Genus Cyanoramphus – kakariki’s

 

7. Geelvoorhoofdkakariki of goudkopkakariki

Cyanoramphus auriceps (Kuhl, 1820)

 

Verspreidingsgebied: het Noorder- en Zuidereiland van Nieuw Zeeland en verschillende kleine eilanden voor de kust bovendien de Auckland eilanden, Three Kings, Little Barrier, Kapiti en Stewart.


Soortbeschrijving

Formaat 23 cm.
Man en pop: voorhoofdsband zich uitstrekkend van oog tot oog is donker karmijnrood. Kruin goudgeel. Algemene lichaamskleur groen,  een nuance lichter van kleur als van de roodvoorhoofd; borst, buik, flanken dijen anaalstreek en onderstaartdekveren een nuance lichter van tint en meer geelachtig groen. Aan weerszijden van de stuit bevindt zich een rode vlek. De  buitenste vleugelpennen hebben een violetblauwe buitenvlag; ook de duimvleugelveertjes en de primaire vleugeldekveren zijn violetblauw. De staartpennen zijn aan de uiteinden blauw  bewaasd; onderkant staart donkergrijs. De ogen zijn donker en hebben een oranjerode iris. De bovensnavel is bleek staalblauw overgaand in een grijszwarte punt; ondersnavel donkergrijs. De poten zijn grijsbruin, de nagels nagenoeg zwart.

De pop is iets kleiner, ca. 21 cm, en wat minder fors dan de man; ook heeft ze een iets kleinere en rondere kop en een smallere snavel. Qua kleur en tekening is ze nagenoeg gelijk aan de man, maar de rode voorhoofdsband is iets smaller en het geel op de kruin is iets minder uitgebreid.

Jonge vogels en overjarige poppen bezitten aan de onderzijde van de grote vleugelpennen een rij witte vlekken, die een soort vleugelband de zogeheten vleugelstreep vormen. Bij de mannen is de vleugelstreep na de eerste grote rui nog maar nauwelijks zichtbaar.

 

Biotoop

Grote bossen in berggebieden op allerlei hoogtes, op sommige eilanden met weinig  hoge boomgroei vindt men ze ook wel in de ondergroei van de schaarse bomen alsook in min of meer open landschappen met struikgewassen en kreupelhout langs de kust. Tijdens de oogsttijd zijn de vogels ook te vinden op de fruitplantages en  korenvelden.

 

Status wildpopulatie

In de grotere bosgebieden van het Noorder- en Zuidereiland van Nieuw-Zeeland is de soort nog redelijk stabiel gebleven. Op de verschillende kleine eilanden vlak voor de kust en de onbewoonde Aucklandeilanden doen de vogels het uitstekend.

CITES Appendix I

 

Europese regelgeving inzake het bezit van en de handel in bedreigde in het wild voorkomende dier- en plantensoorten

De geelvoorhoofdkakariki is opgenomen in de Bijlage A van de Europese Basisverordening. In de Basisverordening (EG) nr. 338/97 zijn de regels gesteld omtrent invoer, uitvoer, wederuitvoer, doorvoer, eigendomsoverdracht en commerciële handelingen.

De volledige tekst van de Basisverordening kan men vinden op www.hetinvloket.nl

 

Leefwijze

Buiten de broedtijd leven geelvoorhoofdkakariki’s paarsgewijs of in kleine groepen. Op het Noordereiland worden ze menigmaal gezien in gezelschap van grote vluchten witkoppen (Mohoua  albicilla) Tijdens de broedtijd leven ze uitsluitend koppelsgewijs. Het zijn bewoners van de hoog gelegen onherbergzame bosgebieden. Ze bevinden zich meestal hoog in de kruinen van de voedselbomen, maar ook wel klauterend of hangend aan de buitenste takken en twijgen van bomen en struiken. Menigmaal, doch veel minder vaak dan de roodvoorhoofdkakariki, zijn ze op de grond te vinden. Men kan ze dan in de aarde zien scharren net als bij ons de kippen op zoek naar voedsel. Het voedsel van de geelvoorhoofdkakariki is veel minder gevarieerd dan dat van de roodvoorhoofdkakariki. Over het gehele jaar genomen worden tussen de 15 en 20 verschillende voedingsstoffen gegeten. Het bestaat uit allerhande zaden, vruchten, vooral bessen; bladknoppen en –scheuten; bloesems en het gehele jaar door veel insecten, vooral blad- en schildluizen, allerlei larven van kevers en rupsen..

