Genus Cyanoramphus – kakariki’s

 

3. Roodvoorhoofdkakariki

Cyanoramphus novaezelandiae (Sparrman, 1787)

 

Soortbeschrijving

Formaat 27 cm.

Man en pop: Voorhoofdsband en kruin karmozijnrood; de voorhoofdsband loopt via de teugel door tot ongeveer 1 cm achter de ogen. Algemene lichaamskleur groen; achterkop, nek, mantel, rug- en vleugeldek hard groen; borst, buik, flanken dijen anaalstreek en onderstaartdekveren een nuance lichter van tint en meer geelachtig groen. Onderzijde staart grijs. Aan weerszijden van de stuit bevindt zich een karmozijnrode vlek. De buitenste vleugelpennen hebben een violetblauwe buitenvlag; de duimvleugelveertjes en de primaire vleugeldekveren zijn eveneens violetblauw. De ogen zijn donker en hebben een rode iris. De bovensnavel is bleek staalblauw overgaand in een grijszwarte punt; ondersnavel donkergrijs. De poten zijn grijsbruin, de nagels nagenoeg zwart.

De pop is iets kleiner, ca. 25 cm, en wat minder fors dan de man; ook heeft ze een iets kleinere en rondere kop en een smallere snavel. Wat betreft kleur en tekening komen man en pop vrijwel overeen, maar het rood aan de kop is iets minder uitgebreid. Jonge vogels en overjarige poppen bezitten aan de onderzijde van de grote vleugelpennen een rij witte vlekken, die een soort vleugelband de zogeheten vleugelstreep vormen. Bij de mannen is de vleugelstreep na de eerste grote rui nog maar nauwelijks zichtbaar.

 

Ondersoorten

Cyanoramphus n. chathamensis Oliver, 1930

Chatham roodvoorhoofdkakariki

Verspreidingsgebied: Chatham, Pitt eiland, South-East eiland, Mangere en Little Mangere.

Kenmerken: Formaat 28 cm. Gelijkend op de nominaatvorm, maar de zijkanten van de kop zijn helder smaragdgroen en het onderlichaam toont iets geelachtiger groen; de poten zijn grijs tot donkergrijs.

 

Cyanoramphus n. cyanurus Salvadori, 1891

Kermadec roodvoorhoofdkakariki

Verspreidingsgebied: de Kermadec eilanden Macauley, Curtis, Meyer, Napier, Dayrell en Chanter.

Kenmerken: Formaat 29 cm. De buitenvlaggen van de vleugelpennen tonen een dieper violetblauwe kleur dan de nominaatvorm. Het gehele onderlichaam is dieper groen, minder geelachtig getint. De bovenzijde van de staart is blauwgroen

 

Cyanoramphus n. novaezelandiae (Sparrman, 1787)
Verspreidingsgebied: het Noorder en Zuidereiland van Nieuw Zeeland en de meeste kleine eilanden voor de kust alsmede het eiland Stewart en omliggende eilanden waarvan de  voornaamste Ruapuke-eiland, Godficheiland, Big South Cape-eiland en de Muttonbirdeilanden zijn. Verder nog op de onbewoonde, subantarctische Auckland eilanden, zo’n 465 km ten zuiden van het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland.
Naamgeving en kenmerken: zie nominaatvorm Cyanoramphus novaezelandiae

 

Cyanoramphus n. subflavecens Salvadori, 1891

Lord Howe roodvoorhoofdkakariki

Verspreidingsgebied: leefde vroeger op het eiland Lord Howe, ongeveer 600 km ten oosten van Australië; thans uitgestorven.

Kenmerken: Formaat 32 cm. Gelijkend op de nominaatvorm, maar met een duidelijk geliger groene lichaamskleur, vooral op de wangen. Het rood op de kruin is minder uitgebreid.

Bijzonderheden: deze ondersoort is aan het einde van de negentiende eeuw – net als Porphyrio albus, Columba vitiensis godmanae en  Sula tasmani die in die periode eveneens zijn verdwenen – door kolonisten geëlimineerd, waarschijnlijk omdat ze schadelijk waren voor de landbouw.

