbaan mogelijk hybride paringen tussen de roodvoorhoofd- , de geelvoorhoofd- en de oranjevoorhoofdkakariki zijn geweest. Tijdens dit veldonderzoek werden geen gemengde paren gevonden. Dit houdt in dat ze streng gescheiden genstructuren bezitten wat de juistheid van het uitgevoerde DNA-onderzoek ondersteunt.

 

Biotoop

Deze zeldzame vogel is een  bewoner van hoge bomen en onderbegroeiing tot op een hoogte van 600 meter. Men heeft ze onder andere enkele keren in bossen van ranke beukenbomen (Nothofagus truncata) gesignaleerd, maar ook in droog pluimgras waarop schapen en herten grazen.

 

Status wildpopulatie

De  oranjevoorhoofdkakariki die ongeveer 100 jaar geleden nog talrijk op het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland voorkwam, is thans vrijwel uitgestorven en slechts in zeer kleine aantallen alleen nog te vinden in de Hurunui en Hawdon valleien van Noord Canterbury.

De op het eiland Chalky uitgezette populatie schijnt het er goed te doen. Er is dus nog hoop.

CITES Appendix II

 

Leefwijze

Over de leefgewoonten van deze vogels is weinig bekend. Ze foerageren in bomen en struiken, maar komen ook veel op de grond om te eten. Het voedsel  bestaat uit allerhande zaden, bessen, insecten en hun larven. Als de nootjes van de harde beuk (Nothofagus truncata) vallen zijn ze present want daar schijnen zijn ze gek op te zijn. Doordat ze veel op de grond rondscharrelen zijn ze een gemakkelijke prooi voor ratten, verwilderde katten en andere roofdieren. De broedperiode begint in de zomer en kan afhankelijk  van het voedselaanbod doorgaan tot ver in de herfst. De vogels nestelen in een holte hoog in de bomen. Niet bekend is hoeveel eieren deze vogels gemiddeld leggen, wel dat de broedduur overeenkomt met die van de andere kakariki’s. De jongen worden de eerste tijd alleen door de pop gevoerd, wanneer de jongen wat ouder zijn ook door de man. De jongen verlaten het nest als ze een week of vijf, zes oud zijn.

 

Avicultuur

De oranjevoorhoofdkakariki werd slechts enige keren aan het einde van de negentiende eeuw in Europa ingevoerd. Het eerste en, zover bekend, ook het enige broedresultaat in de Europese avicultuur dateert van 1883 staat op naam van Delaurier, Frankrijk. Delaurier kreeg het eerste jaar dat hij de vogels bezat vier jongen op stok. Na dit eerste succes verslechterde de conditie van de vogels en werden er geen broedresultaten meer behaald.

 

Tekst: H.W.J. van der Linden