De broedperiode van de  vogels is afhankelijk van het voedselaanbod, dus in principe tussen september en mei (lente en zomertijd), maar de belangrijkste periode ligt toch wel tussen oktober en januari. Gebroed wordt in holten van takken en stammen van levende en afgestorven bomen. Het legsel bestaat uit 5 tot 9 eieren die door de pop worden uitgebroed. De jongen blijven gedurende een week of  5 – 6  in het nest. Nadat ze uitgevlogen zijn, worden ze nog ruim een week gevoerd.

 

Algemene informatie

Persoonlijk heb ik het altijd vreemd gevonden dat een vogel met een rood  voorhoofd in het Nederlandse taalgebied geelvoorhoofdkakariki wordt genoemd. De wetenschappelijke soortnaam auriceps is afgeleid van het Latijnse aurum = goud en ceps = caput = kop. Goudkopkakariki zoals hij tot in de zestiger jaren van de vorige eeuw vaak genoemd werd, is een veel betere benaming. Vandaar ook dat ik hierboven goudkopkakariki als tweede benaming weer heb ingevoerd.

 

De eerste mee naar Europa gekomen geelvoorhoofdkakariki was in 1865 in de London Zoo te zien. Het eerste broedresultaat dateert van 1872 en staat op naam van H. Fiedler uit Zagreb (Kroatië).

 

Er zijn veel rasonzuivere geelvoorhoofdkakariki’s (C. auriceps) in omloop. In gebieden waar de geelvoorhoofd samen voorkomt met de roodvoorhoofdkakariki (C. novaezelandiae) schat men dat 1-10% van de paringen hybride paringen zijn. Op dezelfde wijze zijn  er op de eilanden Mangere en Little Mangere ook hybridenvormen tussen de Chatham-eiland geelvoorhoofdkakariki (C.  forbesi) en de Chatham roodvoorhoofdkakariki (C. n. chathamensis) ontstaan. Vooral van de in de wildbaan ontstane hybriden tussen C. auriceps en C. novaezelandiae zijn er in het verleden ook in Europa terechtgekomen. Deze werden hier verder met raszuivere vogels gehybridiseerd omdat men de uiterlijke verschillen tussen raszuiver en rasonzuiver niet kende of opmerkte. Maar ook de parkietenliefhebbers zelf, die in de jaren 1970-1980 kakariki’s bezaten toen deze vogels nogal kostbaar waren, dragen schuld aan de rasonzuiverheid van de soorten. Bij gebrek aan een gelijksoortige partner zijn er velen geweest die om het geldelijk gewin eenvoudig de geelvoorhoofd met de roodvoorhoofd kruisten. Het resultaat is dat thans  nog maar zeer weinig kakariki’s in Europa als raszuiver aangemerkt kunnen worden. Bij aankoop dus altijd goed letten op de raskenmerken! Geelvoorhoofdkakariki’s waarbij een gele of oranjekleurige of, wat ook wel voorkomt, roodachtige vlek achter het oog zichtbaar is, zijn rasonzuiver en dienen eigenlijk voor de fok te worden uitgesloten. Hetzelfde geldt voor vogels die op de gele kruin kleine rode veertjes tonen.

Met vogels die uiterlijk niet afwijken van de raszuivere wildkleur kan getracht worden door middel van selectie een op het oog raszuiver bestand op te bouwen. Een klein aantal kakariki-liefhebbers in Europa is daarmee al begonnen en het laat zich aanzien dat hun aantal nog zal toenemen.