 

Biotoop

Deze vogels vindt men in alle soorten vegetatie, afhankelijk van de beschikbaarheid van voedsel. Dichte woudgebieden op allerlei hoogten, open bossen, struikgewassen doch worden ook gezien langs woudranden, open grasvlakten en op de grond op zoek naar voedsel.

Red-crowned parakeets were found in all vegetation types depending on the

Status wildpopulatie

Op het Noorder- en Zuidereiland van Nieuw-Zeeland is de populatie drastisch geslonken en is de roodvoorhoofdkakariki zeldzaam geworden. Op de kleine eilanden voor de kust, het eiland Stewart en de Aucklandeilanden nemen hun aantallen weer wat toe.

CITES Appendix I

 

Europese regelgeving inzake het bezit van en de handel in bedreigde in het wild voorkomende dier- en plantensoorten

De roodvoorhoofdkakariki is opgenomen in de Bijlage A van de Europese Basisverordening. In de Basisverordening (EG) nr. 338/97 zijn de regels gesteld omtrent invoer, uitvoer, wederuitvoer, doorvoer, eigendomsoverdracht en commerciële handelingen.

 

Omdat er met de roodvoorhoofdkakariki in gevangenschap veel wordt gefokt en er vrijwel geen uit wildvang afkomstige vogels worden verhandeld, is de soort tevens opgenomen in Bijlage X van de Uitvoeringsverordening.  In de Uitvoeringsverordening (EG) 865/2006 wordt o.a. beschreven aan welke voorwaarden vergunningen en certificaten moeten voldoen, welke merktekens (ringen) moeten worden gebruikt. Voorts worden in deze verordening verschillende begrippen nauwkeuriger verklaard, zoals in welke gevallen er sprake is van in gevangenschap gefokte en geboren dieren.

 

Volgens de nationale regelgeving is men niet verplicht Bijlage X-vogels, die aantoonbaar in voličremilieu zijn gefokt van een naadloos gesloten pootring te voorzien. Ook hoeft men geen registratie in een register bij te houden zoals bedoeld in de Regeling administratie bezit van en handel in beschermde dier- en plantensoorten.

 

Hoewel het ringen dus geen verplichting is doet men er goed aan deze vogels altijd te voorzien van een naadloos gesloten pootring voor beschermde vogels en daarbij de maat aan te houden zoals aangegeven in bijlage 1 van de Regeling afgifte en kenmerken naadloos gesloten pootringen en andere merktekens t.b.v. beschermde inheemse en beschermde uitheemse vogels .

De volgens deze regelgeving geringde roodvoorhoofdkariki’s mogen vrij verhandeld worden. Voor niet geringde of niet juist geringde vogels is bij overdracht of commerciële handelingen steeds een EG-certificaat nodig.

De volledige teksten van de Basisverordening en de Uitvoeringsverordening zijn te vinden op www.hetinvloket.nl 

 

Leefwijze

De roodvoorhoofdkakariki is een standvogel en blijft gedurende het hele jaar hangen  in de buurt van de broedplaats. In tijden van voedselschaarste  trekken de eilandbewoners nog wel eens naar een nabijgelegen eiland, maar dat is eerder uitzondering dan regel en door de beperkte afstand die dan wordt afgelegd kan men dit ook geen vogeltrek noemen..

Buiten de broedtijd leven deze vogels paarsgewijs of in kleine groepen. Tijdens de broedtijd leven ze uitsluitend koppelsgewijs. Het zijn bewoners van de vrije en meer open streken rond de lager  tegen de berghellingen gelegen bosgebieden. De vogels foerageren zowel in kruinen van de voedselbomen, maar ook veel in allerhande vegetatie dicht bij de grond.  Niet zelden scharrelen ze ook wel gewoon op de grond rond op zoek naar voedsel. Dit bestaat over het hele jaar genomen uit meer dan  50 verschillende soorten voedsel. Behalve allerlei zaden, eten ze vruchten, vooral bessen; bladknoppen en –scheuten; bloesems en wat insecten, met name in het voorjaar  als de broedperiode  begint.

