Genus Cyanoramphus Ė kakarikiís

 

1. Inleiding

Kakarikiís,verzamelnaam voor de leden van het genus Cyanoramphus Bonaparte, 1854 zijn de bekendste parkieten van Nieuw-Zeeland en verschillende eilanden en eilandengroepen in de Grote Oceaan. Het zijn kleine tot middelgrote vogels in grootte variŽrend van 23 tot 31 cm.

 

Kenmerkend voor kakarikiís is de vrij lange trapsgewijs verlopende staart en een bovensnavel zonder inkeping. Typerend is echter vooral de bleek staalblauwe kleur van de bovensnavel met grijszwarte punt. Deze snavelkleur bracht prins Charles, Lucien, Jules, Laurent Bonaparte, een neef van Napoleon en een van de belangrijkste en beroemdste ornithologen van zijn tijd ertoe, de naam van het genus hieraan te ontlenen. De wetenschappelijke naam Cyanoramphus is afgeleid van het Griekse woord kyŠneos wat staalblauw, zwartblauw, donkerkleurig betekent en rŠmphos het Griekse woord voor snavel.

 

Ook in de kleur van hun bevedering vertonen kakarikiís grote overeenkomsten. Op een reeds uitgestorven soort na (C. ulietanus) is de lichaamskleur bijna geheel groen, afhankelijk van de soort gecombineerd met smaragdgroen, rood, oranjerood en geel.

Geslachtsdimorfisme is aanwezig, maar voor de leek niet gemakkelijk vast te stellen.

 

Het genus Cyanoramphus bestaat thans uit tien soorten, waarvan er twee verder in ondersoorten zijn onderverdeeld. Drie soorten en een ondersoort zijn inmiddels uitgestorven, vijf soorten worden met uitsterven bedreigd. De overige leden van het genus worden als kwetsbaar beschouwd.

Door de vele ver uit elkaar gelegen eilanden waarop deverschillende soorten en ondersoorten voorkomen, strekt het verspreidingsgebied van het genus Cyanoramphus zich bij benadering uit over een oppervlakte van 21,5 miljoen vierkante kilometer. Dat is bijna drie keer de grootte van AustraliŽ.

Kakarikiís zijn van oorsprong woudbewoners, maar worden ook wel aangetroffen in min of meer open landschappen met struikgewassen en kreupelhout. Op sommige door houtkap tot boom- en struikloos verworden eilanden leven de vogels op de met grassen begroeide vlakten.

In de wildbaan voeden ze zich met allerhande zaden, bessen, vruchten, nectar, bladknoppen, jonge loten en insecten. Van een aantal soorten die in kustgebieden leven is vastgesteld dat ze ook zeeweer en mosselen eten, van enkele soorten is bekend dat ze zich soms tegoed doen aan vleesresten van kadavers.

In Europa zijn enkel de roodvoorhoofd- en de geelvoorhoofdkakariki in avicultuur bekend, in hun geboortestreek zeer zelden ook de groene kakariki. Aangezien er als gevolg van wettelijke bepalingen geen vogels uit wildvang meer binnenkomen zal de kakarikiliefhebber het met de soorten moeten doen, die hier in voliŤremilieu worden geboren. Wat betreft de roodvoorhoofd- en geelvoorhoofdkakariki behoeven we ook niet te vrezen dat ze voor de liefhebberij verloren zullen gaan. Deze soorten worden in Europa al jaren massaal gefokt en ik veronderstel dat er inmiddels in avicultuur getalsmatig meer zijn dan in hun natuurlijke omgeving. Een groot probleem is de raszuiverheid van de beide soorten, deze is ronduitbelabberd. Het komt erop neer dat men raszuivere vogels vandaag de dag met een lantarentje moet zoeken. Gelukkig zijn er al liefhebbers die door middel van strenge selectie trachten de roodvoorhoofd en geelvoorhoofdkakariki in hun oorspronkelijke verschijningsvorm terug te fokken. Wat betreft hun uiterlijk is dat zeer wel mogelijk, genetisch helaas niet meer.

Kakarikiís zijn prima voliŤrevogels, levendig, nieuwsgierig en broedlustig, die het in avicultuur uitstekend doen. Vanbeide hier gehouden soorten zijn een aantal aantrekkelijke mutanten bekend, waardoor de vraag naar deze vogels vooral de laatste jaren sterk is toegenomen.

 

Tekst: H.W.J. van der Linden