 

Gedrag

Sterke en aangename voličrevogel; levendig van aard; ware klimmer en acrobaat, beweegt zich behendig over de takken en klimt naar boven en naar beneden langs het gaas zonder daarbij de snavel te gebruiken. Worden zeer vertrouwelijk met hun verzorger. Kan niet zo goed tegen vorst en dient tijdens de wintermaanden vorstvrij gehouden te worden, Hun stemgeluid doet aan een zacht mekkerend jong geitje denken en is nog minder luid dan het gemekker dat de bekende roodvoorhoofdkakariki laat horen. Buiten de broedperiode en mits de ruimte groot genoeg is, kan men ze gerust samenhouden met andere parkietachtigen, maar niet met kakariki’s. Tijdens de broedperiode echter dulden ze geen andere vogels bij zich. Deze vogels zijn geen knagers. Ze baden graag. Daar ze veel op de bodem rondscharrelen zijn ze gevoelig voor worminfecties. Uitermate geschikte vogels voor beginnende parkietenhouders.

Geelvoorhoofdkakariki’s zijn niet geschikt om solitair in een kooi te houden.

 

Huisvesting en verzorging

Minimale voličrematen (lxbxh) 3 x 1 x 2 m met aansluitend een te verwarmen nachtverblijf van (lxbxh) 1,5 x 1 x 2 m waarin het tijdens de wintermaanden op zijn minst vorstvrij blijft en een minimale daglengte van 12 uur gewaarborgd is. Zorgen voor voldoende klimgelegenheid, hiervoor het liefst verse takken in verschillenden dikten gebruiken; deze regelmatig verversen.

Zo nu en dan een paar verse grasplaggen in de  buitenvoličre leggen waarin de vogels kunnen woelen.

Tijdens de broedperiode kan men de vogels ook paarsgewijs huisvesten in zogenaamde broedkooien, mits deze niet te klein zijn. Geschikte kooimaten zijn 120 cm lang, 40 cm diep en 50 cm hoog. Groter mag natuurlijk gerust, kleiner beter niet. Om de vogels nog wat extra ruimte te bieden kan men het broedblok aan de buitenkant van de kooi bevestigen.

De vogels tweemaal per jaar een wormkuur geven.

Dagelijks zorgen voor een platte schaal met fris water waarin de vogels zich kunnen baden.

 

Voeding

Als basis geven we een zaadmengsel waarin de volgende zaden voorkomen: tarwe, haver, padie, boekweit, witzaad, diverse gierst- en milletsoorten, hennep, dari, zonnebloempitten, saffloerpitten, lijnzaad en negerzaad. Naast de droge zaadmengeling dagelijks wat groen aanbieden in de vorm van bladgroenten, muur of paardenbloem, ook wortelen, paprika, enz. Verder allerhande fruit, zoals appel, peer, sinaasappel, druiven, ook rozenbottels en lijsterbessen. Een beetje gekiemd zaad of – in het seizoen - halfrijpe graszaden, halfrijpe aren van haver en tarwe zijn een welkome afwisseling voor de vogels. Geef verder elke dag een  beetje eivoer (gerantsoeneerd) eventueel aangevuld met een kleine gift weekvoer voor insecteneters (insectenpaté of universeelvoer). Wen de vogels ook aan het eten van meelwormen. In de natuur eten ze immers ook vrij veel insecten en het is een uitstekende eiwitbron. Elke dag een paar meelwormen per vogel is voldoende. Voorts elke dag zorgen voor schoon drinkwater. Ook maagkiezel, grit en een mineralenblok moeten steeds ter beschikking staan.

In de broedtijd onbeperkt eivoer verstrekken, d.w.z. zoveel als de vogels willen opnemen. Als er jongen zijn dagelijks ook de hoeveelheid meelwormen naar behoefte opvoeren. Het toevoegen van wat mierenpoppen aan het eivoer is ook een mogelijkheid het eiwitpercentage in de  voeding wat op te schroeven. Stukjes garnaal worden eveneens graag gegeten.