De broedperiode van deze kakarikisoort valt tussen september en maart (lente en eerste maanden van de zomerperiode), wordt echter ook in  belangrijke mate door klimatologische omstandigheden  bepaald. De meeste legsels worden van oktober tot december gesignaleerd. De vogels broeden in holten van takken en stammen van levende en afgestorven bomen, ook in rotsholten en zelfs in holen in de grond; op de eilanden waar nauwelijks wat anders als aardkluitgrassen (Poa-spp) groeien, nestelen ze in de voet van het hoge gras waarin ze zelf met hun poten een holte graven. Het legsel bestaat gewoonlijk uit 5 tot 6 eieren, soms oplopend tot 7 – 9 stuks, die door de pop worden uitgebroed. De jongen blijven gedurende een week of  5 – 6  in het nest. Nadat ze uitgevlogen zijn, worden ze nog ruim een week hoofdzakelijk door de man verzorgd.

 

Algemene informatie

De roodvoorhoofdkakariki was in 1864 voor het eerst te zien in de London Zoo. Wanneer er in  voličremilieu voor het eerst mee werd gebroed, is waarschijnlijk niet meer te achterhalen, maar de Fransman Delaurier kreeg van zijn vogels in 1875 de eerste jongen op stok. Tussen 1875 en 1882 brachten enkele broedparen van hem in totaal 65 jongen groot.

 

Er zijn veel rasonzuivere roodvoorhoofdkakariki’s  in omloop. In gebieden waar de roodvoorhoofd- samen voorkomt met de geelvoorhoofdkakariki (C. auriceps) komen hybriden van deze vogels voor. Geschat wordt dat 1 – 10% van de paringen in de wildbaan hybride nakomelingen opleveren. Op dezelfde wijze zijn  er op de eilanden Mangere en Little Mangere ook hybridenvormen tussen de Chatham-eiland geelvoorhoofdkakariki (C.  forbesi) en de Chatham roodvoorhoofdkakariki (C. n. chathamensis) ontstaan. Vooral van de in de wildbaan ontstane hybriden tussen C. auriceps en C. novaezelandiae zijn er in het verleden ook in Europa terechtgekomen. Deze werden hier verder met raszuivere vogels gehybridiseerd omdat men de uiterlijke verschillen tussen raszuiver en rasonzuiver niet kende of opmerkte. Maar ook de parkietenliefhebbers zelf, die in de begin jaren 1970 kakariki’s bezaten toen deze vogels nog zo’n 5500 gulden (€ 2500) kostten, dragen schuld aan de rasonzuiverheid van de soorten. Bij gebrek aan een gelijksoortige partner zijn er velen geweest die om het geldelijk gewin eenvoudig de roodvoorhoofd met de geelvoorhoofd kruisten. Het resultaat is dat thans  nog maar zeer weinig kakariki’s in Europa als raszuiver aangemerkt kunnen worden. Roodvoorhoofdkakariki’s waarvan de rode kruin aan de achterzijde een  geel randje toont, hoe klein dan ook, zijn rasonzuiver en dienen eigenlijk voor de fok te worden uitgesloten. Het is dus zaak bij aankoop goed te letten op de uiterlijke raskenmerken, zodat door middel van strenge selectie in ieder geval vogels gefokt kunnen worden, die op het oog raszuiver zijn. Genetisch raszuiver zal helaas niet meer lukken.

 

Gedrag

Het zijn bekoorlijke, levendige, zeer beweeglijke en aanhalige vogels. Als ze wat lekkers aangeboden krijgen pakken ze dit menigmaal uit de hand van hun verzorger. Goede klimmer, loopt net zo gemakkelijk tegen het gaas op naar boven als naar beneden, zonder daarbij de snavel te gebruiken. Deze vogels baden graag, zijn geen knagers, zeer nieuwsgierig van aard. Laten een mekkerend stemgeluid horen, echter niet luid en zeker niet storend. Is verder een vogel die best tegen een stootje kan, maar niet zo goed tegen onze winterse kou. Een paar graden vorst gedurende niet al te lange tijd is geen probleem, maar ze moeten eigenlijk tijdens de wintermaanden over een vorstvrije ruimte kunnen beschikken. Omdat ze veel op de grond komen, zijn ze gevoelig  voor worminfecties.

Deze vogels kunnen buiten de broedtijd best met andere vogels worden samengehouden, ook met parkietachtigen, maar niet met soortgenoten. Tijdens de broedtijd moeten ze steeds koppelsgewijs gehouden worden.

Roodvoorhoofdparkieten hebben bewezen uitstekende pleegouders te zijn voor rosellasoorten (Platycercus spp), doch ook voor grotere parkietachtigen als roodvleugels (Aprosmictus spp) en koningsparkieten  (Alisterus spp) -  wat de beide laatstgenoemde betreft - in ieder geval gedurende de eerste drie levensweken.

Zeer geschikte vogels voor beginnende parkietenhouders.

De roodvoorhoofdkakariki is niet geschikt om als huisdier in een kooi te houden.

 

Huisvesting

Minimale voličrematen (lxbxh) 3,5 x 1 x 2 m met aansluitend een te verwarmen nachtverblijf van (lxbxh) 1,5 x 1 x 2 m waarin het tijdens de wintermaanden op zijn minst vorstvrij blijft en een minimale daglengte van 12 uur gewaarborgd is. Voor deze vogels dient voor voldoende  klimgelegenheid gezorgd te worden, hiervoor het liefst verse takken in verschillenden dikten gebruiken; deze regelmatig verversen.

Regelmatig een paar verse graszoden in de  buitenvoličre leggen waarin de vogels kunnen wroeten en scharrelen.

Tijdens de broedperiode kan men de vogels paarsgewijs huisvesten in zogenaamde broedkooien, mits deze niet te klein zijn. Geschikte kooimaten voor deze vogels zijn 120 cm lang, 50 cm diep en 60 cm hoog. Groter mag natuurlijk gerust, kleiner  beter niet. Om de vogels nog wat extra ruimte te bieden kan men het broedblok aan de buitenkant van de kooi bevestigen.

De vogels tweemaal per jaar een wormkuur geven.

Dagelijks zorgen voor een platte schaal met fris water waarin de vogels zich kunnen baden.

 

Voeding

Van huis uit is de roodvoorhoofd op de eerste plaats een zaadeter, Daarna komen vruchten, vooral bessen, allerhande groenvoer en wat insecten, vooral tijdens de broedperiode. Als basisvoedsel dienen we de vogels een zaadmengsel voor te zetten waarin de volgende zaden voorkomen: tarwe, haver, padie, boekweit, witzaad, diverse gierst- en milletsoorten, hennep, dari, zonnebloempitten, saffloerpitten, lijnzaad en negerzaad. Naast de droge zaadmengeling dagelijks een weinig fruit aanbieden in de vorm van appel, peer, sinaasappel, druiven, ook rozenbottels en lijsterbessen. Verder een beetje bladgroenten zoals sla, muur, paardenbloem, ook wortelen, paprika, enz. Een beetje gekiemd zaad of – in het seizoen, halfrijpe graszaden, halfrijpe aren van haver en tarwe of een stuk halfrijpe kolfmaďs zijn een welkome afwisseling voor de vogels. Geef verder elke dag een  beetje eivoer (gerantsoeneerd) eventueel aangevuld met een kleine gift weekvoer voor insecteneters (insectenpaté of universeelvoer). Men kan dit eventueel wat rul maken met gekiemd zaad. Maak het weekvoer echter niet te nat. Wen de vogels ook aan het eten van meelwormen. In de natuur eten ze immers ook insecten en het is een goede eiwit- , calcium- en fosforbron (ruw eiwit 20,8; calcium 0,03; fosfor 0,27). Elke dag een paar meelwormen per vogel is voldoende. Voorts elke dag zorgen voor schoon drinkwater. Ook maagkiezel, grit en een mineralenblok moeten steeds ter beschikking staan.

In de broedtijd onbeperkt eivoer verstrekken, d.w.z. zoveel als de vogels willen opnemen. Als er jongen zijn dagelijks ook de hoeveelheid meelwormen naar behoefte opvoeren. Het toevoegen van wat mierenpoppen aan het eivoer is ook een optie.