 

Fok

Voor de fok moeten de vogels minimaal een jaar oud zijn. Laat als u daar de mogelijkheid toe hebt, de vogels zelf hun partner uitzoeken, dat kan al op een leeftijd van vier of  vijf maanden. Als we zelf een willekeurige man en pop  bij elkaar zetten  wil het koppelen nog wel eens mis gaan doordat man en pop elkaar niet liggen. Heeft men echter eenmaal een goed harmoniërend paar dan is de kans dat het broedseizoen mislukt praktisch uitgesloten.

Als het weer meezit, het dus niet koud is, kunnen we eind februari begin maart de broedblokken in het binnenverblijf ophangen. Elk koppel krijgt twee broedblokken. De voorkeur gaat uit naar natuurbroedblokken met een diameter van ongeveer 20 cm en een hoogte van 30 - 35 cm; diameter in vlieggat 6 – 7 cm. Zelfgemaakte nestkasten van overeenkomende afmetingen voldoen echter ook prima. Ook horizontaal uitgevoerde nestkasten voldoen uitstekend. Op de bodem  van het blok een laag vermolmd hout of een mengsel van turfmolm en houtsnippers aanbrengen

Als het paartje voldoende broedrijp is, kan men veertien dagen nadat de blokken zijn opgehangen het eerste ei verwachten, maar als het eens wat langer duurt, dan is er echt geen man overboord en komt het meestal wat later allemaal  best in orde. Gewoonlijk worden de eieren om de andere dag gelegd. Als regel worden 5 – 6 eieren gelegd, soms enkele minder, maar het kan ook oplopen tot 10 stuks. Oudere poppen produceren over het algemeen grotere legsels dan jonge poppen. Als men de mogelijkheid heeft van een dergelijk groot legsel eieren over te leggen bij poppen die er minder hebben of waarvan de eieren onbevrucht zijn, moet men dat  beslist doen. Van de laatst geboren jongen uit zulke grote legsels komt meestal niet veel terecht. Men kan de eieren van de geelvoorhoofd ook gerust bij een roodvoorhoofd onderschuiven, mits de eieren ongeveer even oud zijn. Overigens kan men eieren van de roodvoorhoofd ook onderleggen bij een geelvoorhoofd. De jongen worden zonder mankeren door de pleegouders grootgebracht, ook als er jonge geelvoorhoofd- en roodvoorhoofdkakariki’s bij elkaar in een nest liggen

Als regel  begint de pop te broeden als het tweede ei is gelegd, maar er zijn er ook die pas na het derde ei beginnen. De broedduur is 19 dagen. Gedurende de broedtijd wordt de pop door de man gevoerd, maar steeds buiten het nestblok.

Als de jongen uitkomen hebben ze wit nestdons, wat naarmate ze ouder worden in grijs veranderd. Ongeveer 8 dagen nadat ze uitgekomen zijn, gaan de ogen open. Dat is ook ongeveer de tijd om de jongen te ringen; ringmaat 5,4 mm. Een dag of vijf later zijn er al  veerstoppeltjes te herkennen. Een week later beginnen de eerste veren door te komen. Na ongeveer 30 dagen kan men ze af en toe al aan het invlieggat zien. Ongeveer  een week later verlaten ze het nest.

Pas uitgevlogen jonge vogels lijken in grote trekken op de ouders, maar bezitten minder rood en geel aan de kop en de oogiris is bleek bruin, de snavel toont hoornkleurig, bovendien hebben ze een kortere staart. Het geslacht kan men bij het uitvliegen al vaststellen aan de breedte van de snavel, die bij de mannen breder en forser is dan die van de poppen.

 

Mutaties

Ook bij de geelvoorhoofdkakariki zijn al verschillende mutaties bekend. Voor het merendeel dezelfde kleurmutaties die  we bij de roodvoorhoofd kennen, uitgezonderd twee nieuwe mutatievormen: de opaline en de gele zwartoog. Ik zal ze even voorstellen.