 

Fok

Lukt  bijna altijd, tenminste als de vogels niet te vroeg voor de fok worden ingezet. Kakariki’s zijn al op een leeftijd van 4 ŕ 5 maanden geslachtsrijp, maar nog lang niet in staat jongen groot te brengen. Wachten dus met de fok tot de vogels een jaar oud zijn. Het samenstellen van een broedpaar wil nog wel eens problemen geven doordat de pop de man niet accepteert, die wij voor haar hebben uitgezocht. Een goede methode is de vogels als ze geslachtsrijp zijn, zelf hun partner te laten uitkiezen.

Als het weer meezit, het dus niet koud is, kunnen we eind februari begin maart de broedblokken in het binnenverblijf ophangen. Elk koppel krijgt twee broedblokken. De voorkeur gaat uit naar natuurbroedblokken met een diameter van ongeveer 20 cm en een hoogte van 30 - 35 cm; diameter in vlieggat 6 – 7 cm. Zelfgemaakte nestkasten van overeenkomende afmetingen voldoen echter ook prima. Ook horizontaal uitgevoerde nestkasten worden geaccepteerd. Op de bodem  van het blok een laag vermolmd hout of een mengsel van turfmolm en houtsnippers aanbrengen

Als het paartje voldoende broedrijp is, kan men veertien dagen nadat de blokken zijn opgehangen het eerste ei verwachten, maar het kan ook best wel wat langer duren. De eieren worden om de andere dag gelegd. Gewoonlijk worden 5 – 6 eieren gelegd, soms enkele minder, maar het kan ook oplopen tot 10 stuks. Oudere poppen produceren over het algemeen grotere legsels dan jonge poppen. Als u de mogelijkheid hebt van een dergelijk groot legsel eieren over te leggen bij poppen die er minder hebben  of waarvan de eieren onbevrucht zijn, raad ik u aan dat te doen. Van de laatst geboren jongen uit zulke grote legsels komt meestal niet veel terecht.

Als regel  begint de pop te broeden als het tweede ei is gelegd, maar er zijn er ook die pas na het derde ei beginnen. De broedduur is 19 dagen, gerekend vanaf de dag dat de pop met broeden begint.

Over de broedduur nog het volgende. Wanneer de pop met broeden begint is van paar tot paar  en zelfs van keer tot keer verschillend. Voor de berekening van het tijdstip waarop men de jongen mag verwachten, is het dus belangrijk dat men precies vaststelt wanneer de pop met broeden begint. Houd ook rekening met het feit, dat menige pop vanaf het eerste ei in het broedblok  blijft, zonder daadwerkelijk te broeden.

Gedurende de broedtijd wordt de pop door de man gevoerd, maar in tegenstelling met veel andere parkietachtigen alleen buiten het nestblok.

Als de jongen uitkomen hebben ze wit nestdons, wat naarmate ze ouder worden in grijs veranderd. Ongeveer 8 dagen nadat ze uitgekomen zijn, gaan de ogen open. Dat is ook ongeveer de tijd om de jongen te ringen; ringmaat 5,4 mm. Een dag of vijf later zijn er al  veerstoppeltjes te herkennen. Een week later beginnen de eerste veren door te komen. Na ongeveer 30 dagen verschijnen ze af en toe al aan het invlieggat. Een week later verlaten

ze het nest.

Jonge vogels lijken in grote trekken op de ouders, maar hebben een kortere staart; het rood aan de kop is iets minder uitgebreid en ze hebben een bleek bruinrode iris.
De aard  van het geslacht kan men bij de jonge vogels al vaststellen aan de breedte van de snavel, die bij de mannen breder en forser is dan bij de poppen.

 

Mutaties

Bij de roodvoorhoofdkakariki zijn inmiddels al verschillende mutaties opgetreden. Het gaat om kleurmutaties die we ook al van andere parkietensoorten kennen. Het lijkt me zinnig om bij de verervingswijze en de uiterlijke verschijningsvormen van deze mutaties hieronder even stil te staan.