 

Cinnamon

De cinnamonfactor vererft geslachtsgebonden of beter, is gekoppeld aan het X-chromosoom en recessief ten opzichte van de wildfactor (lees: ongemuteerde cinnamonfactor).

Genetisch symbool cin; wildvorm cin+

De cinnamon-man wordt als Xcin/Xcin geschreven de cinnamon-pop als Xcin/Y

 

Beknopte omschrijving cinnamon:

Karakteristiek voor deze mutant zijn de cinnamonbruine vleugelpennen. De bovendelen inclusief de staart zijn bleek bruinachtig groen. Het gehele onderlichaam is een nuance lichter en geelachtiger van kleur. De onderkant van de staart is licht cinnamonbruin De  buitenste vleugelpennen hebben een vaalblauwe buitenvlag; ook de duimvleugelveertjes en de primaire vleugeldekveren zijn  vaalblauw. De snavel is bleek staalblauw met donkere punt. De poten zijn grijsachtig roze, de nagels enigszins grijsachtig getint. Voor het overige gelijk aan de wildkleur.

 

Opaline

De opalinefactor vererft net als de cinnamonfactor gekoppeld aan het X-chromosoom en is recessief ten opzichte  van de wildfactor.

Genetisch symbool op; wildvorm op+.

De opaline-man wordt als Xop/ Xop  geschreven, de opaline-pop als Xop/Y.

 

Beknopte omschrijving opaline

Bij deze mutatie hebben we te maken met een ontregeling van de pigmentafzetting in de veervelden van achterkop, nek, mantel, vleugeldek,buik, flanken en staartpennen, waardoor de gele kleur in de bevedering toeneemt en er een gewijzigd tekeningspatroon ontstaat.

De op+-factor heeft – om het maar eens zo te zeggen – een regelende functie: regelt bij de in wording zijnde veren tijdstip en duur van de pigmentafzetting alsook tijdstip en duur dat de pigmentafzetting in de groeiende veer wordt geblokkeerd. De gemuteerde factor, dus de op-factor ontregelt als het ware dit mechanisme van de pigmentafzetting. Immers op diverse plaatsen stopt de pigmentafzetting geheel of in belangrijke mate waardoor het geel toeneemt en het groen a.h.w. in meer of mindere mate (variabel) wegvalt. Men ziet dit ook aan de donsveren waarin helemaal geen pigment wordt afgezet en die dus wit blijven. Op de buitenste handpennen  ontstaat een  vleugelspiegel als gevolg van pigmentverlies. De ogen zijn donker, de pootkleur is rozeachtig bruin, de nagels zijn grijs.

 

Fallow  

Waarschijnlijk gaat het hier net bij de roodvoorhoofd om de bronze fallow. Wat uiterlijk betreft, lijkt het daar op, maar absolute zekerheid hierover is er nog niet. Mogelijk zijn er zelfs  twee verschillende fallowmutaties, maar ook daarover bestaat nog geen zekerheid. Hoe dan ook, alle fallowmutaties vererven autosomaal en zijn recessief ten opzichte van de wildvorm.

Als het vermoeden bevestigd wordt dat het inderdaad om het bronze fallowtype gaat dan is het genetisch symbool abz;  voor de wildvorm schrijft men dan a+.

 

Beknopte omschrijving van de bronze fallow

Kenmerkend voor de fallows is de rode oogkleur. De buitenste grote vleugelpennen zijn licht grijsbruin duidelijk lichter die van de cinnamon. De kleur van de bovendelen inclusief de bovenkant van de staart is bruinachtig groen, nagenoeg gelijk aan die van de cinnamon. Het onderlichaam is duidelijk  bleker dan dat van de cinnamon. De onderkant staart is lichtbruin. De duimvleugelveertjes, de primaire vleugeldekveren en de buitenste vleugelpennen zijn vaalblauw bewaasd. De snavel is hoornkleurig. De oogkleur is helderrood met irisring. De poten zijn vleeskleurig, de nagels hoornkleurig. Voor het overige gelijk aan de wildkleur.