 

Cinnamon

De cinnamonfactor vererft geslachtsgebonden of beter, is gekoppeld aan het X-chromosoom en recessief ten opzichte van de wildfactor (lees: ongemuteerde cinnamonfactor).

Genetisch symbool cin; wildvorm cin+

De cinnamon-man wordt als Xcin/Xcin geschreven de cinnamon-pop als Xcin/Y

 

Beknopte omschrijving cinnamon:

Karakteristiek voor deze kleurslag zijn de cinnamonbruine vleugelpennen. Achterkop, nek, mantel, vleugeldek, rug, stuit, bovenstaartdekveren zijn bleek bruinachtig groen. Borst, buik, flanken, dijen, anaalstreek en onderstaartdekveren een nuance lichter, maar ook iets geelachtiger getint  De  buitenste vleugelpennen hebben een vaalblauwe buitenvlag; ook de duimvleugelveertjes en de primaire vleugeldekveren zijn  vaalblauw. De bovenzijde van de grote staartveren zijn bleek bruinachtig groen; onderkant staart licht cinnamonbruin. De snavel is bleek staalblauw met donkere punt. De poten zijn grijsachtig roze, de nagels enigszins grijsachtig getint. Voor het overige gelijk aan de wildkleur.

 

Fallow

Waarschijnlijk gaat het bij de roodvoorhoofd om de zogeheten bronze fallow. Wat uiterlijk betreft, lijkt het daar op, maar zonder gedegen onderzoek is dat niet met zekerheid te zeggen. Mogelijk is er zelfs sprake van twee verschillende fallowmutaties, maar ook dat moet nog uitgezocht worden. Hoe dan ook, alle fallowmutaties vererven autosomaal en zijn recessief ten opzichte van de wildvorm.

Als het vermoeden bevestigd wordt dat het inderdaad om het bronze fallowtype gaat dan is het genetisch symbool abz;  voor de wildvorm schrijft men dan a+.

 

Beknopte omschrijving van de bronze fallow

Kenmerkend voor de fallows is de rode oogkleur. De buitenste grote vleugelpennen zijn licht grijsbruin duidelijk lichter die van de cinnamon. De kleur van het rugdek is bruinachtig groen, nagenoeg gelijk aan die van de cinnamon. Het onderlichaam is duidelijk  bleker dan dat van de cinnamon. De  buitenste vleugelpennen hebben een vaalblauwe buitenvlag; ook de duimvleugelveertjes en de primaire vleugeldekveren zijn  vaalblauw. De bovenzijde van de grote staartveren zijn bleek bruinachtig groen; onderkant staart lichtbruin. De snavel is hoornkleurig. De oogkleur is helderrood met irisring. De poten zijn vleeskleurig, de nagels hoornkleurig. Voor het overige gelijk aan de wildkleur.

 

Bont

Men onderscheidt bij de roodvoorhoofdkakariki drie vormen van  bont:

1. Een autosomaal verervende bontmutatie met dominante  

    kenmerkvorming;

    Symbool voor dominant bont: Pi; wildvorm Pi+

2. Een autosomaal verervende bontmutatie met recessieve

    kenmerkvorming.

    Symbool voor recessief bont: s; wildvorm s+

3. De mottle is een  autosomaal verervende bontmutatie met

    recessieve kenmerkvorming.

    Het genetisch symbool voor de mottle is mo; wildvorm mo+.

    Overigens is deze mutant is nog niet in Europa aanwezig

 

De bontpatronen van de verschillende mutatievormen zijn zeer variabel. Voor de doorsnee liefhebber is het dan ook moeilijk de verschillende bonttypes uit elkaar te houden. Laat ik daarom beginnen met de voornaamste kenmerken van de diverse bonttypes op een rijtje te zetten. Voor alle duidelijkheid: de onderstaande beschrijvingen dienen slechts als hulpmiddel bij het vaststellen van het bonttype en gelden dus niet als standaardbeschrijving van het betreffende bonttype.

 

Beknopte omschrijving dominantbont:

Op het achterhoofd bevindt zich een variabele gele vlek, menigmaal in de vorm van een op de kop staande hoofdletter T . Rug, borst, buik, flanken en anaalstreek zijn groen, doch onderbroken door onregelmatige gele veervelden, vooral op bef, rondom en tussen de inplant van de poten; meestal gepaard gaande met één of verschillende geelgetinte handpennen en staartveren. Het bont­patroon is zeer variabel, maar zelden meer dan 50% van het geheel, soms slechts minimaal aanwezig. Sna­vel bleek staalblauw met donkere punt. Poten grijsbruin of bont; de nagels variëren van grijs tot hoornkleurig.

Voor het overige gelijk aan de wildkleur.

 

Beknopte omschrijving recessiefbont:

In tegenstelling met de dominantbonten hebben de recessiefbonten een vaster en gelijkmatiger bontpatroon. Net als bij de dominant bonten is het  bontpatroon variabel, maar altijd boven de 50%.  Het grootste gedeelte van de lichaamsbevedering is dan ook geel. De slagpennen van de recessiefbonten zijn vrijwel altijd pigmentloos en gelijk van kleur. Er zijn recessief bonten met een geheel effen gele lichaamsbevedering. De oogkleur is donker, doch variabel van tint, dit afhankelijk van het bontpercentage. De snavelkleur is aan de basis sterk opgebleekt en gaat over in hoornkleurig. Poten  vleeskleurig of bont; nagels hoornkleurig. Voor het overige gelijk aan de wildkleur.

Opmerking: split recessiefbonten tonen vaak een geel vlekje op het achterhoofd.

 

Beknopte omschrijving van de mottle:

De mottle is een bontvorm die pas na de eerste grote rui tot uitdrukking komt. Deze vogels komen als normale vogels zonder enige vorm van bont uit het nest, maar na de eerste rui ontstaan in toenemende mate bonte veervelden, zowel op het lichaam als op de vleugels. Opmerkelijk is dat geen bontvorming optreedt in de vleugelpennen. Bij dit bonttype zijn dus alle slagpennen volledig gepigmenteerd. Ook de oogring is duidelijk aanwezig.

 

Lutino

Persoonlijk denk ik dat het  bij deze verschijningsvorm niet om een echte lutino gaat. maar om een pseudo ino; in de biologie noemt  men dit een feno copie. Als men een dergelijke “lutino” man paart aan een wildkleur pop krijgt men hieruit 100% cinnamon poppen. Paart men vervolgens die “lutino” man aan een fallow pop dan krijg men uiterlijk fallow mannen en lutino poppen. Deze beide paringen tonen aan dat het  bij deze  “lutino”man om een CinnamonFallow gaat. Er is echter een maar. Een dergelijke “lutino” zou dan eigenlijk een bruinachtige schijn moeten bezitten, maar dat is niet altijd het geval . Wel is het zo dat ze over het algemeen minder diepgeel van kleur zijn dan bijv. een lutino grasparkiet, doch slechts een bleekgele kleur tonen en in sommige gevallen is het zelfs zo dat het geel een vaal bruinachtig waas toont. Een feit is ook dat als men “lutino” x ”lutino” paart er soms jongen uitkomen die enkele op  bleek cinnamon gelijkende veertjes en soms zelfs en klein groen veerveld in de nek tonen, dit laatste ziet men ook wel eens bij de fallows.

Een mogelijke verklaring voor de pseudo lutinovorm is dat we hier te doen hebben met  een mutatiecombinatie van  een tyrosinase negatieve mutant met een mutant van het TRP1 (cin) locus, (TRP1 = TyrosinaseRelatedProtein), waarmee ik niet wil zeggen dat dit het juiste antwoord is. Verre van dat, eigenlijk is op dit gebied veel meer gericht onderzoek noodzakelijk, maar het parkietenwereldje kennende, zal het uitermate moeilijk zijn hiervoor medewerking te krijgen.

Houders van lutino kakariki’s zullen nu waarschijnlijk wel opwerpen dat er wel degelijk diep gekleurde lutino’s bestaan. Dat is juist, maar in die gevallen heeft men er dan naast de CinnamonFallow mutatiecombinatie tevens de dominantbonte en de recessiefbonte kleurvariëteit ingefokt.


Tekst: H.W.J. van der Linden