 

Gele zwartoog of dark eyed clear

De dark eyed clear is net als de  bronze fallow een multipele allele van het NSL ino-gen, ergo het a-locus. Deze kleurslag vererft autosomaal en is recessief ten opzichte van de wildkleur.

Genetisch symbool adec; wildvorm a+

De volgorde van dominantie  van deze allele-reeks is a+ - abzadeca (a is er nog niet).

Uit de kruising tussen bronze fallow en de dark eyed clear (abz en  adec) ontstaat waarschijnlijk een tussenvorm, maar dat zal de toekomst moeten uitwijzen.

 

Beknopte omschrijving dark eyed clear

Bij deze mutatie hebben we te maken met een praktisch volledige melaninereductie in de bevedering.

De algemene lichaamskleur en de staartpennen zijn geel, de handpennen zijn een nuance lichter geel. De pootkleur is vleeskleurig, de nagels zijn hoornkleurig. Het oog is donker, bijna zwart, de oogiris ontbreekt.

Voor het overige gelijk aan de wildvorm.

 

Bont

Men onderscheidt bij de geelvoorhoofdkakariki twee vormen van  bont:

1. Een autosomaal verervende bontmutatie met dominante

    kenmerkvorming;

    Symbool voor dominant bont: Pi; wildvorm Pi+

2. Een autosomaal verervende bontmutatie met recessieve

    kenmerkvorming.

    Symbool voor recessief bont: s; wildvorm s+

 

De bontpatronen van de beide mutatievormen zijn zeer variabel. Voor de doorsnee liefhebber is het dan ook moeilijk de verschillende bonttypes uit elkaar te houden. Vandaar dat ik de voornaamste kenmerken van de diverse bonttypes hieronder zal benoemen. Voor alle duidelijkheid: de onderstaande beschrijvingen dienen slechts als hulpmiddel bij het vaststellen van het bonttype en niet bedoeld als standaardbeschrijving van het betreffende bonttype.

 

Beknopte omschrijving dominantbont:

Op het achterhoofd bevindt zich een variabele gele vlek, menigmaal in de vorm van een op de kop staande hoofdletter T . Rug, borst, buik, flanken en anaalstreek zijn groen, doch onderbroken door onregelmatige gele veervelden, vooral op bef, rondom en tussen de inplant van de poten; meestal gepaard gaande met één of verschillende geelgetinte handpennen en staartveren. Het bont­patroon is zeer variabel, maar zelden meer dan 50% van het geheel, soms slechts minimaal aanwezig. Sna­vel bleek staalblauw met donkere punt. Poten grijsbruin of bont; de nagels variëren van grijs tot hoornkleurig.

Voor het overige gelijk aan de wildkleur.

 

Beknopte omschrijving recessiefbont:

In tegenstelling met de dominantbonten hebben de recessiefbonten een vaster en gelijkmatiger bontpatroon. Net als bij de dominant bonten is het  bontpatroon variabel, maar altijd boven de 50%.  Het grootste gedeelte van de lichaamsbevedering is dan ook geel. De slagpennen van de recessiefbonten zijn vrijwel altijd pigmentloos en gelijk van kleur. Er zijn recessief bonten met een geheel effen gele lichaamsbevedering. De oogkleur is donker, doch variabel van tint, dit afhankelijk van het bontpercentage. De snavelkleur is aan de basis sterk opgebleekt en gaat over in hoornkleurig, Poten  vleeskleurig of bont; nagels hoornkleurig. Voor het overige gelijk aan de wildkleur.

Opmerking: split recessiefbonten tonen vaak een geel vlekje op het achterhoofd.

 

Lutino

Persoonlijk denk ik dat het  bij deze verschijningsvorm niet om een echte lutino gaat. maar dat het een pseudo ino is. Voor meer informatie verwijs ik naar hetgeen ik hierover bij de “lutino” roodvoorhoofdkakariki heb vermeld.

 

Tekst: H.W.J. van der Linden